Onno Ruding
Gepubliceerd op: 28 December 2009
|
|
Onno Ruding
|
Als lid van de commissie-De Larosière besliste Onno Ruding mee over het toekomstige toezicht op Europese financiële instellingen. Pensioenfondsen vielen niet onder het advies. Ze zijn dan ook geen Europese prioriteit, vertelt Ruding aan Anke Claassen
De commissie-De Larosière boog zich niet over het toezicht op pensioenfondsen. Volgens u is in Europa de neiging klein om over deze financiële instellingen afspraken te maken. Waarom is dat?
Er is op Europees niveau moeilijk brood van pensioenen te bakken omdat de systemen zo verschillend zijn. Die diversiteit maakt het moeilijk om tot eenduidige afspraken te komen – er is geen vergelijkingsmateriaal. Daarom vinden de meeste landen het vooral een binnenlandse aangelegenheid. Neem bijvoorbeeld Duitsland, dat historisch nooit de richting van het kapitaalgedekte stelsel is ingegaan, die zitten in Brussel verbaasd te kijken als het over Nederlandse pensioenen gaat. Door het verschil in pensioensystemen loop je het risico dat een bepaald systeem onderbelicht blijft. Los van de vraag wat je goed of slecht vindt, is het dus lastig met richtlijnen te komen. Verzekeraars en banken zijn grosso modo in heel Europa hetzelfde. Die hebben dat probleem dus niet.
Volgens u staan pensioenfondsen niet hoog op de prioriteitenlijst. Lopen ze hierdoor geen gevaar om toch onder de wet- en regelgeving van andere financiële instellingen te vallen?
Die angst is ongegrond. De commissie-De Larosière is gevraagd om naar banken en verzekeraars te kijken. Niet naar pensioenfondsen. Maar je kunt de redenering niet omdraaien. Niemand in Brussel trekt de conclusie dat onze aanbevelingen ook voor pensioenfondsen moeten gelden. Maar wat niet is kan natuurlijk nog komen.
Toch heerst die angst. De EU-richtlijn IORP heeft al tot de nodige discussie geleid. Het Solvency 2- regime zou ervoor zorgen dat pensioenfondsen gelijkgeschakeld worden met verzekeraars. Daar heeft commissaris McGreevy weliswaar een stokje voor gestoken, maar wat gebeurt er als een ander zijn plaats inneemt?
Bij de wisseling van posten wordt iemands achtergrond meegenomen. Daarom kan het met een nieuwe commissaris altijd nog alle richtingen uit. Uiteindelijk moet een voorstel toch worden goedgekeurd door de Europese Commissie, de Raad en het Parlement. Voorlopig blijft het systeem van pensioenfondsen een binnenlandse aangelegenheid. Dat neemt niet weg dat we alert moeten zijn. Maar momenteel bestaat er geen voorstel tot een richtlijn die pensioensystemen in diverse richtlijnen gelijk moet schakelen. Daar ben ik ook niet zo bang voor. We hebben hier niet te maken met een communautair beleid. Bovendien zijn we niet uniek. Engeland, Denemarken en Zwitserland zitten in ons kamp. Mijn advies is: houd scherp in de gaten hoe de meerderheid reageert, ander zitten we straks met de gebakken peren.
Heeft Europa geen behoefte aan één pensioensysteem?
Niemand weet hoe dat eruit zou moeten zien. Landen als Nederland met een goed ontwikkeld pensioensysteem zitten niet te wachten op één grote Europese pensioenspaarpot. Landen met een pay as you go-systeem zonder spaarpot zouden de pensioenengelden die wij al die jaren hebben gespaard zomaar kunnen opeten. Als de ontwikkeling die kant op neigt, moet Nederland alle alarmbellen laten rinkelen. Hetzelfde geldt voor de staatsbegrotingen wat betreft ambtenarenpensioenen. Wat zou moeten gebeuren? Eén gezamenlijk beleggingsbeleid? Sommige landen zullen opteren voor aandelen op lange termijn maar andere willen na deze crisis misschien terugkeren naar staatsobligaties. Het is heel vervelend als er dan iemand in Brussel roept dat het allemaal anders moet. Een Europese pensioenoplossing staat nog lang niet op de politieke agenda.
Moet Nederland zelf meer doen om ons pensioenstelsel in Brussel onder de aandacht te brengen?
Momenteel laat minister van sociale zaken en werkgelegenheid (SZW) Donner de pensioenfondsenproblematiek breed onderzoeken. De hiervoor aangestelde commissies focussen enkel op de binnenlandse aspecten. De bankendiscussies gaan ook over binnenlandse aangelegenheden. Toch begrijpt iedereen dat je deze laatste tevens Europees moet regelen. Het is typisch dat dit voor pensioenfondsen nog niet het geval is. Men streeft wel naar pan-Europese regelingen op het vlak van consumenten-, cliënten- of spaardersbescherming, maar pensioenfondsen zijn een vreemde eend die voorlopig nergens echt onder vallen. Of deze pensioencommissies ook naar Europese zaken moeten kijken zou een goede vraag aan de minster van SZW zijn.
Mensen kunnen in Nederland niet kiezen bij welk pensioenfonds ze zich aansluiten. Wordt dit in Europa gezien als consumentonvriendelijk?
Ons systeem werkt nu eenmaal collectief met alle voor- en nadelen; je hebt inderdaad geen keus. Een omslagstelsel dat veel Europese landen wél hebben, is ook een collectieve vorm die op een andere manier is ingericht. Maar collectiviteit en kapitaaldekking zijn de fundamenten van ons systeem. Daar moet je niet aan tornen. Het viel me op dat tijdens de AOW-discussie veel jongeren het eens blijken te zijn met de leeftijdsverhoging. Dat is positief. Zolang de collectiviteit gewaarborgd is, valt dat in het kader van de solidariteit dus goed uit te leggen. Het wordt anders wanneer je rigoureus overstapt van db naar dc, zoals in de Verenigde Staten. Dat is een zeer fundamentele verandering, maar zover ik weet is er geen richtlijn in Brussel die deze evolutie beoogt.
Toch zie je in Nederland wel een ontwikkeling van db-stelsels naar cdc. Binnen Europa hebben we in Groot-Brittannië zelfs de overstap naar individueel dc gezien. Internationaal opererende bedrijven stellen zich door de crisis steeds meer de vraag of ze de Nederlandse pensioenspaarpot moeten blijven vullen.
Multinationals zullen zich aan de nationale wetten moeten houden. Daar ontkomen ze niet aan. Toch ontstaat er druk als iets te duur wordt. Dan spreek ik over de werkgeverspremies. Sommige grote bedrijven als Shell hebben de financiële kracht om tekorten aan te vullen. Niet elk bedrijf kan dat, dus aan het verhogen van premies zitten grenzen. Die spanningen kunnen zich ook binnenlands ontladen. Je kunt dan het systeem behouden maar de pensioenregeling versoberen. Een tweede mogelijkheid is onlangs ingezet: het verhogen van de AOW- gerechtigde leeftijd. Dat scheelt een slok op een borrel voor de tweedepijler premies als daar ook de leeftijd omhoog gaat. Die discussie wordt momenteel gevoerd. De huidige crisissituatie maakt het er niet makkelijker op. Tekorten die jaren blijven oplopen zonder enig zicht op indexatiemogelijkheid, zouden voor gedonder kunnen zorgen. Het is terecht dat we dus niet enkel naar het beleggingsbeleid van pensioenfondsen kijken, maar ook naar de voorzieningen zelf.
U zegt dat de overdraagbaarheid van pensioen wél onder de aandacht van Brussel valt. Wat kunnen we op dit gebied de komende jaren verwachten en welke rol heeft Nederland hierin?
De vrije immigratie is een mooie gedachte. Des te frustrerender is het feit dat mensen hun pensioenen niet mee mogen nemen naar een ander land. Omdat dit ongenoegen Europabreed wordt gedragen, staat de pensioenoverdracht in Brussel wél volop in de schijnwerpers.
Nederland zou met ons grote en goed ontwikkelde pensioensysteem meer buiten onze landsgrenzen kunnen doen. Dat past binnen het idee van een brede Europese aanpak op het gebied van de overdraagbaarheid. Ik ben daar een groot voorstander van. Daarvoor heb je zelfs geen Europese richtlijnen nodig. Als je wat aan te bieden hebt dat voor andere landen aantrekkelijk is, moet je die kans grijpen. Denk aan Luxemburg dat de administratie van tienduizenden beleggingsfondsen doet. Een ander land moet dit uit protectionistische overwegingen niet kunnen tegenhouden.
En dan was er nog het idee dat pensioenfondsen de Nederlandse economie moeten redden?
Dat was een heel slechte gedachte van minister van financiën Wouter Bos. Hij is ook heel snel op de vingers getikt. Zijn bedoelingen waren wellicht goed, maar het middel was veel gevaarlijker dan de kwaal. Met het geld van de gepensioneerden ga je toch geen andere problemen oplossen? Als dat fout gaat, sta je behoorlijk voor aap.
U leidde de commissie Private Financiering van Infrastructuur, waar u wel kansen voor pensioenfondsen ziet. Waarom zijn Nederlandse pensioenfondsen weinig geïnteresseerd om in Nederlandse infrastructuur te beleggen?
Nederland kent haast geen tolwegen, een erg goede belegging voor de lange termijn. Pensioenfondsen kunnen wel beleggen in publiek private financiering (PPS). Dit zijn voor fondsen erg interessante beleggingen. Ze kunnen daar moeilijk op tegen zijn omdat ze dat in het buitenland wél doen. Maar de financiële crisis ligt nog vers in het geheugen; ze zijn bang dat als ze één vinger aan Financiën geven, die de hele hand neemt. Momenteel is alles te versnipperd en stelt de overheid teveel voorwaarden. Plus de coördinatie tussen de ministeries van verkeer en waterstaat en financiën is niet goed op dit punt. Pensioenfondsen werpen terecht op dat er in het buitenland meer mogelijkheden voor publiekprivate samenwerking worden geboden.
Pensioenfondsen willen op de lange termijn een stabiele inkomensstroom waaraan ze ook graag indexatie-elementen willen toevoegen om tot een geleidelijke verhoging van rendement te komen.
Daarvoor is dit een uitgelezen kans. Momenteel wordt in een commissie overleg gepleegd over een aantal modellen om institutionele beleggers meer te betrekken bij de financiering van weg en spoor. Bepaalde media hebben de zaak echter geen goed gedaan. Beweerd werd dat pensioenfondsen hun interesse in PPS hadden verloren. Ik signaleer juist meer bereidheid in deze belegging. Het zijn eerder partijen als de bouwers, banken en gemeenten die tijdelijk in het slop zitten waardoor zaken niet zo snel gaan als gehoopt.
U wordt wel eens verweten dat u na Lehman heeft gezegd niet te denken dat andere banken hetzelfde zou overkomen. Hoe kijkt u zelf aan tegen uw eigen uitspraken in het verleden over deze crisis?
Net als iedereen kon ik niet voorzien wat er is gebeurd. Toch heb ik met vele anderen, het te ruime monetaire beleid wél gesignaleerd. Het beloningsbeleid – niet de hoofdoorzaak van de crisis – heeft verkeerd risicogedrag opgejut. Verschillende economen, waaronder ikzelf, stelden jaren geleden al dat het systeem waarbij bonussen direct in cash worden betaald te grote risico’s inhield. De off balance sheet-activiteiten van banken werden aantrekkelijk, maar verminderde de transparantie. Daarom konden we de gevolgen niet goed overzien. Er zijn zeker fouten gemaakt. Ook door overheden en toezichthouders. Maar het grootste probleem lag toch bij veel financiële instellingen. Gelukkig maakten Nederlandse pensioenfondsen hier geen deel van uit.
CV
Onno Ruding
Heden Voorzitter van de Raad van Bestuur van de CEPS (Centre for European Policy Studies) in Brussel, president commissaris van BNG (Bank Nederlandse Gemeenten), commissaris van multinationale ondernemingen in verschillende landen.
2009 Lid van de commissie- De Larosière.
2008 Voorzitter van de commissie Ruding (publiekprivate samenwerking bij de financiering van infrastructuur).
1992-2003 Vice voorzitter Citibank in New York
1982-1989 Minister van Financiën
1977-1980 Directeur van het IMF
Printbare versie
Stuur deze artikel naar een vriend.
|