Jaap Maassen
Gepubliceerd op: 01 Juni 2005
(Zomer 2005)
De EU-pensioenfondsrichtlijn moet per september door de EU-lidstaten zijn geïmplementeerd, maar hier en daar er blijven vraagtekens staan over de gevolgen van de richtlijn. Met vragen over deze kwestie stapte Bram van den Oever naar Jaap Maassen, voorzitter van de raad van bestuur van de European Federation of Retirement Provision en directeur pensioenen bij het ABP.
“Wat zijn de actuele problemen van de Europese Richtlijn die per september 2005 wordt ingevoerd?” vroeg van den Oever.
“Ten eerste kunnen er problemen zijn rond de interpretatie van wat men het ‘prudent man’ principe noemt. Dit betekent dat je het beleggingsbeleid en de implementatie van het beleggingsbeleid met een zekere voorzichtigheid moet doorvoeren. Dit gaat, voor zover het beleggingsrestricties betreft, over drie specifieke zaken. Allereerst dat je als pensioenfonds niet voor meer dan vijf procent deelneemt in de onderneming die je sponsort. Dit is voor sommige landen een probleem... België heeft bijvoorbeeld uitstel gevraagd op dit onderdeel van de richtlijn, en dat uitstel wordt inderdaad verstrekt.
Het tweede punt is dat je voor 30 procent in ‘non-matching currencies’ moet kunnen beleggen. En de derde restrictie, waar ook een aantal landen wat moeilijkheden mee hebben gehad, is het idee dat je ook slechts voor 30 procent in niet-beursgenoteerde ondernemingen kunt opereren. Met name een aantal zuidelijke landen zullen daar mogelijk problemen mee hebben.
“De laatste stand van zaken betreffende het ‘prudent man’-principe is dat er achter de schermen serieus wordt gekeken naar hoe deze problemen opgelost kunnen worden. Nederland heeft met dit punt echter weinig te maken. De algemene ‘prudent man’-regel wordt denk ik wel algemeen aanvaard, maar er zijn mogelijkheden voor lidstaten om extra restricties op te leggen via artikel 18.5.
“Een ander punt is het ‘scheme-by-scheme accounting’. Dit betreft de mate van detail waarin pensioenfondsen hun accounts moeten publiceren. Dit concept is nog niet helemaal uitgewerkt. Pensioenfondsen zoals ABP en ook andere pensioenfondsen hebben naast de basisregelingen allerlei top-up regelingen, en de vraag is nu of deze ook gepubliceerd moeten worden.
“Ten laatste is de vraag hoe landen de inhoud van het toezicht definiëren, en hoe landen de inhoud van sociale en arbeidswetgeving definiëren in de host/home country-discussie. Een belangrijk aspect hierin vormen de financieringsvereisten, die volgens sommige landen eigenlijk ook iets te maken hebben met sociale en maatschappelijke wetgeving. (N.B.: De host country bepaalt de inhoud van de social and labour legislation en de home country de inhoud van het toezicht). Als dit het geval zou zijn dan kan een pan-Europees pensioenfonds helemaal niet van de grond komen want dan heeft zo’n pensioen met allerlei verschillende toezichthouders te maken. Het lijkt erop dat deze kwestie nu is opgelost omdat men is overeengekomen dat de financieringsvereisten inderdaad door het thuisland (home country) worden vastgesteld. Dus als een Nederlands pensioenfonds naar Luxemburg verhuist dan zal Luxemburg het toezicht op zich nemen.”
Van den Oever vraagt: “Wat is de rol van de eisen van het toezicht op de keuze van pensioenfondsen om zich in een bepaald land te vestigen?”
“Er zijn een aantal landen die zich opmaken om te kijken of zij pan-Europese pensioenfondsen kunnen lokken. Voor zover ik weet zijn dat met name België, Ierland en Luxemburg. Natuurlijk zullen de toezichtseisen in het betreffende land een rol spelen. Wanneer een pensioenfonds naar een andere EU-lidstaat gaat zijn er met die verhuizing momenteel nog veel onduidelijkheden gemoeid.
Je moet het zo zien: in voetbal heb ik liever een scheidsrechter die volstrekt helder is dan één die een beetje te flexibel is. Maar tegelijkertijd moet je wel begrijpen hoe de wedstrijd werkt, het moet dus niet zo zijn dat de toezichthouder zo streng is dat de wedstrijd niet meer te spelen is.
“Nederland wordt vaak gezien als ‘te streng’ in het toezichtbeleid. Wij in Nederland hebben redelijk strenge regels neergelegd. We hebben gezegd dat pensioenfondsen een minimum dekkingsgraad van 105 procent moeten hebben, met een gemiddelde asset mix moeten er 30 procent buffers aangehouden worden, en een kostprijsdekkende premie is vereist. Voor zover ik dat nu kan overzien is dit eigenlijk veel strenger dan alle andere lidstaten in de EU. Tegelijkertijd is het wel duidelijk en transparant.
“In Engeland, bijvoorbeeld, bestaat nog steeds het idee van onvoorwaardelijke indexatie; in feite is dat zelfs verplicht in sommige gevallen. Nou, dat hebben wij in Nederland allang afgeschaft.
Ik ben heel erg benieuwd of CEIOPS een soort overlay-toezicht zal weten te organiseren zodat de verschillen tussen toezichthouders toch iets kleiner gaan worden. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat wanneer wij pan-Europese pensioenfondsen gaan organiseren, iedereen naar land x gaat omdat het toezicht daar het makkelijkst is.”
“Maken pensioenfondsen zich klaar om naar het buitenland te gaan?” vraagt van den Oever.
“Het ABP in ieder geval (nog) niet. Niettemin is het technisch heel simpel: je kan de fabriek laten staan waar hij staat maar de statutaire basis ergens anders neerzetten. Technisch gezien zou je met een paar juristen een statutaire basis kunnen inrichten.
“Ik heb zelf het idee dat we moeten oppassen om conclusies te trekken over hoe streng het toezicht in Nederland is. We kunnen dat pas echt beoordelen als het internationaal toezicht uitgekristalliseerd is. Wij weten dat deze kristallisatie in Nederland ook een jaar of drie duurde. En nu moet je je voorstellen dat je dat met 25 lidstaten doet, waarbij je de problematiek eigenlijk tot de macht 25 moet verheffen.”
“Kan Nederland als Europese pensioenlocatie functioneren?”
“Ik denk dat wij een hele goede traditie hebben. Wat natuurlijk interessant is, is bijvoorbeeld dat het Shell pensioenfonds in Nederland alle beleggingen naar zich toehaalt. Dit heeft natuurlijk te maken met de performance die de Nederlandse tak van het pensioenfonds heeft behaald. Of toezicht een overweging is geweest in dit verhaal weet ik niet.
“Voor de rest denk ik dat Nederland wel wat te bieden heeft op het gebied van ‘best practice’. Want Nederland zou natuurlijk een prima land kunnen zijn om pan-Europese pensioenfondsen te vestigen omdat Nederland het voordeel heeft dat er relatief lage kosten zijn en heel veel ervaring. Daarbij komt dat het toezicht heel transparant is wat toch ook als een voordeel gezien moet worden.
Nederland moet zich echter nog wel behoorlijk inspannen op het gebied van marketing. Pensioenfondsen die de ambitie hebben om over de grens te gaan, moeten zich hiervoor inspannen.
Bijvoorbeeld PGGM zou in theorie wel de mogelijkheid hebben om de werknemers in de gezondheidszorg in België te kunnen overnemen. Maar er is natuurlijk een hele praktische vraag: als je een focus hebt op Nederland, wat win je er dan mee om buiten Nederland je pensioenproduct te gaan aanbieden? Er moeten dan duidelijke voordelen uit performance en schaalvoordelen komen, wat dus bij Shell een van de argumenten is.
“Een pensioenfonds als het ABP is natuurlijk al behoorlijk groot. Als een buitenlands pensioenfonds van 5.000 deelnemers zich bij ons wil aansluiten, zal dat de schaalvoordelen niet echt verbeteren. Daarentegen, als bij een pensioenfonds van 10.000 deelnemers diezelfde 5.000 deelnemers zich aansluiten zijn er duidelijke schaalvoordelen. Dus de Pensioen Richtlijn is eigenlijk bedoeld om ook kleinere pensioenfondsen van ‘Europese’ schaalgrootte te laten genieten. Vervolgens blijkt dat voor de multinationale ondernemingen het beslissingsproces op internationaal niveau een stuk makkelijker is.
“In welke aspecten van het Nederlandse pensioenstelsel verwacht u, op de lange termijn, de meeste veranderingen als gevolg van de Europese richtlijn? En waarom?”
“Ik denk zelf dat wij in Nederland weinig of geen last hebben van de Europese richtlijn. In Nederland zijn heel wat dingen in de pensioenwereld verrekt goed geregeld.
Wat nog enigszins problematisch zou kunnen zijn is het Nederlandse vereiste rondom ‘information requirements’. In Nederland moet een pensioenfonds al relatief veel gedetailleerde informatie leveren. Een hele hoop landen zullen daar redelijk wat problemen mee hebben omdat je natuurlijk behoorlijk geavanceerde IT en datacollectiesystemen moet hebben om aan die eisen te voldoen. Landen kunnen bijvoorbeeld een probleem hebben met de hoeveelheid informatie die men aan de deelnemers moet verstrekken.
“Persoonlijk denk ik dat het een probleem kan zijn dat in de landen om Nederland heen een verandering van defined benefit (DB) naar defined contribution (DC) aan de gang is. Een gevolg van de Europese eenwording kan zijn dat je mogelijk een trend gaat krijgen naar DC, wat ik persoonlijk geen goede ontwikkeling zou vinden. Het recent verschenen Amerikaanse boek ‘Coming up Short’ van Munnell en Sunden geeft interessante informatie over de impact van Amerikaanse DC-regelingen (zogenaamde 401k plans) voor the poor and the less-privileged.”
“De EFRP maakte laatst bekend dat pensioenfondsen de belastingobstakels tussen EU-lidstaten verwijderd willen hebben. Waarom denkt u dat pensioenfondsen dit willen? Zijn het niet juist pensioenfondsen die een voordeel krijgen door belastingsconcurrentie?” vraagt van den Oever.
“Belastingen vormen eigenlijk een heel gevoelig onderwerp in de EU. Eigenlijk had ik het liefst een soort streamlining tussen belastingstelsels gezien. De meeste Europese landen hebben onbelaste pensioenpremies, en ook de rendementen van pensioenfondsen zijn onbelast. Daarentegen zijn de betalingen wel belast. Dit geldt ook voor de nieuwe lidstaten.
“Er zijn eigenlijk drie soorten van belastingdiscriminatie. De eerste vorm is dat de premies uitsluitend fiscaal aftrekbaar zijn als men lid wordt van een pensioenfonds van het land waarin men woont. Het Europese Hof van Justitie heeft onder andere in de Danner en Skandia-case duidelijk bepaald dat de fiscale aftrekbaarheid ook geldt als men lid wordt van een pensioenfonds dat over de grens gevestigd is. Daarnaast wordt door de EFRP samen met PricewaterhouseCoopers een onderzoek gedaan naar belastingdiscriminatie bij crossbordertransfers van (opgebouwde) pensioenrechten en de transfer van zogenaamde ‘outbound dividends’.
“Volgens de EFRP hanteren sommige lidstaten in de EU een wetgeving die in strijd is met de Europese richtlijnen en worden formele klachten daaromtrent binnenkort aangeleverd aan het Europese Hof. Hoe lang verwacht u dat de procedure om alle obstakels te boven te komen gaat duren?”
“De uitspraken van de Europese Commissie en het Europese Hof van Justitie hebben natuurlijk een zwaar gewicht, alleen duurt het allemaal behoorlijk lang voordat er een uitspraak is. En natuurlijk heeft ieder land argumenten om zijn positie te verdedigen. In conclusie lijkt met name de belastingdiscriminatie, voor zover het de niet-aftrekbaarheid van premies voor buitenlandse pensioenfondsen betreft, nu redelijk opgelost te zijn vanwege de eerder genoemde uitspraken van het ECJ in het kader van de Danner en Skandia-case.
“De procedures die wij in werking gaan zetten zodra het rapport in samenwerking met PricewaterhouseCoopers klaar is zullen niet diezelfde middag voor een oplossing zorgen. Ieder land heeft weer zijn eigen verhaal en houdt vol dat het dus niet belastingsdiscriminerend is. Er zijn wat dat betreft nog wel wat obstakels te overwinnen.”
“Ten slotte: hoe ziet u de toekomst van Europa en pensioenen?”
“In de toekomst zie ik zeker niet zoiets als een overkoepelend Europese pensioenstelsel. Ik denk dat de hoofdzaak gaat zijn het managen van diversiteit. En wel op drie niveau’s. Allereerst moeten we omgaam met het verschil tussen kapitaaldekking of omslagstelsel. Op het tweede niveau is er de keuze tussen het drie-pilarensysteem, het twee-pilarensysteem, het één-pilaarsysteem en het hybride systeem. En dan ten laatste moeten er keuzes gemaakt worden ten aanzien van DB-systemen op basis van middelloon en eindloonregelingen, en het DC-systeem.
“In de toekomst gaan die drie soorten van diversificatie Europa zeker bezighouden als het aankomt op pensioenvoorzieningen. Mijn hoop is dat we op de één of andere manier een DB-systeem overeind kunnen houden. of in ieder geval een basis op grond van DB met daarboven DC-‘top-ups’. Dat lijkt mij de beste oplossing. En daar ga ik voor.
Printbare versie
Related articles:
|