IFRS: Pensioenfondsen onder schot, of buiten schot?
Gepubliceerd op: 01 December 2005
(Winter 2005)
De nieuwe internationale accountingstandaard heeft alleen betrekking op ondernemingen en laat pensioenfondsen dus officieel buiten schot. Maar indirect komen fondsen wel degelijk onder schot te liggen. Bram van den Oever neemt de IFRS-paradox in het vizier.
In een daverende speech in september vertelde Claude Bebear, hoofd van AXA’s toezichthoudende raad: “IFRS is het meest belachelijke accountingsysteem waar ik ooit van gehoord heb.” Maar daarmee kan de Nederlandse pensioenwereld IFRS nog niet afdoen als ‘onbelangrijk’. Volgens Tom Steenkamp, professor aan de Vrije Universiteit, heeft IFRS voor pensioenfondsen zelfs veel ingrijpender gevolgen dan het nieuwe Financiële toetsingskader (FTK).
De International Financial Reporting Standards (IFRS) hebben in grote lijnen de opzet om de werkelijke risico’s van ondernemingen in kaart te brengen, onder meer om de transparantie te bevorderen. Eén van de eisen die het nieuwe kader stelt is dat ondernemingen hun pensioentoezeggingen op de jaarrekening verantwoorden. De standaard richt zich hierbij uitdrukkelijk op ondernemingen: pensioenfondsen blijven dus in eerste instantie buiten schot. Bovendien heeft Minister Zalm duidelijk gemaakt dat pensioenfondsen niet aan de nieuwe accountingstandaard hoeven te voldoen. Maar als de nieuwe standaard alleen gevolgen heeft voor ondernemingen, vanwaar dan de verhitte discussie rond IFRS en pensioenfondsen?
“Pensioenfondsen ondervinden inderdaad geen directe gevolgen van IFRS. De fondsen hoeven zelf niet aan de eisen te voldoen. En hoewel het IFRS-stelsel de kosten van de pensioenverplichtingen voor het eerst op de ondernemingsbalans zet, is dit blijkens meerdere onderzoeken voor ondernemingen niet de grootste wijziging die de IFRS-regels met zich meebrengen. Als we spreken over de gevolgen van IFRS hebben pensioenverplichtingen weliswaar een impact, maar ze staan niet bovenaan de lijst. Het gaat erom dat ondernemingen een duidelijker, fairder en acurater beeld laten zien van de rechten en verplichtingen, en pensioenen zijn hiervan slechts een onderdeel,” aldus Maarten van Ginkel, partner bij PriceWaterhouseCoopers (PwC).
Ondanks het feit dat pensioenen niet de enige factor van betekenis vormen waarmee ondernemingen door de IFRS-regels worden geconfronteerd, heeft het toch grote gevolgen voor ondernemingen om de pensioentoezeggingen in de balans op te nemen. Indirect heeft dat wel degelijk consequenties voor de pensioenfondsen.
De paradox nader bekeken
IFRS heeft geen directe impact op pensioenfondsen, maar zal volgens deskundigen zoals Steenkamp toch grotere gevolgen gaan hebben dan het FTK. Het lijkt een paradox. Om de invloed van de IFRS in kaart te brengen moet men eerst kijken naar wat het accountingstelsel precies behelst. Het IFRS-stelsel omvat ruim 40 standaarden waarvan er één direct betrekking heeft op de pensioenfondsen.
De IFRS-standaard die voor pensioenfondsen het meest van belang is staat te boek als ‘IAS 19’. Volgens deze richtlijn moeten pensioenverplichtingen worden verwerkt en toegelicht in de jaarrekening van de onderneming. Deze verplichting geldt overigens zowel voor beursgenoteerde als niet-beursgenoteerde bedrijven.
Van Ginkel legt uit: “IAS 19 geldt voor alle regelingen naar het personeel toe (employee benefits) en betreft daarmee niet alleen pensioentoezeggingen, maar bijvoorbeeld ook ziektekostenpremies voor gepensioneerden en jubileumuitkeringen. Het is dus breder dan alleen pensioenen.” Hoewel IAS 19 zich richt op meer dan pensioen alleen, zijn de pensioenverplichtingen hier wel het belangrijkste onderwerp. Experts zijn het erover eens dat de IAS 19-standaard zonder meer de meeste indirecte gevolgen heeft voor pensioenfondsen.
Juist rondom IAS 19 blijken nogal wat onduidelijkheden te bestaan. Om één en ander op te helderen vertelt van Ginkel: “Laat het duidelijk zijn dat het pensioenfonds zelf niet op de balans van een onderneming thuishoort. In Nederland heb je juist het onderscheid tussen de onderneming en het pensioenfonds of de verzekeraar. Deze zijn en blijven wettelijk gescheiden.”
Volgens van Ginkel onstaat op dit punt vaak verwarring. In IFRS-verband dienen sponsor-onderneming en pensioenuitvoerder goed van elkaar te worden onderscheiden. De onderneming neemt de pensioenverplichtingen op zich en moet deze verantwoorden. De onderneming doet immers bepaalde pensioentoezeggingen, en het zijn deze toezeggingen die op de balans moeten worden weergegeven. De pensioenuitvoerder (dit kan zowel een pensioenfonds zijn als een verzekeraar) verzorgt het beheer en de uitvoering van de pensioenregeling. In die hoedanigheid int het pensioenfonds de premies, belegt het fonds het pensioenfondsvermogen en verzorgt het de uitkeringen. De uitvoerende instantie doet zelf geen toezeggingen en het fonds hoeft in het kader van IAS 19 dan ook geen verantwoording af te leggen.
“Aan het eind van elk jaar wordt een berekening gemaakt waarin de verplichtingen, de beleggingen en de betaalde premies worden meegenomen. De onderneming moet dan bekijken wat ze eigenlijk heeft toegezegd, hoeveel ze betaald heeft en wat het resulterende verschil is. Als er een overschot of tekort naar voren komt dan zal de onderneming dit in de balans moeten opnemen. Het is per slot van rekening de onderneming die de toezegging heeft gedaan en die dus ook de risico’s van de pensioenregeling als zodanig draagt,” aldus van Ginkel.
Zo op het oog een eenvoudige zaak. Maar voor sommige ondernemingen is het feit dat de pensioenverplichtingen en het pensioenvermogen op de balans komen een probleem (zie figuur 1, p. 31). Het kan bijvoorbeeld zijn dat het pensioenfondsvermogen vele malen
groter is dan het vermogen van het bedrijf zelf, waarbij mutaties in het pensioenvermogen stevig doorwerken in de cijfers van de onderneming. Zo ziet men dat Arcadis in 2004 wereldwijd een netto operationele winst van 22.7 miljoen euro heeft behaald terwijl alleen al het pensioenfonds in Nederland een totaal vermogen heeft van 596 miljoen euro.
“IFRS heeft als voordeel dat inzichtelijk wordt gemaakt wat de risico’s van het pensioenfonds zijn voor de onderneming. Dit was daarvoor niet bekend. Anderzijds geldt voor veel ondernemingen dat nu reservetekorten van het pensioenfonds tot uitdrukking komen op de balans van de onderneming. In veel gevallen is het pensioenfonds de grootste business unit van het bedrijf. Veel ondernemingen zullen daar dan ook niet blij mee zijn,” aldus Armin Becker, directeur bij het Arcadis pensioenfonds.
In het IFRS-kader wordt niet alleen duidelijk wat de onderneming aan premies betaalt maar ook de toezeggingen en de bijbehorende risico’s moeten op de balans. Als de tekorten oplopen betekent dit vanzelfsprekend dat de onderneming in de problemen kan komen.
Bovendien blijkt de vereiste verantwoording van de pensioentoezeggingen niet zo eenvoudig te liggen als op het eerste gezicht lijkt.
Roland van Gaalen, vennoot en hoofd onderzoek van Watson Wyatt Nederland, vertelt dat ‘disclosure’ – toelichting en verantwoording - de essentie is van IAS 19. “Het komt erop neer dat je op de ondernemingsbalans het saldo moet opnemen van de pensioenverplichtingen en de waarde van het afgezonderde vermogen. De verplichtingen worden ‘defined benefit obligations’ genoemd. Daartegenover staan de ‘plan assets’. Dat zijn de beleggingen van het pensioenfonds. Het saldo van die twee bedragen kan positief of negatief zijn.” Vervolgens dient één en ander echter in detail te worden toegelicht: “IAS 19 stelt nogal strenge eisen aan de toelichting in de jaarrekening. In de zogenaamde ‘disclosure’ moet allerlei informatie over de pensioenregeling zelf worden gegeven. Verder vraagt men om een specificatie van de samenstelling van de pensioenlast en het bedrag dat in de balans is opgenomen,” aldus van Gaalen.
Een probleem hierbij is dat de verplichtingen ten aanzien van actieve werknemers niet mogen worden gebaseerd op de feitelijk opgebouwde rechten op grond van de huidige pensioengrondslag. In plaats daarvan dient men de zogenaamde ‘projected unit credit’-methode te hanteren, waarmee verplichtingen worden berekend op basis van opgebouwde dienstjaren in combinatie met een ‘geprojecteerde’ pensioengrondslag, die wordt bepaald door het verwachte salaris op de datum van uittreding.
“Men dient zich dus te baseren op een verwachte salarisontwikkeling, niet voor dit jaar of volgend jaar, maar voor de lange termijn,” legt van Gaalen uit. “Vervolgens dient men bij de berekening van de verplichtingen krachtens IAS 19 een bepaalde rekenrente te hanteren, de zogenaamde ‘discount rate’. Deze parameter is erg belangrijk en moet een marktrente zijn op langlopende hoogwaardige obligaties. En dan heeft men te maken met een salarisontwikkeling die wordt geschat op basis van de prijsinflatie plus de algemene loonontwikkelingen in reële termen. Terwijl men bovendien te maken heeft met de individuele carrière van de deelnemers.” Hoewel voor alle werknemers een loonprojectie moet worden berekend hoeven de verwachte salarisontwikkelingen overigens niet voor elke individuele werknemer apart te worden toegelicht.
Al met al kan de ‘projected unit credit’-berekening de pensioentoezeggingen aardig wat lood in de schoenen schuiven. Voor een onderneming met veel actieve werknemers zullen de verplichtingen daardoor gevoelig zwaarder aantikken.
“In Amerika hebben deskundigen kritiek geuit op de eis dat een salarisprojectie in de berekeningen moet worden meegenomen. Met die kritiek ben ik het eens. De ‘projected unit credit’-methode kan wat mij betreft op de helling. De pensioenverplichtingen zouden gebaseerd moeten zijn op de verworven pensioenrechten,” vindt van Gaalen.
De IAS 19-standaard biedt ondernemingen een aantal mogelijkheden om de toegenomen ‘pensioenlast’ ten gevolge van IFRS wat te verlichten. “Er zijn wel bedragen die je als onderneming mag uitsmeren, zodat ze niet direct met het volle gewicht op de balans drukken. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de zogenaamde ‘unrecognised amounts’, die je buiten het saldo mag houden dat op de balans terecht komt. Winsten en verliezen bijvoorbeeld, dat zijn afwijkingen van de verwachtingen. Die mag je uitsmeren over de gemiddelde resterende diensttijd van de werknemers,” legt van Gaalen uit. “Maar al die unrecognised amounts moeten wel in de disclosure vermeld worden.”
Niet alle ondernemingen zijn in dezelfde mate onderhevig aan de gevolgen van de standaard. Ondernemingen die aan Europese beurzen genoteerd staan zijn sinds 1 januari 2005 onderworpen aan de IFRS-reglementen; in de jaarrekening van 2005 zullen deze bedrijven vergelijkende cijfers moeten verstrekken die teruggaan tot 1 januari 2004. Voor die ondernemingen die zich aan de standaard moeten houden zal in de jaarverslagen van 2005, die in de loop van 2006 zullen verschijnen, de impact van IAS 19 veelal terug te vinden zijn.
Indirecte gevolgen voor pensioenfondsen
Hoewel het nieuwe internationale accountingstelsel niet direct van invloed is op de pensioenfondsen ondervinden sponsor-ondernemingen de gevolgen van het nieuwe regime aan den lijve.
De IFRS-regeling verandert de ondernemingsbalans en de rol van de pensioenverplichtingen in de balansberekening. Veranderingen die– zij het indirect - zonder twijfel hun weerslag zullen hebben op de pensioenfondsen.
“De onderneming doet een pensioentoezegging. Het pensioenfonds gaat vervolgens met de verkregen middelen zelfstandig beleggen en uitkeringen verzorgen. Maar de toezegging blijft wel degelijk de verantwoordelijkheid van de onderneming,” vertelt van Ginkel.
De IAS 19-regeling brengt deze verantwoordelijkheid ongenadig scherp in beeld. Krachtens de nieuwe regeling is de pensioentoezegging – en daarmee de capaciteit om de toezegging te honoreren – immers medebepalend voor de ondernemingsbalans. Daarmee wordt een fundamentele afhankelijkheid blootgelegd: de onderneming is afhankelijk van de beslissingen die het pensioenfonds maakt ten aanzien van beleggingen en vermogensbeheer, aangezien het resultaat daarvan op de balans van de onderneming verschijnt. In combinatie met andere IAS 19-eisen, zoals de voorgeschreven marktrente die bij de waardering van de verplichtingen moet worden aangewend, zet dit sommige ondernemingen ertoe aan hun pensioenregeling te herzien.
Verzachtende regels in de IAS 19-standaard bieden wel enig soelaas, maar voor veel ondernemingen is dit niet voldoende. Zoals eerder opgemerkt kunnen ‘tegenvallers’ bijvoorbeeld in de berekeningen tot op bepaalde hoogte worden uitgesmeerd. “Dit is een belangrijk punt, en zorgt voor een zekere continuïteit tussen het oude systeem en het nieuwe IFRS-systeem. In de ‘oude’ situatie is het immers zo dat de betaalde pensioenpremie per jaar ook behoorlijke fluctuaties kan vertonen,” zegt van Ginkel. “Veel bedrijven denken niettemin dat de waarderingssystematiek van IAS 19 leidt tot volatiele, beweeglijke pensioenlasten. Denk bijvoorbeeld aan de marktrente die men voor de jaarlijkse berekening van de verplichtingen dient te gebruiken. Dit betekent dat de verplichtingen stijgen als de rente daalt. Uiteraard zijn er ook gevolgen voor de beleggingen; per saldo is er sprake van een belangrijke impact op de resultaten.”
De IAS 19-standaard kan dus voor de de onderneming wel degelijk een aanleiding zijn om de pensioenregeling tegen het licht te houden. Zo vernam npn recentelijk van een onderneming met bijbehorend pensioenfonds dat men als direct gevolg van IFRS had besloten naar een DC-regeling te gaan.
“Het is van groot belang dat de onderneming zorgvuldig naar haar personeelsbeleidsdoelstellingen blijft kijken,” aldus van Ginkel. “Maar ondernemingen kunnen inderdaad overwegen om naar een andere pensioenregeling over te stappen, zoals bijvoorbeeld een DC-regeling. Want dan is men van risico’s af waar de onderneming eigenlijk niet mee geconfronteerd wil worden.”
DC als ontsnappingsluik
Npn heeft vernomen dat meerdere ondernemingen overwegen om in navolging van bedrijven zoals Arcadis en Akzo Nobel naar een DC-regeling over te stappen. Ook werd duidelijk dat de impact die IFRS heeft op de ondernemingsbalans voor sommige ondernemingen de voornaamste reden is om een dergelijke overstap te overwegen.
Wanneer pensioenverplichtingen op de balans worden gezet in een land dat historisch gezien wordt gedomineerd door DB-regelingen gaat het vaak om grote bedragen, soms zelfs zo groot dat de onderneming erbij in het niet valt.
“Ondernemingen willen de gevolgen van IAS 19 beperken en je ziet dus dat een aantal bedrijven een nieuwe pensioenregeling hebben ontworpen die in het IAS 19-stelsel als DC-regeling kan worden gekwalificeerd,” legt van Ginkel uit.
Deze zogenaamde ‘Collectief DC-regelingen’ kunnen onderling nogal verschillend zijn. “Wat de diverse collectieve DC-systemen gemeenschappelijk hebben is dat de onderneming een specifieke premie afspreekt zoals dat ook bij een individueel DC-plan het geval is, en niet verplicht is om extra premie te betalen als de financiële situatie van een pensioenfonds zou verslechteren,” vertelt Jan Snippe, hoofd corporate pensions van Philips.
De voordelen liggen voor de hand: “Daardoor hoeft een onderneming met een collectief DC-systeem in de IFRS-rapportage alleen die afgesproken premie in haar cijfers te verantwoorden. De noodzaak om ook de dekkingspositie van het fonds in de cijfers te verwerken bestaat niet meer,” aldus Snippe.
Er zijn echter andere manieren om de volatiliteit te verminderen. Daarom wordt de argumentatie van bedrijven die in reactie op de IFRS-regels overstappen naar een collectief DC niet door alle experts klakkeloos geaccepteerd.
Zo heeft van Ginkel weliswaar begrip voor beursgenoteerde ondernemingen die een vorm van collectief DC overwegen, maar uit wel enige bedenkingen:
“Men moet zich afvragen of een overstap naar collectief DC wel altijd nodig is. Het is zeker wel mogelijk om ook op andere wijzen een beheersbaarder beeld te krijgen. Men kan bijvoorbeeld van eind- naar middelloon gaan en dan nog “remmen” in de middelloonregeling inbouwen, onder meer door een maximum te verbinden aan de premiestijging. Dit beperkt de Defined Benefit Obligation (DBO) en dus de kosten van de regeling.”
Van Ginkel onderkent dat daarmee niet alle problemen zijn opgelost: “Met bovengenoemde maatregelen kan men de kosten beperken, maar niet zozeer de volatiliteit die met name gevoed wordt door de marktrente en beleggingsresultaten. Wat men niet kan beheersen is de marktrente.”
Veel ondernemingen sluiten een DC-alternatief dan ook niet uit, zelfs als eerst naar andere oplossingen wordt gezocht.
“En dan zijn er ondernemingen die vinden dat het allemaal te riskant wordt. Die zien IFRS als een argument om de pensioenregeling flink te gaan matigen,” voegt van Gaalen toe. “Zo zijn er een aantal concerns die het liefst hun DB-regelingen helemaal willen afschaffen en volledig willen overgaan op een beschikbare premie ofwel DC-systeem. Sommige ondernemingen zeggen dat IFRS de voornaamste reden is voor een dergelijke stap, maar het is niet duidelijk of dat het hele verhaal is. Ik denk dat er meer speelt. Er komt van alles uit Amerika overwaaien. Multinationals worden vaak internationaal aangestuurd en worden misschien wel sterk beïnvloed door de Amerikaanse ervaring. In Amerika kampen veel ondernemingen met enorme dekkingstekorten, vandaar. Nederlandse pensioenfondsen staan er gelukkig veel beter voor.”
In Nederland wordt momenteel druk gediscussieerd over de voor- en nadelen van het collectief DC. Tegenstanders zien de opkomst van DC-regelingen als een negatieve ontwikkeling omdat hiermee de solidariteit tussen de onderneming en de werknemers en gepensioneerden verdwijnt en de risico’s geheel bij de werknemers en gepensioneerden wordt neerlegd. Er zijn echter ook andere geluiden te horen: volgens sommigen kan een collectieve vorm van DC voor de werknemers juist bijzonder gunstig uitpakken.
“De overschakeling naar een DC-stelsel is niet uitsluitend negatief,” verklaart van Ginkel. “Omdat ondernemingen hiermee risico’s afkopen zijn ze vaak ook bereid wat meer premie te betalen. In vakbondskringen is te beluisteren dat er best goede deals zijn gemaakt.”
Kosten van IFRS
IFRS maakt ondernemingen meer vergelijkbaar en de transparantie wordt bevorderd. Maar het accountingsysteem voegt niets toe aan de zekerheid van ondernemingen of pensioenfondsen.
“IFRS levert geen extra zekerheid voor de deelnemers, want het gaat alleen maar om informatie die in de jaarrekening van de onderneming komt te staan. Het IFRS-regime staat helemaal los van de wettelijke financieringseisen en de voorschriften van De Nederlandsche Bank,” legt van Gaalen uit.
Terwijl IFRS weinig oplevert, jaagt het accountingsysteem een onderneming die moet voldoen aan de IAS 19-standaard wel aardig op kosten.
Van Gaalen: “Wij zijn als actuarieel adviesbureau helemaal niet blij met RJ 271 en IAS 19, want veel toegevoegde waarde heeft het voor die ondernemingen niet. Zonde van het geld dus.”
Ook voor grotere ondernemingen zullen de kosten van IAS 19 voelbaar zijn. De vereiste berekeningen zullen veel tijd vergen van accountants en actuarissen.
Voor wie is IFRS nieuw?
Zoals eerder gebleken vormen IAS 19 en RJ 271 voor veel ondernemingen een nieuwe ontwikkeling waar veel aspecten van de rapportage van de onderneming door zullen veranderen. Zeker voor grote en middelgrote Europese ondernemingen zal de nieuwe standaard aanzienlijke gevolgen hebben.
“Vooral voor de middelgrote ondernemingen is het nogal een rompslomp. Heel kleine ondernemingen zijn gelukkig vrijgesteld,” vertelt van Gaalen.
IFRS is overigens niet voor alle ondernemingen een ‘grote onbekende’. Ondernemingen die ervaring hebben met de US GAAP-vereisten zijn al enigzins vertrouwd met de standaard, of ten minste met meerdere aspecten daarvan.
“De methodiek van IAS 19 is niet helemaal nieuw. Er zijn in Nederland een aantal grote ondernemingen die al jaren volgens US GAAP rapporteren, omdat ze een Amerikaanse beursnotering hebben. Sinds eind jaren ‘80 zijn die al gewend om dit soort informatie te leveren,” aldus van Gaalen.
Dit wil echter niet zeggen dat de overschakeling naar IFRS voor multinationale ondernemingen van een leien dakje zal gaan. Vanuit zijn positie bij Philips stelt Snippe: “Het is niet evident dat ondernemingen die al in Amerika genoteerd zijn het bij de implementatie van IFRS makkelijker hebben dan anderen. Wel zullen zij waarschijnlijk minder opkijken van de gevolgen van het nieuwe regime, omdat zij verschillende effecten ervan ook al onder US GAAP hebben gezien.”
Laat IFRS ruimte voor ‘creative accounting’?
Als accountingstandaard roept IFRS bij velen de vraag op of er in het nieuwe stelsel nog ruimte is om met de cijfers te spelen. Zo wordt er bijvoorbeeld gespeculeerd dat met name de salarisprojecties ruimte bieden voor de nodige eigen interpretatie.
Zoals eerder vermeld dient de onderneming in de toelichting op de jaarrekening ten aanzien van de pensioenverplichtingen zelf een inschatting maken van de verwachte salarisontwikkelingen. De veronderstellingen waarop deze inschatting is gebaseerd moeten eveneens worden toegelicht. De rekenrente die men daarbij hanteert wordt onderworpen aan strenge voorschriften. Voor de indexatie en salarisontwikkeling ligt dit echter moeilijker: de eis is hier dat de gemaakte veronderstellingen ‘redelijk’ zijn. Volgens sommigen laat dit veel ruimte voor interpretatie.
“Het is voorstelbaar dat met name financiële instellingen er belang bij kunnen hebben om een pensioenregeling op de balans van de onderneming te houden omdat het een post is die binnen kleine marges te sturen is, uiteraard wel binnen een door de onderneming te voeren consistente gedragslijn,” vertelt Ruud Derksen, pensioenadvocaat bij Clifford Chance.
Volgens Derksen kunnen de uitgangspunten van de onderneming binnen deze kleine marges worden herzien. Hierbij valt onder andere te denken aan de verwachte salarisstijging, en in mindere mate de te verwachten rendementen. Als bijvoorbeeld de salarisstijgingen bijgesteld worden zouden de verplichtingen wat afnemen of toenemen.
“Andersom, als men uitgaat van iets hogere salarisstijgingen en de verwachte rendementen worden iets lager ingeschat dan krijgt men een extra last over de winst-en-verliesrekening voor zover de last de 10 procent corridor overschrijdt. Dit kan voor een onderneming en zeker voor een financiële instelling aantrekkelijk zijn omdat over het algemeen deze ondernemingen, nog meer dan ondernemingen in andere sectoren, streven naar een stabiele winstontwikkeling,” verklaart Derksen.
Snippe voegt toe: “Men moet veronderstellingen maken omtrent de loonstijging die zich in de loop der tijd zal voortdoen, en dat weet natuurlijk niemand precies. Daar moet men zo zorgvuldig mogelijk mee omgaan. Persoonlijk denk ik dat de meeste ondernemingen dat ook erg zorgvuldig zullen doen.” Ook van Ginkel onderstreept dat de aannames en de consistente behandeling daarvan een belangrijk aandachtspunt is voor bestuurders en toezichthouders.
Printbare versie
Related articles:
|