Wat gebeurt er met uw vrijstelling na een fusie?
Gepubliceerd op: 02 September 2004
|
|
Ruud Derksen, Pensioenjurist, Clifford Chance LLP Amsterdam
|
Een meerderheid van de werknemers in Nederland bouwt een aanvullend pensioen op bij een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds (Bpf). Werkgevers die op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds onder een Bpf vallen kunnen het betreffende fonds verzoeken om vrijgesteld te worden van verplichte deelname.
Vrijstelling wordt door een Bpf verleend aan de hand van het Vrijstellingenbesluit Wet Bpf 2000 (Besluit). Wat vooralsnog niet in het Besluit was geregeld en waar derhalve onduidelijkheid over bestond is of een werkgever vrijstelling behoudt na een fusie of overname. Om deze onduidelijkheid weg te nemen is het Besluit recentelijk gewijzigd en aangevuld met regels over hoe na een fusie, splitsing of doorstart van een onderneming moet worden omgegaan met bestaande vrijstellingen. In dit artikel wordt ingegaan op de consequenties van deze wijzigingen voor fusies en overnames. De wijzigingen gaan in op 1 oktober 2004.
Achtergrond
Het Besluit kent vijf vrijstellingsgronden: vier verplichte gronden waarop een Bpf vrijstelling moet verlenen en één grond waarop een Bpf vrijstelling mag verlenen, de ‘vrijwillige’ grond. De verplichte gronden hebben betrekking op de situatie waarbij de werkgever: (i) een eigen CAO heeft, (ii) tot een concern behoort met een vrijstelling, (iii) een bestaande pensioenregeling heeft of (iv) het Bpf een slechte beleggingsperformance heeft. De vrijwillige grond heeft betrekking op het verlenen van een vrijstelling in andere gevallen. Op grond van het Besluit wordt de vrijstelling aan de werkgever verleend. Hierdoor vervalt de vrijstelling zodra de werkgever ophoudt te bestaan. Echter met betrekking tot de bedrijfsfusie is hierover in de jurisprudentie wel eens anders bepaald om een onwenselijk resultaat te vermijden.
Wijzigingen
De wijzigingen in het Besluit per 1 oktober van dit jaar hebben voor een aandelenfusie geen gevolgen. Bij een aandelenfusie wijzigt immers alleen de zeggenschap over de onderneming en niet de werkgever-werknemer verhouding. Voor de andere twee vormen van fusie: de bedrijfsfusie en juridische fusie hebben de wijzigingen wel gevolgen. Bij een bedrijfsfusie is de opvolgende werkgever niet de rechtsopvolger onder algemene titel van de oude werkgever (wat wel het geval is bij een juridische fusie). Hierdoor gaat in geval van een bedrijfsfusie de vrijstelling niet van rechtswege over. De vrijstelling valt ook niet onder de rechten en verplichtingen die uit hoofde van de arbeidsovereenkomst bij een bedrijfsfusie van rechtswege overgaan.
Uitgangspunt van het Besluit blijft dat indien de pensioenregeling wordt beëindigd ook de vrijstelling vervalt. Het gewijzigde besluit biedt evenwel aan een opvolgende werkgever de mogelijkheid om na een fusie de vrijstelling voort te zetten met de mogelijkheid van uitbreiding naar andere werknemers. Het Besluit heeft alleen betrekking op verplicht verleende vrijstellingen waardoor de opvolgende werkgevergeen verzoek tot voortzetting van de vrijwillige vrijstelling kan doen.
In het kader van fusie voorziet het Besluit in de volgende drie scenario’s:
• Een fusie van werkgevers met vrijstelling van een zelfde Bpf. In deze situatie gaat de aan de oude werkgever verleende vrijstelling over op de opvolgende werkgever. De opvolgende werkgever kan aan het Bpf meedelen dat de bestaande pensioenregeling tevens wordt voortgezet voor toekomstige werknemers.
• Een fusie van werkgevers met en zonder vrijstelling van een zelfde Bpf. In deze situatie vervalt de vrijstelling na de fusie tenzij ten minste 50% van de werknemers bij de opvolgende werkgever afkomstig is van een vrijgestelde werkgever. Hier heeft de opvolgende werkgever de keuze om te verzoeken de vrijstelling uit te breiden tot alle huidige en toekomstige werknemers of de vrijstelling alleen te handhaven voor de reeds vrijgestelde werknemers. Bij een dergelijke uitbreiding van de vrijstelling kan het Bpf financiële voorwaarden stellen aan de opvolgende werkgever.
• Een fusie van werkgevers met en zonder vrijstelling van verschillende Bpf-en. Indien de opvolgende werkgever onder dezelfde verplichtstelling komt te vallen als de oude werkgever met een vrijstelling wordt op verzoek van een opvolgende werkgever de vrijstelling uitgebreid tot alle huidige en toekomstige werknemers. Indien na de fusie verschillende verplichtstellingen van toepassing blijven wordt op verzoek van de opvolgende werkgever de vrijstelling alleen gehandhaafd voor huidige en toekomstige werknemers die voor de fusie reeds waren vrijgesteld van dezelfde verplichtstelling.
Conclusie
De wijzigingen in het Besluit leiden tot meer duidelijkheid over de gevolgen van een fusie voor een bestaande vrijstelling. Uitgangspunt is nog steeds dat bij beëindiging van de pensioenregeling de vrijstelling vervalt. Echter ingevolge het gewijzigde Besluit wordt het ingeval van een fusie mogelijk om de aan de oude werkgever verleende vrijstelling in bepaalde gevallen geheel of gedeeltelijk voort te zetten en mogelijk uit te breiden.
Printbare versie
Related articles:
|