Ook kleine pensioenfondsen hebben bestaansrecht
Gepubliceerd op: 01 Maart 2005
(Lente 2005)
Uit recente publicaties en krantenkoppen blijkt dat pensioenfondsen zich in zwaar weer bevinden. Als belangrijkste oorzaken worden genoemd: nieuwe verslaggevingregels, lagere dekkingsgraden, scherpere eisen van de DNB/PVK en een kritische opstelling van de stakeholders. Profeten van verschillende pluimages stellen zelfs dat veel kleine (ondernemings) pensioenfondsen binnen enige jaren zullen sneuvelen. Hierbij gaan zij voorbij aan het feit dat er veelal geen acceptabel alternatief is voor dit soort fonds. Mathijs van Gool, Marien de Lint en Dries Nagtegaal geven hier hun mening.
De schrijvers van dit artikel zijn dan ook van mening dat kleine pensioenfondsen – de ongeveer vierhonderd fondsen met een belegd vermogen kleiner dan 100 miljoen euro – ook in de toekomst hun bestaansrecht kunnen handhaven. Hiervoor moet wel aan enige interne en externe randvoorwaarden worden voldaan. Zo moet een betere ‘governance structuur’ gepaard gaan met meer efficiency binnen het fonds en in relatie tot externe leveranciers.
De Pensioen en spaarfondsen Wet bepaalt dat pensioenverplichtingen en het pensioenvermogen buiten de onderneming moeten worden ondergebracht. Ruim 800 ondernemingen, bedrijfstakken en beroepsverenigingen hebben hiervoor pensioenfondsen opgericht, die een aantal voordelen kennen. Dat zijn onder meer flexibiliteit inzake inhoud en financiering van de pensioenregeling en afwezigheid van fiscale complicaties in geval van buffervorming en/of overrentes. Ook kunnen functies als vermogensbeheer, administratie en herverzekering onafhankelijk van elkaar, bij de beste aanbieder worden ondergebracht. Verder is er de positieve betrokkenheid van deelnemers en gepensioneerden door een goede medezeggenschapsstructuur en communicatiemogelijkheden.
Het alternatief
Volgens de wet is een direct verzekerde regeling het enige alternatief voor een pensioenfonds. Hierbij wordt het pensioen beheerd door een verzekeraar zonder tussenkomst van een pensioenfonds. Op het eerste gezicht kan dit een aantrekkelijk alternatief lijken. De praktijk wijst uit dat een overstap naar deze vorm van uitvoering beslist geen panacee is. Een dergelijke overstap is arbeidsintensief en juridisch complex. De hierboven geschetste voordelen van een pensioenfonds vervallen en er is daarna bijna geen weg terug. Voor ondernemingspensioenfondsen bestaat er een tweede alternatief: onder bepaalde omstandigheden kunnen deze fondsen worden opgenomen in een bedrijfstakpensioenfondsen. Dit is een verregaande, vaak onomkeerbare operatie waarbij directe zeggenschap over de regeling en financiering volledig wordt opgeofferd. Een overweging hierbij is dat onder IFRS de mogelijkheid lijkt te bestaan om bij bedrijfstakpensioenfonds ondergebrachte regelingen te beschouwen als ‘beschikbare premie’ regeling. Hoewel de geleerden het hier nogniet over eens zijn, geniet dit alternatief de laatste tijd wel meer belangstelling.
Kortom, het aantal alternatieven voor een pensioenfonds is heel beperkt. Mede gezien de geschetste nadelen, kan beslist niet worden gesteld dat kleine pensioenfondsen geen bestaansrecht (meer) hebben. Om de levensvatbaarheid van deze fondsen te verbeteren is het overigens wél zaak dat indringend aandacht wordt besteed aan professionaliteit, deskundigheid (met name op de beleidsterreinen vermogensbeheer en ALM) en efficiency.
Pension fund governance
Bij pension fund governance gaat het om het vinden van een goede balans tussen toezicht, beleid, verantwoording en uitvoering. Transparantie en communicatie zijn hierbij van groot belang. Er zijn voorstellen gedaan voor een vorm van pension fund governance die naar onze mening geen bedreiging hoeven te vormen voor kleinere pensioenfondsen mits zij de speelruimte krijgen om daar praktisch mee omte gaan.
Het toezicht kan bij kleinere pensioenfondsen via een “one tier” structuur opgelost worden. Hierbij verzorgt een dagelijks bestuur de voorbereiding en uitvoering van het beleid en vervult het algemeen bestuur de rol van toezichthouder. In het dagelijks bestuur zal een professional zitting moeten nemen die een substantieel deel van zijn tijd hieraan besteedt.
Wat betreft verantwoording zal het bestuur het beoogde beleid en de behaalde resultaten op de verschillende terreinen moeten expliciteren en aan de stakeholders moeten verantwoorden. Dit kan via een jaarlijks overleg waarin de werkgever en deelnemers/gepensioneerden (eventueel via een deelnemersraad) participeren.
Ook indien de verwachte afspraken rondom pension fund governance een dergelijke aanpak niet zouden voorschrijven doet het bestuur er goed aan toezicht en verantwoording op een professionele manier te waarborgen en daarover te communiceren.
Interne randvoorwaarden
Fondsbestuurders moeten in staat zijn om materiële invulling te geven aan hun verantwoordelijkheden. In eerste instantie betreft dit de competenties van fondsbestuurders. Zij dienen te weten hoe om te gaan met bestuurlijke processen, verantwoordelijkheden en het formuleren, uitvoeren en toetsen van het beleid. Daarnaast moeten zij over voldoende tijd beschikken voor het vervullen van hun taak. Eenbelangrijke interne randvoorwaarde betreft de deskundigheid van bestuurders. Willen zij professioneel en kosteneffectief kunnen opereren, ontkomen kleine pensioenfondsen er niet aan om een professionele bestuurder en/of pensioenfondsmanager (in deeltijd) aante trekken.
Vanzelfsprekend zijn hier kosten mee gemoeid, maar deze zijn zonder meer verantwoord gezien het grote (financiële) belang dat hiermee is gemoeid. Dit is zeker het geval voor het vermogensbeheer. Deskundigheid is vereist om een goed rendement te genereren gegeven het risico dat men wil lopen. Het ligt dan ook voor de hand dat dergelijke professionals deskundig zijn op het vlak van deprimaire processen binnen het fonds, zoals administratie, verzekering en vermogensbeheer.
Er is een register opgericht waarin potentiële bestuurders en managers van pensioenfondsen zich kunnen laten inschrijven. Hiermee kunnen vraag en aanbod beter op elkaar worden afgestemd.
Verder valt op dat kleine pensioenfondsen vaak niet zijn aangesloten bij een koepelorganisatie zoals het OPF. Aansluiting geeft toegang tot veel praktische informatie en stimuleert dat debelangen van kleine fondsen voldoende worden behartigd. Tot slot verdient het aanbeveling dat beleggings- en auditcommissies worden opgericht. Hiermee kan deskundigheid op deelgebieden worden ingebracht.
Externe randvoorwaarden
De levensvatbaarheid van kleine pensioenfondsen wordt bovenal bepaald door de manier waarop dienstverleners inspelen op de behoefte van kleine pensioenfondsen die veelal herverzekerd zijn. Op dit moment blijven de beleggingsrendementen van kleine fondsen vaak (te ver) achter bij die van grotere pensioenfondsen. Ook op het terrein van administratie, communicatie en herverzekering scoren kleine fondsen minder dan hun grotere broers; zowel wat betreft kwaliteit als prijs. Om de levensvatbaarheid van kleine fondsen te stimuleren, is het belangrijk dat de externe aanbieders van vermogensbeheer, herverzekering, communicatie, administratie en dergelijke hun propositie zodanig definiëren dat kleine pensioenfondsen vergelijkbare schaalvoordelen krijgen als hun grotere broers. Een aantal spelers op de markt is zich bewust van deze noodzaak en probeert hier actief op in te spelen. Aannemende dat deze proposities op een volwaardige manier in de markt worden gezet, kunnen deze eencruciale rol spelen in de verbetering van de positie van kleine pensioenfondsen.
In een volgend artikel, dat uiterlijk in september zal verschijnen, zullen wij nader ingaan op actuele marktontwikkelingen op dit vlak en de manier waarop kleine pensioenfondsen hiervan kunnen profiteren.
Auteurs
Mathijs van Gool is bestuurslid Stichting Pensioenfonds Het Financieele Dagblad; Marien de Lint is werkzaam bij Corporate Pension Architects B.V.; Dries Nagtegaal is werkzaam bij Hewitt Associates B.V.
Printbare versie
Related articles:
|