Brief uit Den Haag
Gepubliceerd op: 01 Maart 2005
(Lente 2005)
|
|
Aart Jan de Geus, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
|
Vaak wordt commentaar geleverd op het feit dat het FTK teveel op de korte termijn is gericht. Er is verdeeldheid over de oorspronkelijke reden voor de eisen van het FTK en velen vinden de 12 maanden hersteltermijn, wanneer een dekkingsgraad onder de 105 procent komt, te kort. Voor de rest is er nog geen zekerheid over wie er interne modellen gaat gebruiken.
Zo zijn er een aantal problemen met, en vragen over het FTK die npn meerdere malen tegenkwam. Het ministerie bijvoorbeeld lijkt vast te houden aan de 12 maanden hersteltermijn ondanks het commentaar hierop. Velen zullen zich afvragen waarom ze deze eis aanhouden.
Bram van den Oever stelde vragen aan Aart de Geus, minister van sociale zaken en werkgelegenheid. Wel maakte de minister duidelijk dat het onderwerp ‘pensioenen” voor juni 2004 behandeld werd door de toenmalige staatssecretaris Rutte. “Hij heeft ook de beslissingen over het FTK genomen. Nu maakt dit onderwerp deel uit van de portefeuille van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid”, aldus De Geus.
Waarom heeft het ministerie de eisen van het FTK in het consultatie document financieel toetsingskader zo gesteld? Sommige mensen beweren bijvoorbeeld dat het een reactie is geweest op de situatie van de aandelen in 2001-2002.
Ja, dat is de directe aanleiding. Tevens was van belang dat de sociale partners het verzoek hebben gedaan om via gerichte wetgeving snel duidelijkheid te verschaffen over het wettelijk kader waarbinnen de toezichthouder moet zorgdragen voor een daarop aangepast effectief en efficiënt toezicht. Dit is aangegeven in de brief van Staatssecretaris Rutte d.d. 8 mei 2003 aan de tweede kamer.
Sommige specialisten verwachten dat de lange termijn rente nog verder gaat zakken wat behoorlijke consequenties kan hebben voor pensioenfondsen. Dit is tevens door het ministerie bevestigd. Wat is u reactie hierop?
In punt 21 van de nota van 6 februari 2004 over de hoofdlijnen voor de regeling van het financiële toezicht op pensioenfondsen in de Pensioenwet (TK 2003/04, 28294, nr 4) is aangegeven dat nog nader zal worden bezien op welke wijze kan worden voorkomen dat bij het overgaan op marktwaardering van de verplichtingen een te grote premievolatiliteit kan worden voorkomen. Dat is uiteengezet in de nota van 29 oktober 2004 (TK 2004/05, 28294, nr 11) met een uitwerking van die nota van 6 februari 2004.
Een verlaging van de lange termijn rente heeft in het algemeen inderdaad grote consequenties voor stelsels die zijn gebaseerd op kapitaaldekking.
Vaak hoort npn dat de hersteltermijn van 12 maanden te kort is indien de dekkingsgraad onder de 105 procent komt. Wat is u reactie hierop?
De periode van 1 jaar is opgenomen in de punten 11 en 25 van de nota van 6 februari 2004. Zoals bekend heeft de Tweede Kamer met die nota ingestemd.
Overigens kan worden opgemerkt dat in de periode voor de regeling inzake het FTK onderdekking voor pensioenfondsen in het geheel niet was toegestaan.
Gaat er nog wat veranderen m.b.t. de 12 maanden hersteltermijn in het geval van een dekkingsgraad onder de 105 procent?
Daartoe liggen op dit moment geen plannen.
Een ander commentaar dat npn vaak tegenkomt is dat het FTK wat betreft de solvabiliteittoets te veel op de korte termijn is gericht. Wat is u reactie hierop?
In de nota van 6 februari 2004 wordt in punt 22 aangegeven dat voor herstel van de buffers is uitgegaan van een hersteltermijn van maximaal 15 jaar kan gelden. Daarom kan niet worden gesteld dat die nota te veel op de korte termijn is gericht.
Hoeveel pensioenfondsen denkt u dat het interne model van de solvabiliteitstoets gaan gebruiken?
Dat is op dit moment niet te zeggen. De verwachting is dat het gebruik van interne modellen eerder door de grotere dan door de kleinere fondsen zal worden toegepast.
Denkt u dat het interne model kan resulteren in een lagere dekkingsgraad dan 130 procent?
Dat is niet waarschijnlijk. De 130 procent geeft de verhouding weer tussen de aanwezige middelen en de omvang van de verplichtingen. Voor de waardering van de verplichtingen en van de aanwezigemiddelen moet gebruik worden gemaakt van dezelfde parameters (zie punt 21 van de nota van 29 oktober 2004).
Bent u niet van mening dat de potentiële extra buffer, nodig voor het indexatiebeleid, samen met de dekkingsgraad van 130 procent een overdreven zekerheid geven?
Nee. Zoals uit punt 22 van de nota van 6 februari 2004 blijkt, dient de buffer van 30 procent voor het stellen van zekerheid voor de onvoorwaardelijke toezeggingen. Indien de voorwaardelijke toezeggingen worden gefinancierd met een vrijwillig gevormde bestemmingsreserve (= eigen vermogen) of met een vrijwillig gevormde technische voorziening (= vreemd vermogen) dan dient die reserve c.q. voorziening niet tot extra zekerheid voor de onvoorwaardelijke toezeggingen, maar tot financiering van die voorwaardelijke toezeggingen.
Welke consequenties denkt u dat er zijn voor vermogensbeheerders als gevolg van het FTK?
De mogelijkheid om uit te gaan van waardering op marktwaarde.
Nota van 6 februari 2004, TK 2003/04, 28294 Punt 11: In de Pensioenwet zal onderscheid worden gemaakt tussen die onderdelen van de pensioenovereenkomst die als onvoorwaardelijk worden aangemerkt en die onderdelen die als voorwaardelijk worden aangemerkt. Het nominale deel van de pensioenovereenkomst wordt in ieder geval als onvoorwaardelijk aangemerkt. Dit onvoorwaardelijke onderdeel dient met zodanig hoge mate van zekerheid door het pensioenfonds te worden veiliggesteld, dat – gerekend vanuit de evenwichtssituatie van het fonds – wordt voorkomen dat het fonds binnen 1 jaar terecht komt in een situatie van onderdekking. Deze mate van veiligstelling van het onvoorwaardelijke onderdeel zal plaatsvinden via wettelijke voorschriften aan de hoogte van het vereist eigen vermogen (door middel van de wettelijk vastgestelde risicomaatstaf). Punt 21: Bij het overgaan naar marktwaardering van de verplichtingen worden de dekkingsgraden beweeglijker en is er meer kans op onderdekking. Nog nader zal worden bezien op welke wijze een te grote premievolatiliteit kan worden voorkomen. Punt 22: Tegen deze achtergrond wil het kabinet voor de onvoorwaardelijke toezeggingen uitgaan van een zekerheidsmaatstaf van 97,5 procent met een hersteltermijn van maximaal 15 jaar. Voor een standaardpensioenfonds (waarbij o.a. uitgegaan wordt van een belegging voor 50 procent in zakelijke waarden, en een duration van vastrentende beleggingen en de verplichtingen van vijf respectievelijk 16 jaar) betekent dit een dekkingsgraad van niet meer dan 130. De gemiddelde opbouwperiode van een pensioen bedraagt 40 jaar. De keuze van 97,5 procent betekent dat iedere deelnemer gemiddeld een keer mee moet betalen aan het herstel. Daarbij komt dat bij deze zekerheidsmaatstaf wordt voorkomen dat structureel altijd een deel van de pensioenfondsen in herstel zit. Punt 25: Het fonds dient altijd, behalve in de hierna omschreven uitzonderingssituatie, te beschikken over het minimaal vereist eigen vermogen. Indien het fonds niet beschikt over het minimaal vereist eigen vermogen, dan dient het fonds direct een herstelplan aan de PVK ter goedkeuring voor te leggen waaruit blijkt dat zo snel mogelijk, maar binnen maximaal één jaar het minimaal vereist eigen vermogen wordt hersteld. Nota van 29 oktober 2004 Punt 21: Het kabinet zal zich in de Pensioenwet en de lagere regelgeving baseren op het standaardmodel dat de PVK hanteert voor de toetsing van het vereiste eigen vermogen. Dit standaardmodel sluit aan bij de huidige situatie. De daarbij gehanteerde parameters voldoen aan de voorwaarde in punt 22 van de FTK-Hoofdlijnennota dat bij een standaard-pensioenfonds een dekkingsgraad resulteert van niet meer dan 130 procent. Een pensioenfonds mag van dit standaardmodel afwijken, mits het pensioenfonds een intern model hanteert dat de instemming heeft van de PVK. Het te kiezen interne model is de verantwoordelijkheid van het pensioenfonds. De PVK beoordeelt het model op de mate waarin het fonds blijk geeft van goed inzicht in de te bereiken doelen en de daarmee gepaard gaande risico’s. Voorts moet het een dergelijk op het fonds toegesneden model op adequate wijze in de beheers- en besluitvormingsprocedures van de fondsorganisatie zijn ingebouwd. Het model zal, o.a. met backtesting, periodiek worden getoetst om vast te stellen of – ongewijzigde – toepassing van het interne model nog gerechtvaardigd is. Afhankelijk van de uitkomsten van deze toetsing en met het opbouwen van ervaring zullen de eisen aan de interne modellen steeds helderder geformuleerd kunnen worden. De parameters van het standaardmodel zullen worden opgenomen in een amvb op grond van de Pensioenwet die op 1 januari 2006 van kracht zal worden. Het is het voornemen van het kabinet om vervolgens eens in de drie jaar aan de PVK advies te vragen of deze parameters nog steeds valide worden geacht. Vervolgens zal het kabinet de sociale partners consulteren over de gevolgen van dat advies. Bijeen eventuele wijziging van de parameters is voor het kabinet voor de onvoorwaardelijke toezeggingen de zekerheidsmaatstaf van 97,5 procent met een hersteltermijn van maximaal 15 jaar een hard gegeven.
Printbare versie
Related articles:
|