Uitdagingen van het FTK
Gepubliceerd op: 01 Maart 2005
(Lente 2005)
Het Nederlandse pensioensysteem geldt nog steeds als een van de best gefinancierde pensioensystemen ter wereld, maar het financiële toetsingskader stelt strenge eisen aan pensioenfondsen. Bram van den Oever maakt een analyse over de nieuwe eisen die door het FTK worden gesteld.
Door de invoering van het FTK krijgt de pensioensector te maken met nieuwe regelgeving. De politiek, die zich niet afzijdig houdt als het gaat om de pensioenwetgeving, vraagt door middel van het FTK om 97,5 procent zekerheid. Maar de vraag blijft of de politiek niet te ver af staat van de dagelijkse praktijk van de pensioenwereld en daardoor te hoge eisen stelt.
Niet alleen voor de pensioenfondsen zal het FTK een verandering betekenen, maar diverse andere sectoren zullen zich ook moeten aanpassen. Zo gaan bijvoorbeeld de asset managers als gevolg van de op handen zijnde veranderingen andere producten aanbieden.
Waarom het FTK?
Een van de belangrijkste veranderingen binnen het FTK is de waardering van de assets op marktwaarde. Binnen de pensioensector worden diverse redenen genoemd als aanleiding voor de nieuwe regelgeving. De meeste experts zijn het erover eens dat de ontwikkelingen op de beurs een rol hebben gespeeld. Maar er is consensus over het gegeven dat waardering van de verplichtingen tegen marktwaarde de korte en lange termijn risico's expliciet en transparant maken. Dit zien de experts als verbetering.
”Eind jaren '90 ging alles goed met de beurs en dus met de pensioenfondsen. Er was geen noodzaak om strengere eisen te stellen aan pensioenfondsen. De beursneergang vanaf 2000 en de snel dalende dekkingsgraden hebben de overheid aan het denken gezet. Het toezicht op de pensioenfondsen werd geïntensiveerd”, aldus Laurens Swinkels, kwantitatief onderzoeker bij Robeco Asset Management.
Curt Custard, hoofd van multi-asset bij Schroders, is ervan overtuigd dat de aandelen situatie de voornaamste reden is geweest voor het FTK.
”De aandelensituatie in 2001 en 2002 zou katalyserend kunnen hebben gewerkt in het opstellen van het FTK” volgens Jan Lodewijk Roebroek, chief executive officer van Fortis Investment Nederland. “Maar in wezen moet men met een defined benefit [DB] systeem de verplichtingen en assets op lange termijn op elkaar afstemmen”, aldus Roebroek. Hiermee geeft hij aan dat de situatie in de jaren 2001 en 2002 niet de belangrijkste reden hoeft te zijn geweest voor het FTK, maar dat de wijzigingen die het met zich meebrengt, gewoon logisch zijn in het Nederlandse systeem.
Ook Hans Rademaker, directeur vermogensbeheer bij Mn Services, geeft aan dat hij niet vindt dat de situatie in 2001 en 2002 de aanleiding voor het FTK is. “De voormalige PVK was al bezig met het ontwikkelen van het FTK voordat de aandelen sterk in waarde daalden.”
“We moeten er met z'n allen natuurlijk van af om DNB [De Nederlandsche Bank] overal de schuld van te geven. Uiteindelijk is het op marktwaarde waarderen van verplichtingen en het expliciet en transparant maken van korte en lange termijn risico's gewoon heel verstandig", meent Rademaker.
Marktwaarde
Hoewel de dekkingsgraad enorm is gedaald gedurende de periode 2001-2002, heeft de waardering tegen marktwaarde, bij de huidige lage rente hetzelfde gevolg.
”Als de verplichtingen op marktwaarde worden gewaardeerd betekent dat, dat ze gevoelig worden voor renteveranderingen. Dat betekent dat het surplus van het fonds volatieler wordt dan in het verleden”, volgens Niels Kortleve, senior investeringsstrateeg bij PGGM. Hij gaf niettemin aan dat deze volatiliteit er altijd al is geweest, maar nooit opviel, omdat de rente altijd vast stond.
”We zien dus dat er met een dalende rente extra druk komt op het surplus, omdat het surplus niet alleen vanwege dalende asset-waarde het surplus kan afnemen maar ook vanwege stijgende verplichtingen”, vertelde Kortleve. Feit is ook dat gedurende de periode dat de rente boven de vier procent stond, het daadwerkelijke surplus van de pensioenfondsen hoger lag dan werd weergegeven. Nu kunnen pensioenfondsen hopen op een rentestijging, waardoor het surplus weer stijgt. Dit lijkt vooralsnog onwaarschijnlijk.
De waardering tegen marktwaarde betekent ook niet dat er daadwerkelijk geld verloren gaat. ”Het is per slot van rekening een boekhoudkundige manier om naar de dekkingsgraad te kijken. De pensioenfondsen worden natuurlijk niet armer of rijker van de nieuwe manier van waarderen”, volgens Swinkels.
De vereiste dekkingsgraden van 105% en 130%
Volgens de eisen van DNB zal bij een pensioenfonds die een dekkingsgraad heeft bereikt van 130 procent, zowel met het standaard- als het interne model een negatieve verandering plaatsvinden bij een rentedaling.
”De vraag is of de tussentijdse waardering die we nu telkens maken, belangrijk is voor de beoordeling of je voldoende of onvoldoende vermogen hebt”, meent Kortleve.
Maar de commotie die op dit moment in de pensioenwereld heerst, is niet zozeer gericht op het lange termijn behalen van de 130 procent dekkingsgraad, maar voornamelijk op de potentiële situatie waarin de dekkingsgraad onder de 105 procent geraakt. Voor de laatstgenoemde situatie schrijft het FTK een maximale hersteltermijn van 12 maanden voor.
Het lijkt voor de meeste pensioenfondsen onwaarschijnlijk dat zij onder de 105 procent komen. "Als de rente bijvoorbeeld naar drie procent zou zakken, zou het gros van de pensioenfondsen onder die grens zitten, omdat zij de duration nog niet gematcht hebben", aldus Jan Bertus Molenkamp, hoofd account management bij Mn Services Vermogensbeheer.
Peter Borgdorff, directeur bij de Verenging voor Bedrijfstakpensioenfondsen (VB), heeft duidelijk aangegeven dat de hersteltermijn van 12 maanden hun grootste bezwaar is. “En vaak is het zo dat als men in de gevarenzone zit, men minder risico wil en kan nemen, met alle gevolgen van dien”, volgens Henk Breukink, directeur F&C Nederland. Het blijkt dus, dat wanneer een pensioenfonds onder de 105 procent zit, zij logischerwijs minder risico wil nemen. Maar door de eisen van het FTK moet het pensioenfonds dit dekkingstekort binnen 12 maanden herstellen en dus waarschijnlijk meer risico’s nemen. Dit dilemma noemt Rademaker de “solvency trap”.
Volgens PGGM zijn er twee manieren waarop een pensioenfonds het scenario onder de 105 procent dekkingsgraad kan verhelpen. Ten eerste kan de sponsor bijdragen in het geval van een onderdekking. Dit heeft voornamelijk betrekking op ondernemingspensioenfondsen. “PGGM heeft geen sponsor die miljarden op tafel kan leggen”, deelde Kortleve mee.
De premie verhogen is de tweede optie voor een pensioenfonds. Kortleve gaf aan de hand van een voorbeeld aan dat als de premie rond de 15 procent zou liggen en de dekkingsgraad onder de 105 procent zou komen er 12 maanden tijd zou zijn om dit tekort te herstellen. De premie zou naar 30 procent moeten worden verhoogd, wat waarschijnlijk onaanvaardbaar is voor het bestuur. Daarbij vertelde hij dat bij PGGM de effecten op de premie een stuk lager zouden zijn als de hersteltermijn langer zou zijn, bijvoorbeeld drie tot vijf jaar.
“Door de strenge eis om binnen 12 maanden weer een dekkingsgraad van 105 te hebben, zijn premieverhogingen als sturingmiddel niet zo effectief meer. Premieverhogingen hebben meer een langetermijneffect op de dekkingsgraad en kunnen vaak niet binnen 12 maanden de oplossing brengen. Dat is een groot probleem” volgens Swinkels.
Niettemin zou een generaal pardon mogelijk zijn. “Als alle of meerdere pensioenfondsen gelijktijdig onder de 105 komen, kan DNB altijd maatwerk toepassen en vragen stellen zoals: `Wat is er bij dit fonds aan de hand?`, `Wat zijn de mogelijkheden`, `Wat zijn de perspectieven op termijn’ en ‘Wil ik het fonds eventueel meer ruimte geven of niet?`” aldus Kortleve.
Welk model?
Het nieuwe FTK zou drie verschillende modellen aanbieden om de solvabiliteit van pensioenfondsen te testen.
De vereenvoudigde methode is het meest simplistische model in de reeks en kan handig zijn voor de kleinere pensioenfondsen. “De vereenvoudigde methode zal daarnaast robuust moeten zijn en soms leiden tot een hogere gewenste solvabiliteit dan bij de toepassing van de andere varianten,” stelt het consultatie document financiële toetsingskader, wat tevens aangeeft dat er daadwerkelijk een nadeel zit in het gebruik van dit model.
De gestandaardiseerde methode hanteert een risicoberekening waarin het de factoren afweegt (figuur 1). “Onze klanten gaan voorlopig nog uit van de standaardmethode om de solvabiliteitstoets te berekenen. Ten eerste omdat die relatief eenvoudig uit te leggen is en omdat die methode makkelijker toe te passen is dan de interne modellenmethode”, aldus Swinkels.

”De parametrisering van het standaardmodel door DNB voor pensioenfondsen is in zijn geheel redelijk”. Daarmee bedoelde Kortleve de 130 procent streefdekkingsgraad die eruit komt. Er wordt vanuit gegaan dat deze methode voornamelijk zal worden gebruikt door kleine en middelgrote pensioenfondsen.
”In de standaardmethode zijn wij vooral ongelukkig met de strenge buffereis voor hedge funds-of-funds. Wij zijn van mening dat goed gespreide hedge funds-of-funds minder risicovol zijn dan aandelen en individuele hedge funds”, vertelde Swinkels. Volgens Swinkels is de huidige buffereis logisch als men in een individueel hedge fund investeert, omdat dit risicovoller is. “Maar als men in verschillende categorieën investeert met de bedoeling de risico’s te spreiden, blijkt dat de risico’s van hedge funds-of-funds lager liggen dan bij aandelen”.
Volgens Rademaker zullen de grotere pensioenfondsen voornamelijk de interne modellenmethode gebruiken. Niettemin zei hij dat het ook voor kleinere pensioenfonsen aantrekkelijk zou kunnen zijn als aanbieders service, software en data zouden leveren die het voor deze groep pensioenfondsen mogelijk zou maken om de interne modellenmethode te gebruiken. PGGM gaf aan dat ze aan het overwegen zijn om naar de interne modellenmethode over te stappen. Voornamelijk omdat het standaard model uitgaat van bepaalde risico inschattingen. “Wij zullen bepaalde risico’s anders inschatten dan De Nederlandsche Bank, maar uiteindelijk komen wij ook in de buurt van die 130 procent dekkingsgraad als indicatie voor een standaardpensioenfonds. Daar zou je dus op basis van een intern model, - in meeste gevallen - niet substantieel onder komen”, zei Kortleve. Derisico’s waar PGGM een andere inschatting van zou maken, liggen vooral in het feit dat aandelenrisico’s, volgens Kortleve, evenveel gevolgen op de balans hebben als renterisico’s.
”Continuïteitsanalyse: dat deden we al”
De experts vinden de continuïteitsanalyse niet zo’n vernieuwing in de sector. “De meeste pensioenfondsen laten eens in de drie jaar een ALM-studie doen en waren zich altijd al bewust van de noodzaak de lange termijn te betrekken in hun beslissingen”, aldus Swinkels.
"DNB formaliseert het lange termijn denken met de continuïteitsanalyse. Een van de goede dingen van het FTK vind ik dat de zogenaamde pensiondeal, het samenspel tussen premie, beleggingsbeleid, uitkeringen en reglementen van het pensioenfonds, nu heel expliciet wordt gemaakt", zei Rademaker. Ook PGGM zei dat ze inderdaad al het lange termijn denken toepast via ALM-studies en is het eens met de verankering van dit lange termijn denken in de wet.
Npn vroeg of er dan helemaal geen verschil is met de huidige situatie. PGGM maakte duidelijk dat sommige pensioenfondsen maar eens in de vijf jaar een ALM-studie doen en dat de meer regelmatige verplichting om naar de lange termijn te kijken voordelig kan zijn. Maar er zullen voornamelijk impliciete veranderingen volgen uit de continuïteitsanalyse.
”Pensioenfondsen gaan meer nadenken over het beleid dat ze zouden kunnen voeren op het moment dat ze in een situatie van onderdekking geraken, en wat ze eventueel kunnen doen om te voorkomen dat ze in die situatie terechtkomen”, vertelde Kortleve npn. Het gevolg van de verplichte continuïteitsanalyse zou kunnen zijn dat pensioenfondsen beter gaan nadenken over eventuele onderdekking. Hieruit kan voorvloeien dat pensioenfondsen serieuzer omgaan met risicomanagement, volgens PGGM.
Kunnen we te ver gaan in zekerheid?
”Nederland heeft vaak de neiging om roomser dan de paus te zijn”, volgens Kortleve. Hij gaf aan dat PGGM bang is voor het eventuele overdrijven van de reglementen en de daarin gestelde standaarden. Uit het Global Financial Stability rapport van het IMF blijkt dat Nederland nog steeds een van de best gefinancierde pensioensystemen in de wereld heeft. Met dit rapport op de achtergrond gaf Kortleve aan dat te strenge regelgeving kan resulteren in de afbraak van de goede elementen van het systeem.
PGGM waarschuwt voornamelijk voor de discussie die momenteel woedt over het concept ‘stapelen’. Met stapelen wordt bedoeld dat er misschien twee verschillende buffers nodig zullen zijn, een voor de solvabiliteit en een voor het indexeren. Als bijvoorbeeld beide buffers rond de 30 procent zoudenliggen zou een pensioenfonds een dekkingsgraad van 160 procent moeten hebben. De andere optie is een buffer van 30 procent waar zowel indexatie als solvabiliteit is inbegrepen.
”Als wij als pensioenfonds moeten gaan sparen voor 160/170 procent dekkingsgraad dan betekent dit, dat wij jarenlang hogere premies moeten gaan vragen en misschien wel een hele tijd maar beperkt kunnen gaan indexeren. Op korte termijn biedt dit wel heel veel zekerheid maar voor de lange termijn betekent dit het risico van uitholling van het pensioensysteem” zegt Kortleve. De uitkomst van het stapelen is dat de premie wordt verhoogd om de nodige buffers te verkrijgen en dat indexatie gedurende langere tijd slechts gedeeltelijk of helemaal niet kan worden toegepast. Daarbij komt ‘hoe groter de buffer, hoe hoger de zekerheidsgraad, volgens Swinkels.
In praktijk kan het pensioenfonds voor een groot probleem komen te staan wanneer er vanuit DNB een hogere dekkingsgraad wordt verwacht. Zoals eerder vermeld, kan de premie niet veel hoger vanwege sociale afwegingen.
”Als we terug moeten naar het bestuur, of het bestuur naar de sector, met de vraag om meer geld om aan die vereiste van DNB te kunnen voldoen, dan zal het antwoord zijn: `Ja maar dat geld is er gewoon niet in de sector`. De sector kan misschien nog een keer bij het ministerie van VWS aankloppen voor extra geld voor zorg en welzijn, maar Zalm zal met de bezuinigingsoperatie die hij moet doorvoeren waarschijnlijk geen extra geld beschikbaar stellen,” volgens Kortleve.
Daarbij komt het gegeven dat bijvoorbeeld PGGM niet zal stoppen met het opbouwen van buffers wanneer de minimale dekkingsgraad is bereikt. Als reden wordt gegeven dat ze die extra zekerheid aan de deelnemers wil bieden. Zeker als stapelen een vereiste van de DNB wordt zal PGGM moeite hebben om aan al deze eisen te voldoen en te voorkomen dat DNB op bezoek komt. Verder zegt Kortleve dat PGGM deze extra buffer zou opbouwen vanwege de angst dat er daadwerkelijke gevolgen zouden kunnen zijn voor de economie.
De politiek zal beslissen
”In feite is de pensioenwet het kader waarbinnen DNB opereert en het FTK de invulling van dit toezicht. Vooralsnog heeft het ministerie van SZW de 12 maanden termijn gesteld,” volgens Kortleve. Hij gaf aan dat de 97,5 procent zekerheid en de 130 procent dekkingsgraad die daarbij hoort politiek zijn bepaald.
Het lijkt er dus op dat politieke afwegingen de overhand hebben, ondanks de talloze bezwaren en potentiële verstrekkende gevolgen van de standaards die het FTK stelt. “Het is een afweging geweest tussen wat politici redelijk en haalbaar achten en het zorgdragen voor voldoende zekerheid zonder dat het onbetaalbaar wordt”, zegt Kortleve.
Volgens Swinkels staan de basisprincipes van de het FTK dan ook vast. Niettemin denkt hij wel dat er nog wat belangrijke details in het FTK zijn die de nodige verduidelijking verdienen.
De uiteindelijke versie van het FTK zal uiteindelijk afhangen van de mate waarin de politiek de bezwaren van pensioenfondsen en gerelateerde instanties zal laten meewegen. Dit neemt niet weg dat de instanties waarmee npn sprak het over het algemeen eens zijn met de koers van het FTK. 
Verklaring van de sponsor: Het Robeco FTK-programma Wilt u uw organisatie klaarstomen voor de vernieuwde regelgeving? Dit kan met het Robeco FTK-programma. Dit programma bestaat uit de FTK-update, de FTK-scan en de FTK-beleggingsoplossingen. FTK-update U wordt op toegankelijke wijze op de hoogte gebracht van de laatste ontwikkelingen op het gebied van regelgeving en de consequenties voor uw pensioenfonds. De FTK-update bestaat uit een workshop en toegang tot de research database van het Robeco Center of Knowledge. Robeco FTK-scan Uw portefeuille wordt getoetst aan de FTK-regelgeving. Wij houden hierbij rekening met uw indexatie-ambitie. Ook wordt rekening gehouden met de structuur van de pensioenverplichtingen. Wat levert de FTK-scan u op? - Advies over de strategische beleggingsmix
- Berekening van de benodigde solvabiliteitsbuffer voor beleggingsmixen
- Praktische informatie over vermogensbeheerproducten die aansluiten bij de nieuwe regelgeving
Robeco FTK-beleggingsoplossingen U kunt kiezen voor de volgende beleggingsoplossingen. - Inrichten optimale totaalportefeuille die door Robeco actief wordt beheerd, integraal risicomanagement op basis van de verplichtingenstructuur en ondersteuning bij de rapportageverplichtingen.
- Matching portefeuille en/of indexatie portefeuille
- Individuele beleggingsproducten. Indien u er de voorkeur aan geeft de portefeuille zelf te beheren, kunt u bij Robeco terecht voor alle denkbare aanvullende beleggingsoplossingen.
Robeco Center of Knowledge: de voorsprong van kennis Het Robeco Center of Knowledge biedt professionele informatie over beleggingstechnische onderwerpen via publicaties, de online database en via praktische trainingen en workshops. Speciaal rond het thema FTK zijn diverse publicaties online te verkrijgen. Meer weten over het Robeco FTK-programma? Neem contact op met uw accountmanager of bel naar 010 - 2242412 U kunt ons ook mailen op assetmanagement@robeco.com. www.robeco.com/institutional
Printbare versie
Related articles:
|