1 januari 2006: Een vloedgolf van veranderingen
Gepubliceerd op: 01 Juni 2005
(Zomer 2005)
Ook als de nieuwe Pensioenwet en het gerelateerde nieuwe Financiële Toetsingskader tijdelijk wordt uitgesteld zijn de veranderingen waar pensioenfondsen zich mee bezig moeten houden in 2006 enorm. Bram van den Oever doet verslag over de belangrijkste thema’s voor de voorbereiding van 1 januari 2006.
Nog iets meer dan zes maanden te gaan en dan zal Nederland overspoeld worden door een ongekende vloedgolf van pensioenveranderingen. Pensioenfondsen krijgen niet alleen te maken met de invoering van het nieuwe Financiële Toetsingskader (FTK) maar ook met de hervorming van VUT, Prepensioen en Levensloop (VPL) – bepaald geen kleine wijzigingen. Bovendien zal de ganse pensioenwet voor het eerst in meer dan 50 jaar volledig worden vervangen.
Het is nog niet zeker of al deze veranderingen worden doorgevoerd op 1 januari 2006. Het FTK is voor verzekeraars uitgesteld en voor pensioenfondsen staat deze datum ook in toenemende mate ter discussie. De invoeringsdatum van de Wet VPL hangt ten dele af van metingen die de Nederlandsche Bank (DNB) momenteel verricht om te zien hoever de voorbereidingen ter uitvoering van de nieuwe wet zijn gevorderd.
Niettemin is het ministerie ervan overtuigd dat 1 januari de datum moet zijn waarop alle hervormingen van kracht worden. Over het algemeen zijn de experts het er echter over eens dat het pensioenwezen wordt overbelast door deze opeenstapeling van ingrijpende wijzigingen.
“Volgens ons wordt 1 januari 2006 echt een D-day, omdat op die datum drie omvangrijke projecten allemaal tegelijk hun beslag krijgen: de Wet VPL, het nieuwe FTK, en de nieuwe pensioenwetgeving,” aldus Jeroen Steenvoorden, directeur van de Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen (Opf).
Door deze veranderingen komt een aantal onderwerpen in de actualiteit te staan. Ten eerste vragen de pensioenfondsen en de omringende sector zich af wat de politiek nu eigenlijk voorheeft met de pensioenfondsen. Door de voortdurend veranderende wetgeving legt de overheid steeds wisselende eisen op waartussen pensioenfondsen noodgedwongen een zig-zag koers moeten varen.
Ten tweede worden de gemoederen opgerakeld door het Interne Risico Model (IRM) zoals dat in het FTK wordt aangeprezen. DNB adviseert pensioenfondsen om toch vooral van dit model gebruik te maken. Maar in de praktijk lijkt dit alleen weggelegd voor grotere pensioenfondsen - en zelfs de grote fondsen krijgen het niet voor elkaar het model per 1 januari 2006 te implementeren.
Ten derde komt een probleem aan het licht waar ieder pensioenfonds mee worstelt: het FTK, in samenspel met de toenemende vergrijzing, leidt ertoe dat de traditionele instrumenten om buffers op te bouwen niet meer zo effectief zijn. Sommige experts denken dat op termijn alleen indexatie de vereiste buffers nog substantieel kan beïnvloeden.
Er zijn een aantal pensioenfondsen in Nederland die zelfs met de vaste rekenrente van vier procent nog een dekkingsgraad onder de 105 procent hebben. De overstap naar de marktwaardemethode kan in deze gevallen tot problemen leiden en de dekkingsgraad verder doen kelderen, omdat niet zeker is of de marktwaarderente per 1 januari 2006 boven de vier procent ligt.
Tenslotte is de interesse in langetermijnstaatsobligaties een punt van discussie. De recente toename van zowel de vraag als de verstrekking van de obligaties laat zien dat de marktwaardewaardering van het FTK een effect heeft op de vastrentende waardenmarkt.
DNB raadt irm aan
Op de ALM-conferentie van 2005 werd duidelijk dat de DNB voorstander is van het gebruik van IRM-modellen. Aan de andere kant lijkt het erop dat het IRM-model alleen voor de grote pensioenfondsen is weggelegd.
“De voornaamste reden om het IRM-model te gebruiken is dat het model het risicobewustzijn in de hele organisatie verbetert. Het model zou de rationalisatie van het risicomanagementproces verbeteren en pensioenfondsen daardoor meer inzicht geven in de risico’s die ze lopen,” aldus Maarten Gelderman, hoofd kwantitatief risicobeheer bij de DNB.
Het model zou volledig worden geïntegreerd in het pensioenfonds zodat de gehele organisatie wordt betrokken in het risicobeleid.
“Het model is niet bedoeld als speeltje voor een individuele afdeling of voor individuele managers, en is zeker niet alleen bedoeld voor de toezichthouder. Pensioenfondsen moeten het dus niet voor ons doen maar voornamelijk voor hun eigen risicobewustzijn,” vertelt Gelderman.
De DNB erkent dat er behoorlijk wat eisen aan het model vastzitten. De instelling moet bijvoorbeeld aan bepaalde reconciliatie-eisen voldoen die hier en daar wat moeilijk kunnen zijn. Daarnaast geeft men toe dat er nogal wat expertise nodig is om het model te implementeren.
Naast de problemen die de DNB zelf al aangeeft stellen pensioenfondsen zich de vraag of gebruik van het IRM-model tot lagere solvabiliteitseisen zal leiden. Als dit niet het geval is, waarom zou een pensioenfonds dan een moeilijke en langdurige dialoog met de toezichthouder aangaan?
“Een aantal Opf’s lijkt te werken aan een beter risicomanagement, maar het blijft echt de vraag of ze deze modellen leidend laten zijn bij de solvabiliteitstoets,” zegt Steenvoorden. “In feite valt de stimulans om het IRM-model te gebruiken weg zodra blijkt dat de solvabiliteitseis niet echt verlaagd wordt.”
Hij voegt hieraan toe dat het aantal Opf’s dat met het IRM-model aan de slag gaat op twee handen te tellen is. Door de hoge mate van complexiteit blijkt het model voornamelijk voor de grotere pensioenfondsen te zijn weggelegd.
“Een nadeel van het IRM-model is dat het toch allemaal wel heel complex wordt, zeker als er veel taken zijn uitbesteed. En nog een nadeel is dat je niet op een dagkoers moet gaan zitten. Het probleem uit de consultatie met de verschillende overheidsinstanties is dat het model volledig is geïntegreerd in een pensioenfonds en in je dagelijkse management. Wat je ziet is dat kleinere pensioenfondsen hiervoor niet genoeg bedrijfsmiddelen hebben,” aldus Steenvoorden.
De complexiteit van het model wordt bevestigd door de trage vorderingen die de pensioenfondsen maken met de implementatie. Zowel PGGM als het ABP hebben toegegeven hiermee niet klaar te zullen zijn voor de waarschijnlijke invoeringsdatum van het FTK, 1 januari 2006.
Het blijkt dat de dialoog met de DNB veel tijd kost. De VB gaf aan dat problemen nog niet echt naar voren zijn gekomen maar dat invoering van het IRM-model niettemin ‘veel overleg’ vergt.
Gebruik van het IRM-model is ook voor grote pensioenfondsen geen vereiste, en npn heeft begrepen dat sommige pensioenfondsen niet zeker zijn of ze wel met de DNB in dialoog willen gaan. Mogelijk zullen sommige pensioenfondsen het IRM-model echter willen invoeren omwille van de bovengenoemde interne voordelen.
Indexatie: het meest effectieve instrument
Doordat het FTK per beleggingscategorie solvabiliteitseisen stelt wordt de beleggingsmix als instrument om de buffers te beïnvloeden minder bruikbaar, aldus sommige experts. De vergrijzing en de hoge premies in voornamelijk bedrijfstakpensioenfondsen maken ook het premiebeleid minder effectief.
“Je moet het in feite zo zien; als pensioenfonds heb je drie knoppen waaraan je kunt draaien om je financiële positie te sturen: het premiebeleid, de beleggingsmix en je indexatiebeleid,” aldus Bram van Els, hoofd communicatie bij bedrijfstakpensioenfonds Metalektro.
“Wij hebben als bedrijfstakpensioenfonds niet de mogelijkheid om de aangesloten ondernemingen een extra storting in het pensioenfonds te vragen. Ook heffen we al de door sociale partners afgesproken maximale premie. Dus in feite is het premie-instrument momenteel grotendeels uitgeschakeld.” Als het premiebeleid geen uitkomst biedt kunnen pensioenfondsen buffers opbouwen door meer in aandelen te investeren zodat rendementen behaald worden. Maar het FTK maakt dit minder gemakkelijk: als pensioenfondsen meer investeren in aandelen moeten zij ook tegelijkertijd meer buffers aanhouden om het hogere risico van aandelen op te vangen. Voor een bedrijfstakpensioenfonds als Metalektro blijkt dus dat zowel het premiebeleid als de beleggingsmix minder effectief worden.
“Wat je ziet is dat indexatie overblijft als het meest effectieve instrument om de buffers op te bouwen waar het FTK om vraagt. Veel pensioenfondsen zullen daarom de indexatie de komende tijd niet volledig toekennen totdat ze de gewenste dekkingsgraad bereikt hebben,” aldus van Els.
“Dit zorgt voor een wrange paradox: om de pensioenen in de toekomst met nog meer zekerheid veilig te stellen, zoals het FTK eist, wordt de hoogte van het pensioen nu alvast aangetast. We gaan dus van minder zeker naar zeker minder.”
De situatie voor ondernemingspensioenfondsen is wellicht anders. Deze hebben vaak een sponsor die kan bijstorten, en over het algemeen hogere premiemaxima. Welk van de drie ‘beleidsknoppen’ de voorkeur verdient zal voor de ondernemingspensioenfondsen voornamelijk bepaald worden door de individuele situatie.
“Het hangt van het individuele fonds af waar de stuurkracht ligt. Zeker bij Opf’s heeft men flink aan de premieknop gedraaid, en ook is er hier en daar bijgestort. Als je een zwaar vergrijsd fonds bent dan heeft premieverhoging uiteraard weinig zin,” vertelt Jeroen Steenvoorden npn.
Niet iedereen is het eens met het drieknoppenmodel. Er zouden nog meer instrumenten zijn die sommige pensioenfondsen kunnen gebruiken om buffers op te bouwen.
“Een knop waaraan ook wel gedraaid wordt, maar die vaak wordt gemist in de beeldvorming, is aanpassing van de regeling. De omschakeling van eindloon naar middenloon heeft ook de kosten weten te drukken,” legt Steenvoorden uit. “Over het algemeen kun je wel zeggen dat indexatie een belangrijk instrument wordt in een vergrijzende samenleving. Maar de andere kant van het verhaal is dat er op een gegeven moment buffers vrijkomen,” concludeert hij.
Pensioenfondsen onder de 105 procent
In april van dit jaar maakte de DNB bekend dat er nog acht pensioenfondsen in onderdekking waren. Uit cijfers gepubliceerd door de VB blijkt dat het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Dans eind vorig jaar een vermogen had gelijk aan 100 procent van de verplichtingen.
Officieel laat dit individuele geval geen onderdekking zien. Maar per 1 januari 2006 moeten pensioenfondsen officieel de nominale marktrente gebruiken om de verplichtingen te berekenen, en het ziet er momenteel naar uit dat deze beneden de vaste rekenrente van vier procent gaat liggen. Zo maakte Watson Wyatt in Nederland in mei bekend dat de nominale marktrente onder de vier procent is gezakt.
Het lijkt dus waarschijnlijk dat de dekkingsgraden per 1 januari 2006 naar beneden gaan als de verplichtingen meer toenemen dan het rendement. Het ABP, dat al met de nominale rente rekent, liet in het eerste kwartaal van 2005 weten dat de verplichtingen meer waren gestegen dan het vermogen als gevolg van de rentedaling.
“De daling in de nominale rekenrente kan serieuze gevolgen hebben voor de verplichtingen van pensioenfondsen. Als de rekenrente met één procent daalt dan stijgen voor een gemiddeld pensioenfonds de pensioenverplichtingen met 15 à 20 procent,” vertelt Roland van Gaalen, partner bij Watson Wyatt in Nederland.
Dit voorspelt niet veel goeds, in het bijzonder voor pensioenfondsen met een dekkingsgraad die nu onder de 105 procent ligt. Voor deze fondsen wordt de overgang naar het FTK een probleem. Een kwart procent daling in de nominale rekenrente kan al funest zijn.
“Wat zo’n pensioenfonds kan doen is de premie fors verhogen, of de regeling kan aangepast worden. En je kunt natuurlijk aan je indexatie draaien. Goed rendement zou je vanzelfsprekend uit de problemen kunnen helpen... Maar als je gedwongen wordt om aandelen te verkopen vanwege de lage dekkingsgraad dan wordt het moeilijker je uit de nesten te werken,” aldus Steenvoorden.
De DNB is niet ongevoelig voor deze problematiek en geeft aan dat een verlenging van de hersteltermijn tot de mogelijkheden behoort, mocht een groot aantal pensioenfondsen met een dekkingsgraad van minder dan 105 procent te kampen krijgen door bijvoorbeeld een daling in de marktrente.
DNB voegt hieraan toe dat de ondergrens van 105 procent en de daarmee geassocieerde één jaar hersteltermijn dienen om duidelijkheid te scheppen maar dat er feitelijk en in de praktijk altijd maatwerk geleverd wordt.
“Voor fondsen met een dekkingsgraad onder de 105 procent zal het niet makkelijk zijn om een goede buffer op te bouwen. Een goede economische wind mee van beurzen en rentevoet zou erg helpen. Wanneer gekeken wordt naar de grote verbeteringen in de afgelopen twee jaar kan geconstateerd worden dat de opbouw dan ook snel kan gaan,” concludeert Borgdorff.
OBLIGATIES
De introductie van het FTK en de gerelateerde overstap naar waardering van de verplichtingen op marktwaarde betekent voor de vastrentende-waardenmarkt een waar festijn worden. Als gevolg van deze verandering, die de verplichtingen van pensioenfondsen een stuk wispelturiger maakt, verwachten experts een enorme hausse in de aankoop van langetermijnobligaties. Sommige pensioenfondsen en investeringsbanken denken dat voor het einde van het jaar meer dan 120 miljard euro van het Nederlandse vermogen in langetermijnobligaties zal worden geïnvesteerd.
Tegelijkertijd komen Europese overheidsinstanties in toenemende mate tegemoet aan de groeiende vraag naar langetermijnobligaties. Het Agentschap van het ministerie van Financiën heeft op 19 April voor het eerst in zeven jaar een 30-jarige obligatie verstrekt. De vraag naar deze uitgifte ter waarde van 5.23 miljard euro beliep maar liefst 17 miljard euro, waarbij de obligatie vier basispunten hoger werd gewaardeerd dan de Duitse 2037 uitgifte. Bijna 20 procent van de uitgifte ging naar Nederlandse investeerders, en 40 procent ging naar pensioenfondsen en vermogensbeheerders. Volgens minister van Financiën Gerrit Zalm creëerde de uitgifte een “win-win situatie voor zowel investeerders en belastingbetalers”.
Sindsdien heeft het agentschap van het Verenigd Koninkrijk (VK) een 50-jarige staatsobligatie uitgegeven ter waarde van 2.5 miljard pond (3.7 miljard euro). Ondertussen zijn de Verenigde Staten van plan om de eerste 30-jarige obligaties in vier jaar te vestrekken, de Duitse overheid is de vraag naar 50-jarige obligaties aan het bestuderen, en het VK zal zich naar verwachting nog verder begeven op het gebied van de 50-jarige staatsobligaties door in juli of september ’s werelds eerste 50-jarige inflatie-gekoppelde staatsobligaties uit te geven.
“Nederlandse investeerders willen de risico’s van hun langetermijnverplichtingen afdekken en wij verwachten dat daardoor zo’n 120 miljard euro naar zeer lang lopende investeringen zal vloeien,” vertelt Bas Iserief, hoofd fixed income bij ABN Amro Global Markets. “Maar het zou best nog meer kunnen zijn.”
Analyse van de Franse 50-jarige staatsobligatie ter waarde van zes miljard euro, die werd uitgegeven op 25 april en een rendement biedt van 4.21 procent, laat zien dat zeven procent van de 19.5 miljard euro aan geboekte orders uit de Benelux afkomstig is. En van de totale vraag naar de obligatie kwam meer dan de helft voor rekening van pensioenfondsen en vermogensbeheerders.
Maar hoewel het zeker lijkt dat een groter deel van het pensioenfondsvermogen zijn weg gaat vinden naar langetermijnobligaties, hoeft men vanwege de verwachte rentestijging niet te rekenen op grote verschuivingen. “Als fondsen nu kiezen voor hedgen lopen ze inkomsten mis als de rente omhoog gaat,” aldus Gerda Smits, woordvoerster van de VB. “Gezien de lage rentestand verwachten we eerder een geleidelijke toename.”
Printbare versie
|