Britse Myners-principes worden slechts matig ingevoerd
Gepubliceerd op: 02 September 2004
In 2001 gaf de Britse overheid Paul Myners, toenmalig voorzitter van investeringsfirma Gartmore, opdracht om de pension fund governance structuren van het Verenigd Koninkrijk te bestuderen en aanbevelingen te doen. Drie jaar na zijn rapport heeft het Department for Work and Pensions een onderzoek gedaan onder pensioenfondsen om in kaart te brengen in hoeverre Myners’ principes in praktijk zijn gebracht. Liam Kennedy neemt de resultaten van dit onderzoek onder de loep.
Uit het tweede deel van een bespreking van de uitvoering van de principes in het UK Myners Rapport voor beter pensioenfondsbeheer blijkt dat de voortgang is bewerkstelligd door consultants en dat bijna de helft van de beheerders die onderzocht zijn voor het rapport geloofden dat de toepassing ervan geen voordeel had opgeleverd voor hun fonds.
Desondanks kwam het rapport van het UK Department for Work and Pensions, Myners, Principles and Occupational Pension Schemes: Findings from Quantitative Research, tot de bevinding dat 83% van de fondsbeheerders geloofden dat ze de aanbevelingen geheel of grotendeels naleefden – zelfs ofschoon dit in veel gevallen niet gebeurt. Het rapport liet zich leiden door een kwalitatieve beoordeling van vorig jaar november.
Uit het laatste rapport, dat gebaseerd was op een gewogen onderzoek van meer dan 1000 pensioenfondsen, bleek dat ongeveer 70% van de onderzochte fondsen zeiden dat het voor hen weinig nut had de beginselen in praktijk te brengen omdat deze al werden opgevolgd. Nader onderzoek onthulde echter dat men in feite in iets minder dan de helft van de gevallen actie had ondernomen.
Uit het juli rapport bleek dat 49% van de ondervraagden geen voordelen had gezien voor hun plan door het naleven van de principes en 19% wist niet of er enig voordeel was geweest. Slechts 10% zag een duidelijk voordeel, hoewel 53% van de zeer grote fondsen op een duidelijk of een aanvankelijk gunstig resultaat kon wijzen.
Details van het rapport gaven ook de volgende bevindingen
• Actie met betrekking tot activa-allocatie bleef meestal beperkt tot marktgeleide beslissingen in plaats volgens de principes zoals voorgesteld in Myners’ oorspronkelijke rapport van 2001.
• In ongeveer 42% van de programma’s werd schriftelijk vastgelegde actie ondernomen met betrekking tot externe managerscontracten, hoewel in minder dan één vijfde gespecificeerd stond dat de contracten niet wegens onvoldoende resultaten binnen een vastgestelde beoordelingsperiode zouden worden beëindigd, zoals door Myners was aanbevolen.
• Bij slechts 17% van de bestudeerde programma’s werd een investerings-subcommissie ingesteld hoewel de betrokken plannen 55% van alle deelnemende beroepsfondsen uitmaken. Een derde van de grote fondsen (meer dan 1,000 deelnemers) en bijna twee derde van de zeer grote fondsen (meer dan 5,000 deelnemers) had er een ingesteld.
• In 77% van de gevallen waren, tegen de aanbeveling in, de activa-allocatieadviseurs en de beleggingsmanagers niet aangesteld op basis van afzonderlijke contracten.
• Een totaal van acht investeringsconsultants, waaronder Mercer, Hewitt Bacon and Woodrow en Watson Wyatt leverde diensten aan 53% van alle fondsen.
• Twee derde van de fondsen moet nog specifieke, concrete actie ondernemen om de transactiekosten te verlagen. Ongeveer 57% heeft nog geen actie ondernomen met betrekking tot het toezicht op de prestaties van de investeringsmanagers, en nog eens 66% had dit nog niet gedaan voor investeringsconsultants.
• Slechts 15% had vooruitgang geboekt op het terrein van aandeelhouderparticipatie, een gebied dat als relatief onbelangrijk beschouwd werd voor effectieve besluitvorming over investeringen en grotendeels beperkt was tot de grootste fondsen.
• Slechts 37% investeert in aparte activagroepen, de resterende 63% maakt gebruik van gezamenlijke fondsen. Men moet wel bedenken dat die 37% bijna 66% vormt van alle deelnemende fondsen.
• Hoewel 28% van de fondsen privé-aandelen als activa categorie had overwogen had maar een heel klein gedeelte daadwerkelijk een dergelijke investering gedaan.
John Shuttleworth, een actuaris bij PwC, zei tegen npn: “De conclusies van het DWP rapport waren vrij voorspelbaar en niemand is dan ook echt verbaasd over het beeld dat geschetst wordt. Veranderingen gaan nu eenmaal langzaam en het lijkt erop dat de beheerders ze niet willen zien. De beheerders zijn echter wel veel meer bereid om zaken te bespreken dan vroeger en hoewel het rapport aantoont dat de beheerders maar zelden de aanstelling van hun consultants herzien zou ik toch willen stellen dat ze dit proberen te doen – het probleem is dat ze niet goed weten hoe ze zoiets moeten aanpakken.”
Watson Wyatt bekritiseerde het feit dat de interviews een jaar geleden plaatsvonden, en is van mening dat het nalevingstempo snel is toegenomen. De firma is het vooral oneens met de conclusie dat de activa-allocatie de vorm heeft aangenomen van een voorspelbare reactie op een veranderende markt. Nick Watts, hoofd van European investment consulting bij de firma, zei: “Dit was misschien waar was met betrekking tot de pensioenfondsenmarkt in de zomer van 2003. Nochtans is er in het afgelopen jaar een belangrijke verandering opgetreden in de frequentie van besprekingen van investeringsstrategieën, die nu risicobegrotingstechnieken omvatten om gevestigde processen aan te vullen.”
“Het belangrijkste is dat men zich niet moet verliezen in de details van de beoordeling,” zegt Andrew Slater, directeur van Institutional Strategy bij SEI. “Ten eerste zijn de Myners beginselen, hoewel met goede bedoelingen ontworpen, niet de alfa en omega met betrekking tot de manier waarop pensioenfondsen worden beheerd. En ten tweede is het overnemen van de Myners beginselen momenteel niet de meest dringende zorg waar het pensioenen betreft. Een volledig naleven van de Myners principes zal de pensioenscrisis niet oplossen.
De schrijvers van het rapport bespeurden meer dan 11.000 fondsen die waarschijnlijk een investeringsbelissing zouden maken, waarvan er 6.699 onder de beginselen van het Myners rapport zouden vallen, na te zijn beoordeeld op omvang, hun publieke of private status, lidmaatschapstatus (hetzij open of gesloten) en uitkeringstype (loongerelateerde pensioenregeling, beschikbare premieregeling of een kruising daarvan). Van deze groep werd ongeveer 24% (of 1.580) tussen juli en september 2003 geïnterviewd.
Een woordvoerster voor het Department for Work and Pensions in Londen zei dat er voor de herfst een gezamenlijke reactie gepland is van het department en het Ministerie van Financiën.
Het rapport, The Myners Principles and Occupational Pension Schemes, Volume 2 of 2, Findings from Quantitative Research is verkrijgbaar op: www.dwp.gov.uk/asd/asd5.
De originele Myners beginselen van maart 2001:
• Besluiten dienen te worden genomen door de personen met de benodigde bekwaamheid, informatie en hulpmiddelen.
• Beheerders dienen hun investerings-benchmark specifiek per fonds vast te stellen, in plaats van doelen te stellen ten opzichte van andere fondsen.
• Activa-allocatie beslissingen dienen hun mogelijke bijdrage tot het specifieke doeleinde van het plan te weerspiegelen.
• Alle activa-categorieën dienen door besluitvormers als investeringsmogelijkheid te worden overwogen.
• De fondsen zullen bereid moeten zijn voldoende vergoeding te betalen aan actuariële- en investeringsconsultants om zich ervan te verzekeren dat advies van de juiste kwaliteit ingewonnen wordt.
• De beheerders dienen aan de investeringsmanagers een uitdrukkelijk schriftelijk mandaat te geven waarin een investerings-benchmark en een tijdschaal voor controle en evaluatie worden aangegeven.
• De fondsen dienen in samenwerking met hun investeringsmanagers te overwegen of men de juiste indexatiecriteria gekozen heeft. Als men voor actief management kiest, dient men doelen en risicocontroles vast te stellen die de kans op hogere rendementen weerspiegelen en dus mogelijkheid bieden tot echt actief management.
• Beheerders dienen de fondsprestaties en de effectiviteit van hun eigen beslissingen te laten meten en de prestaties en besluitvorming die gedelegeerd zijn aan managers en adviseurs formeel te laten beoordelen.
• Bij vastgestelde bijdragenregelingen (DC-regelingen) dienen investeringsdoelen, verwachte rendementen, risico’s en andere relevante informatie in aanmerking genomen te worden bij het selecteren van fondsen die als optie aan de deelnemers van het plan worden aangeboden.
• DC-regelingen dienen eveneens te garanderen dat er een doel wordt bepaald, met inbegrip van de te verwachten risico’s en rendementen, voor standaard optiefondsen als deze worden aangeboden.
Bron: Institutional Investment in the United Kingdom, A Review. Paul Myners, Maart 2001.
Printbare versie
Related articles:
|