Vragenuurtje Sociale Zaken
Gepubliceerd op: 01 September 2005
(Herfst 2005)
npn: Denkt de overheid korte termijn zekerheid en lange termijn betaalbaarheid van het pensioensysteem op een verstandige wijze en zonder verstorende elementen met elkaar te combineren?
SZW: De woorden ‘korte termijn zekerheid’ zijn niet correct. De discussie over het FTK pensioenfondsen met de Tweede Kamer, de sociale partners en De Nederlandsche Bank heeft juist geleid tot afspraken waarbij een evenwicht is gevonden tussen zekerheid en betaalbaarheid, beide op de lange termijn.
De essentie van dat toezichtskader is dat men niet van twee walletjes kan eten door lage premies te stellen en veel te beloven. De mate van het toezicht hangt af van hetgeen is toegezegd.
In het toezichtskader is onderscheid gemaakt tussen de onvoorwaardelijke aanspraken en de voorwaardelijke aanspraken.
Ten aanzien van de onvoorwaardelijke aanspraken moet met een zekerheid van 97,5 procent worden voorkomen dat een fonds binnen één jaar in een situatie van onderdekking – dat wil zeggen een dekkingsgraad onder de 100 procent - terecht zou komen. Dat betekent een dekkingsgraad voor een standaardpensioenfonds van 130 procent. Komt een fonds onder die dekkingsraad van 130 procent, dan dient het fonds een herstelplan aan de toezichthouder ter beoordeling voor te leggen. Het fonds krijgt in beginsel maximaal 15 jaar de tijd om weer aan de vereisten te voldoen.
Over de voorwaardelijke aanspraken moet het fonds helder zijn. Er moet consistentie zijn tussen gewekte verwachtingen, financiering en het feitelijk toekennen van die voorwaardelijke aanspraken. Het FTK bevat daartoe heldere afspraken, met vrij gedetailleerde voorschriften over de communicatie.
Daarnaast bevat het FTK afspraken om met gedempte premies te werken. Voorts bevat het FTK de mogelijkheid om maatwerk toe te passen.
De minister is dan ook van mening – de minister heeft dat ook aangegeven in zijn brief aan de Tweede Kamer van 25 juni jl. – dat de voorzieningen in het FTK een goed evenwicht zijn tussen zekerheid en betaalbaarheid.
Het nieuwe FTK heeft de sociale partners gestimuleerd om heldere afspraken te maken over het pensioencontract. De inhoud van dat pensioencontract is en blijft de verantwoordelijkheid van sociale partners. Sociale partners hebben de afgelopen tijd op de verslechterende dekkingsgraad gereageerd met stelselwijzigingen, door de overstap van een eindloonstelsel met de facto onvoorwaardelijke indexatie naar een middelloonstelsel met voorwaardelijke indexatie. Ook dat heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de betaalbaarheid en de zekerheid van het stelsel.
npn: Hoeven pensioenfondsen geen haast te maken met het vinden van een oplossing voor het FTK?
SZW: Dat hangt ervan af hoe groot bij een individueel fonds het verschil is tussen de vereiste en de aanwezige dekkingsgraad. In de brief aan de Tweede Kamer van 17 mei jl. is de minister daarop ingegaan. Wel is het vaak zo dat de mogelijkheden tot herstel van de vereiste vermogens via premieverhoging beperkt zijn. Daarnaast moet een dergelijk herstelplan ook een gestaag herstel laten zien. Het is dus zaak daarmee op tijd te beginnen.
npn: Is de enige echte oplossing voor het FTK een Defined Contribution regeling?
SZW: Dat hoeft niet. Bij veel pensioenregelingen komt het wel voor dat de werkgever de kans op eventuele bijstortingen van de werkgever als gevolg van de financiele situatie bij een fonds wenst te beperken c.q. uit te sluiten. Het gevolg van een dergelijke beperking of uitsluiting is dat het risico dan meer komt te liggen bij de actieven en de gepensioneerden. Maar ook hiervoor geldt dat de inhoud van het pensioencontract de verantwoordelijkheid is van sociale partners.
npn: Zullen pensioenfondsen steeds minder in zakelijke waarden gaan beleggen?
SZW: Dat hoeft niet. Voor een fonds dat over voldoende dekkingsraad Vragenuurtje Sociale Zaken beschikt is er geen noodzaak minder in zakelijke waarden te beleggen. Voor een standaardpensioenfonds (waarbij wordt uitgegaan van een belegging van 50 procent in zakelijke waarden en van 50 procent in vastrentende waarden) en dat te maken heeft met een dekkingsgraad minder dan 130 procent is er een hersteltermijn van maximaal 15 jaar om weer te kunnen voldoen aan die eis van een dekkingsgraad van 130 procent.
Probleem is hoe moet worden omgegaan met zakelijke waarden met een grote groeipotentie. Als die groeipotentie ook door de beurs wordt erkend, is die groeipotentie verwerkt in de prijs. Bij waardering op marktwaarde is er dan geen probleem. Er is een probleem als een fonds vindt dat bepaalde aandelen een grote groeipotentie hebben maar de beurs beoordeelt het anders.
Dan zal het fonds de toezichthouder toch van die groeipotentie van die aandelen moeten overtuigen.
npn: In zijn brief van 24 juni 2005 heeft de minister duidelijkheid gegeven over enkele onderwerpen rond de VPL-wetgeving. Hij schrijft daarin onder andere dat de voortzetting van de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid gebaseerd moet zijn op het laatst verdiende salaris. Onder laatst verdiende salaris verstaat hij niet het laatste met werken verdiende salaris, maar het salaris in het tweede ziektejaar. Als dit 70 procent is van het met werken verdiende salaris, dan mag de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid niet op het oude salaris, maar nog slechts op 70 procent daarvan worden voortgezet. Wat vindt u van deze verslechtering van de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid, mede in het licht van het feit dat een arbeidsongeschiktheidsverzekering (inclusief voortzetting van de pensioenopbouw) bedoeld is om het verlies van het met werken verdiende salaris in redelijke mate te dekken?
SZW: Op grond van de fiscale wetgeving (Witteveenkader) moet de pensioenopbouw tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid gemaximeerd worden op het niveau van de laatste loondoorbetaling. Aangezien het niveau van de loondoorbetaling op grond van afspraken die het kabinet met sociale partners heeft gemaakt in het tweede ziektejaar vaak lager zal zijn dan het laatste met werken verdiende salaris, zal ook de pensioenopbouw tot dit niveau moeten worden verlaagd om de fiscale ondersteuning daarvan te behouden.
Het kabinet acht het goed verdedigbaar om de maximaal fiscaal gefacilieerde pensioenopbouw te blijven koppelen aan het niveau van de laatste loondoorbetaling. Ook in andere omstandigheden is de maximaal fiscaal gefacilieerde pensioenopbouw immers gebaseerd op het inkomen dat op dat moment feitelijk ontvangen wordt. Binnen het afgesproken niveau van loondoorbetaling van in totaal 170 procent van het laatstverdiende loon voor de eerste twee ziektejaren kan het niveau van de loondoorbetaling in het tweede ziektejaar bovendien door sociale partners zelf worden bepaald. Daarmee kunnen zij dus ook het niveau van de maximaal fiscaal gefacilieerde pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid beïnvloeden. Daarnaast wil het kabinet sociale partners stimuleren om na te denken over eventuele versoberingen van pensioenopbouw tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid. Dit enerzijds met het oog op financiële positie van veel pensioenfondsen en anderzijds met het oog op eventuele reïntegratiebelemmeringen die het gevolg kunnen zijn van pensioenopbouw op basis van een hoger loon dan op dat moment feitelijk wordt doorbetaald.
npn: Om de AOW in de toekomst betaalbaar te houden, passeren allerlei denkbeelden de revue. Wat vindt u van het voorstel om de AOW inkomensafhankelijk te maken en alleen nog uit te keren aan de ouderen die dat nodig hebben?
SZW: Het kabinet heeft - naar aanleiding van de kabinetsnotitie “ouderenbeleid in het perspectief van vergrijzing” - de Tweede Kamer schriftelijk medegedeeld, dat de discussie over de toekomstbestendigheid van de AOW maatschappelijk verder gevoerd moet worden met het oog voor zowel de effectiviteit van het beleid als voor het maatschappelijk draagvlak. Het kabinet zal op dit terrein gedurende de lopende regeerperiode geen nieuwe initiatieven ondernemen.
Vragen aan de toezichthouder DNB npn: DNB is toezichthouder op o.a. de pensioenverzekeraars. Wat is het standpunt van DNB in deze hoedanigheid over de haalbaarheid van de datum van 1 januari 2006 waarop alle op 31 december 2004 bestaande pensioenregelingen moeten zijn aangepast aan de VPL-wetgeving? DNB: Zoals aangegeven in het kabinetsbesluit d.d. 9 september 2005, is DNB tot de conclusie gekomen dat er tegen het kabinetsvoornemen geen onoverkomelijke bezwaren zijn.
npn: De kosten van het toezicht op pensioenfondsen worden door de pensioenfondsen zelf betaald. Welke maatregelen heeft DNB genomen om de groei van het toezicht op pensioenfondsen en daarmee de kosten voor de onder toezicht staande pensioenfondsen te beheersen?
DNB: DNB doet haar best om goed én efficiënt toezicht uit te voeren. Daartoe heeft zij bijvoorbeeld in het kader van de fusie van DNB met de PVK in 2004 een efficiency slag doorgevoerd. Door een forse reorganisatie is de combinatie DNB/PVK in aantal fte teruggegaan van 1.946 fte in 2004 naar 1.775 fte in 2005, met als doel efficiënter en effectiever te werken in een nieuwe structuur. Daarbij heeft binnen Toezicht ook een reorganisatie plaatsgevonden met als doel effectiever en efficiënter te kunnen opereren. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het organiseren van medewerkers die zich bezighouden met activiteiten voor meerdere toezichtdoelgroepen in een zevental expertisecentra. Deze gecentraliseerde opzet komt de functionele expertise, de efficiëntie en de effectiviteit van de taakuitvoering ten goede.
Verder wordt ieder jaar met de minister van Financiën een kader afgesproken voor de begroting voor het toezicht op pensioenfondsen. Dit kader stijgt - behoudens uitzonderingen- jaarlijks alleen met de inflatie. DNB moet qua kostenniveau binnen dit kader blijven.
npn: De laatste jaren worden steeds meer eisen gesteld aan de deskundigheid van de bestuurders van pensioenfondsen. In dat kader wordt ervoor gepleit om een deel van de zittende bestuurders gaandeweg te vervangen door professionele bestuurders die geen band meer hebben met de onderneming of bedrijfstak maar louter om hun deskundigheid als bestuurder van een pensioenfonds worden benoemd. Wat vindt DNB van deze ontwikkeling?
DNB: De toezichthouder is vanzelfsprekend ingenomen met een eventuele verdere toename van de deskundigheid van bestuurders van pensioenfondsen. Daarbij kan worden verwezen naar art. 5 lid 2 van de PSW, waarin eisen worden gesteld aan de deskundigheid van de beleidsbepalers. Deze eisen worden verder uitgewerkt in de ‘Beleidsregels beleidsbepaling en toetsing pensioenfondsen’. De benoeming tot bestuurder van een pensioenfonds sluit echter een band met de onderneming niet uit. Bestuurders worden benoemd door de werkgever, de deelnemers en/of de gewezen deelnemers en hebben dus per definitie een band met deze groeperingen binnen onderneming of bedrijfstak. Zij zullen de belangen van de groeperingen die zij vertegenwoordigen zo goed en evenwichtig als mogelijk moeten dienen. Want, het gaat DNB om een goede uitvoering van pensioenregelingen waarbij de belangen van alle betrokkenen zo goed mogelijk gediend moeten worden. Dit vraagt om goede checks and balances binnen een pensioenfonds en om goede bestuurders. Door ontwikkelingen in de pensioenmarkt worden de eisen te stellen aan beide genoemde elementen hoger. Werkgevers, werknemers en pensioentrekkenden verlangen dat. Uiteraard speelt de toezichthouder hier ook een rol. Voor beide elementen geldt dat DNB niet alleen naar individuen of afzonderlijke organen kijkt, maar ook de collectiviteit in ogenschouw neemt. DNB zal langs deze lijnen elk voorstel van een pensioenfonds bezien.
Printbare versie
Related articles:
|