Profiel   Contact   Colofon   Adverteren   Abonnementen   Links   Events   Pensions News  



 
 
IAS 19 en FTK zetten pensioen op de rekening

Gepubliceerd op:  01 December 2005 (Winter 2005)

International Accounting Standard 19 (IAS 19) en het nieuwe financiële toetsingskader (FTK) brengen beide pensioen in rekening. Wat zijn de verschillen tussen de beide stelsels, en wat zijn de overeenkomsten? Roland van Gaalen, vennoot en hoofd onderzoek bij Watson Wyatt Brans & Co, geeft een toelichting.

International Accounting Standard 19 (IAS 19) schrijft voor welke informatie een onderneming in de openbare jaarrekening moet opnemen over pensioenen en andere personeelsbeloningen. Die jaarrekening wordt opgesteld ten behoeve van de deelnemers in de financiële markten, waarmee een algemeen belang is gediend. Het financiële toetsingskader (FTK), dat naar verwachting overigens pas in 2007 in werking zal treden, gaat over de controle op het financiële beleid van Nederlandse pensioenfondsen. Die geschiedt ten behoeve van de direct belanghebbende partijen.

In dit artikel worden enige overeenkomsten en verschillen tussen IAS 19 en het FTK opgesomd. Opgemerkt wordt dat geen van beide stelsels goed kan omgaan met risicodeling tussen de deelnemers en de onderneming, dat het nut van de projected-unit-credit-methode van IAS 19 twijfelachtig is, en dat er steeds meer kritiek is op de dempingmethodiek van IAS 19. Verder wordt gewezen op de voordelen van zodanige financieringsafspraken dat het fondsvermogen als onderpand fungeert.

Overeenkomsten tussen IAS 19 en FTK

Nadruk op balanspositie: In zowel IAS 19 als het FTK ligt de nadruk op het opstellen van een actuele balanspositie voor de pensioenregeling. Daarin worden de bezittingen van het pensioenfonds (de activa) vergeleken met de pensioenverplichtingen (de passiva). Deze laatste worden in aanmerking genomen voor zover ze betrekking hebben op de reeds verstreken dienstjaren. Opbouw over toekomstige diensttijd blijft dus buiten beschouwing. Getallenvoorbeelden staan in tabellen 1 en 2.

Actuele marktwaarde: In beide stelsels worden niet alleen de bezittingen, maar ook de verplichtingen op een bepaalde manier marktconform gewaardeerd.

Weinig ruimte voor risicodeling: IAS 19 en het FTK zijn beide gericht op traditionele pensioenregelingen, waarin bepaalde pensioenniveaus (defined benefits ofwel DB) worden toegezegd en alle risico’s bij de onderneming liggen. De behandeling van zuivere beschikbarepremieregelingen, waarin geen pensioenen maar premies (defined contributions ofwel DC) worden toegezegd en alle risico’s bij de deelnemers liggen, levert uiteraard geen problemen op. Dat ligt anders voor mengvormen van DB en DC met stelselmatige risicodeling tussen onderneming en deelnemers. Neem bijvoorbeeld het zogenoemde collectieve DC-systeem. Daarin zijn de premies vast en wordt het financiële evenwicht in het fonds gehandhaafd door de opgebouwde pensioenen over de gehele linie te verhogen of te verlagen. Zo’n opzet, waarbij de onderneming nooit herstelpremies betaalt, zou moeten leiden tot een grote, duidelijk zichtbare vermindering van de risico’s op de ondernemingsbalans. Accountants en actuarissen zoeken nog naar een oplossing, maar het is inmiddels duidelijk dat dit in de praktijk moeilijk te verwezenlijken is. Dat kan worden gezien als een tekortkoming van IAS 19 en het hoofdlijnenakkoord over de nieuwe pensioenwet, dat aan het FTK ten grondslag ligt.

Verschillen

Neutrale versus prudente waardering: De waarderingsgrondslagen van IAS 19 moeten neutraal zijn, dus niet optimistisch en ook niet pessimistisch. Bij het FTK wordt daarentegen een voorzichtigheidsmarge in acht genomen.

Continuatiebasis versus liquidatiebasis: In IAS 19 wordt op continuatiebasis geredeneerd, ervan uitgaand dat de onderneming een going concern is en blijft, en dat de pensioenregelingen en andere beloningsystemen worden gehandhaafd. Dat betekent dat toekomstige salarisstijgingen worden ingecalculeerd bij de waardering van de opgebouwde pensioenverplichtingen. Dat is de essentie van de zogenoemde projected-unit-credit-methode. Bij eindloonregelingen (waarin het pensioen afhankelijk is van het laatstelijk verdiende salaris) maakt dat veel uit, want de pensioenopbouw is daarin afhankelijk van het laatste salarisniveau. Verder wordt nog rekening gehouden met de verwachte prijsinflatie. Dat is vooral van belang bij pensioenregelingen waarin de pensioenen min of meer waardevast worden gehouden door middel van indexatie.

Bij het FTK wordt gecontroleerd of de kapitaaldekking op orde is: het pensioenvermogen moet ten minste gelijk zijn aan de waarde van verworven pensioenrechten plus een solvabiliteitsbuffer. Die dient om schokken op te kunnen vangen. Toekomstige salarisgroei speelt geen rol. Normaliter is toekomstige indexatie geen verworven recht maar voorwaardelijk en kan het om die reden buiten beschouwing blijven. Het gaat erom dat de verworven, onvoorwaardelijke pensioenrechten steeds door voldoende vermogen gewaarborgd zijn, ook als de onderneming op korte termijn failliet zou gaan. In die zin gaat de toereikendheidstoets van het FTK uit van een liquidatiebasis. Overigens bevat het FTK ook een continuïteitsanalyse, maar die heeft geen duidelijke gevolgen voor de toereikendheidstoets.

De projected-unit-credit-methode van IAS 19 is helaas nogal ingewikkeld. Of de salarisprojectie significante, betrouwbare informatie toevoegt, valt te betwijfelen. Het is immers moeilijk om tot objectieve schattingen te komen voor parameters als de salarisontwikkeling en de ontslag- en invalideringskansen, vooral voor de lange termijn. Daardoor heeft de projected-unit-credit-methode iets pseudo-wetenschappelijks. Het verdient dus overweging om de salarisprojectie maar helemaal overboord te gooien.

Feitelijke verplichtingen versus juridisch afdwingbare verplichtingen: IAS 19 definieert de pensioenverplichtingen ruim, namelijk als alle feitelijke verplichtingen inclusief verplichtingen die niet juridisch afdwingbaar zijn, maar voortvloeien uit gewekte verwachtingen en dergelijke (constructive obligations). Verwachte indexatie hoort daar uiteraard bij. Bij het FTK ligt de nadruk op de onvoorwaardelijk verworven pensioenrechten, dus exclusief alle voorwaardelijke indexatie. Dat heeft het voordeel dat de minimumeisen niet al te streng worden. Daartegenover staat het nadeel dat de indruk wordt gewekt dat de indexatie automatisch en zonder extra kosten uit meevallers kan worden gefinancierd.

Hoogwaardige versus risicovrije rekenrente: IAS 19 gaat uit van discontering met actuele marktrendementen op hoogwaardige bedrijfsobligaties. Bij het FTK worden de pensioenverplichtingen gewaardeerd als (nagenoeg) risicovrije obligaties. Dat betekent dat de verwachte pensioenuitkeringen contant gemaakt worden door ze te verdisconteren met de actuele termijnstructuur van de (nagenoeg) risicovrije marktrente. Daarom is de waarde van de onvoorwaardelijk verworven pensioenen bij het FTK iets hoger dan bij IAS 19.

Demping versus bufferwerking: Stel dat de financiële positie van een pensioenregeling verslechtert doordat de bezittingen in waarde dalen of doordat de verplichtingen stijgen ten gevolge van een daling van de marktrente. De dempingsmethodiek van IAS 19 komt er dan op neer dat de verslechtering niet ineens in de balanspositie opgenomen wordt, maar als een nog niet erkend verlies (unrecognised loss) over een aantal jaren wordt uitgesmeerd. Dat heet amortisatie. Zo kan het gebeuren dat een onderneming een pensioenoverschot op de balans heeft staan, terwijl er feitelijk een tekort is. Hierop is steeds meer kritiek en het is waarschijnlijk dat het dempingsysteem van IAS 19 binnen enkele jaren zal worden afgeschaft. Overigens moeten de ongedempte uitkomsten ook nu al in de toelichting bij de jaarrekening vermeld worden, dus dit is slechts een kwestie van presentatie.

In tegenstelling tot IAS 19 vereist het FTK een solvabiliteitbuffer die niet bedoeld is om schokken te verdoezelen, maar om ze op te vangen. Voor de onderneming is zo’n vereiste buffer uiteraard geen vrij beschikbaar activum maar beklemd vermogen.

Apart fonds versus verlengstuk van onderneming: Bij het FTK is het essentieel dat de pensioenen buiten de onderneming worden ondergebracht in een apart pensioenfonds of bij een verzekeringsmaatschappij.

IAS 19 erkent dat het pensioenfonds juridisch gescheiden is van de onderneming, maar beschouwt het als een soort verlengstuk ervan, althans in bedrijfseconomische zin. De gedachte is dat de onderneming uiteindelijk moet opdraaien voor alle verplichtingen van het fonds. En als het fonds er goed voorstaat, zullen de toekomstige premielasten lager zijn dan als het fonds er slecht voorstaat, zo is de redenering. Tot op zekere hoogte kan het fondsvermogen dus gezien worden als onderpand. Het juridische eigendom hierover mag dan wel geheel bij het fonds liggen, het economische eigendom ligt grotendeels bij de onderneming.

Pensioenvermogen als onderpand

Uit het laatstgenoemde punt volgt dat IAS 19 en FTK zich lenen voor een economische interpretatie waarin de bezittingen beschouwd worden als vermogen dat bij het fonds in onderpand is gesteld. Volgens die zienswijze dient het als waarborg voor de pensioenen die de werkgever aan de deelnemers in het vooruitzicht heeft gesteld. Dit impliceert meteen een fundamenteel onderscheid tussen enerzijds de pensioenlast en anderzijds de betaalde pensioenpremie in enig jaar. De pensioenlast komt in wezen neer op de toename van de pensioenverplichtingen, terwijl de pensioenpremie het bedrag is dat gestort wordt om die pensioenlast te dekken. De pensioenlast bevat verder nog het verschil tussen het benodigde rendement op de verplichtingen en het feitelijke rendement op de bezittingen. Dat saldo is niet verwaarloosbaar, maar in deze context van ondergeschikt belang.

De asset ceiling van IAS 19: Als het financiële belang van de werknemers in het pensioenfonds samengevat wordt door de waarde van de opgebouwde pensioenverplichtingen (ruim geïnterpreteerd, dus inclusief indexatie), hoe zit het dan met een eventueel overschot? Is dat dood kapitaal? In principe heeft de onderneming het economische eigendom over het onderpand, zoals reeds opgemerkt. De pensioenen worden tenslotte daarmee betaald en eventuele overtollige activa zouden in theorie vroeg of laat verrekend moeten kunnen worden met de toekomstige pensioenpremies. Maar dat gaat in de praktijk niet helemaal op, want terugstortingen en premiekortingen zijn normaliter alleen onder strenge voorwaarden toegestaan. Daarom stelt IAS 19 paal en perk aan het overschot dat op de balans van de onderneming kan worden geactiveerd. Het maximumbedrag wordt wel de asset ceiling genoemd. Dit suggereert dat het gedeelte van een eventueel surplus dat boven deze grens uitkomt, niets kan bijdragen aan de waarde van de onderneming. Dat is simplistisch geredeneerd: hoe groter het overschot, des te lager de benodigde herstelpremies in geval van een groot verlies. Voor de onderneming is dat natuurlijk een voordeel.

Optimale financiering: Hoewel men kritiek kan hebben op de asset ceiling van IAS 19, is er veel voor te zeggen om zodanige financieringsafspraken te maken dat deze limiet zo hoog mogelijk uitkomt. Dan fungeert het pensioenvermogen inderdaad als onderpand: het behoudt voor de onderneming zijn waarde, zonder dat een surplus ontaardt in dood kapitaal waar niemand iets aan heeft. De pensioenpremie is dan vestzak-broekzak, en de pensioenlasten zijn uiteindelijk gelijk aan de pensioenverplichtingen. Dat heeft het voordeel dat de onderneming gestimuleerd wordt om de pensioenregeling ruim te financieren. Binnen het FTK en de komende pensioenwetgeving zou dat gerealiseerd kunnen worden door goede afspraken te maken, niet alleen over de pensioenpremie, maar ook over de uiteindelijke bestemming van een eventueel surplus.

Printbare versiePrintbare versie

 


Related articles:
Headlines van andere FT Business publicaties
DPN: Deutsche Pensions & Investment Nachrichten
• Oranje: Bärenstark in der betrieblichen Vorsorge
• „Der Pensionsfonds wird ein europäischer Player“
• Brief aus Berlin
European Pensions & Investment News
• APG eyes Latin America and southern Europe
• Lehman disaster impacts over-eager European funds
• Portfolio construction key to Gildi’s moderate success
Nordic Region Pensions & Investments News
• Getting your house in order
• Nordic funds welcome the return of the bond
• The Interview: Marinó Örn Tryggvason, Kaupthing Bank
Pensions Management - the magazine for pension & investment industry professionals
• National Association of Pension Funds (NAPF) highlights
• SRI climbs back up the agenda
• Global funds get on the SRI bandwagon
Professional Wealth Management
• Adverse conditions force restructuring
• An alternative route to absolute returns
• Gaining global reach without volatility
 ARCHIEF



 

Contact
Abonnementen
Privacy Policy
Terms and Conditions
Webmaster

Mailing address: Financial Times Ltd, Number One Southwark Bridge, London, SE1 9HL, United Kingdom

© The Financial Times Limited 2008