‘What gets measured gets managed’
Gepubliceerd op: 01 December 2005
(Winter 2005)
Jan Bertus Molenkamp doet verslag over Actoren in het beleggingsproces, een boek recentelijk uitgegeven door de Stichting Performance.
In het recent verschenen boekje ‘Actoren in het beleggingsproces’ van Stichting Performance worden (hoofd) verantwoordelijken in het beleggingsproces geïnterviewd.
Het boek geeft een schets van de verschillende onderdelen in het beleggingsproces en hoe die door de verschillende pensioenfondsen wordt ingevuld. De beelden van de procesgang die uit de interviews naar voren komen lijken sterk op elkaar en verschillen met name door een verschillende inkleuring. Dit betreft bijvoorbeeld hoe pensioenfondsen met een beleggingsadviescommissie omgaan, wie er in zitten (een delegatie van het bestuur en/of externe deskundigen) en wat de bevoegdheden daarvan zijn. Op bijvoorbeeld het gebied van de invulling van het beleggingsproces is een duidelijk verschil waarneembaar tussen kleinere pensioenfondsen en grotere. Het grootste fonds van Nederland gaat uit van de filosofie om zoveel mogelijk in huis te doen omdat dit goedkoper is, je eigen ‘skills’ ontwikkelt en sneller kan reageren op de markt. Erik Martens, directeur van AHV, als voorbeeld van een kleinere bedrijfstakpensioenfonds, geeft duidelijk aan dat ze te klein zijn om intern te beleggen. Al met al bevat het boek geen echt nieuwe inzichten, maar geeft zeker een realistische afspiegeling van hoe het in de praktijk georganiseerd is. In korte tijd kun je het boek ‘tot je nemen’ en de nieuwsgierigheid naar de diepere achtergronden achter uitspraken wordt zeker geprikkeld.
De belangrijkste these die wordt gesteld in de inleiding van het boek is dat de sterk veranderende omgeving leidt tot een grotere behoefte aan het eenduidig, correct en begrijpelijk meten van de kwaliteit van het beleggingsbeleid en de uitvoering daarvan. Laten we deze these aan de hand van de uitspraken in het boekje eens nader onder de loep nemen.
De geïnterviewden laten onder andere de volgende geluiden horen:
- Naast de meting van de beleggingsuitvoering ook graag het beleggingsbeleid meten
- Naast kwantitatief ook kwalitatief meten
- Naast beleggingsprestaties ook andere aspecten van het pensioenfonds meten
- De z-score uitvoeringstoets voor bedrijfstakpensioenfondsen breder trekken naar de gehele branche; dus inclusief ondernemingspensioenfondsen en verzekeraars.
- Peer group vergelijking is een toegankelijke methode voor besturen en zal aan belang winnen
- Meten van beleidsprestaties is niet eenvoudig.
Dit laatste punt wordt bevestigd in een recent onderzoek van een werkgroep van experts onder leiding van Stichting Performance (“De P-square score; Een aanzet tot meting van de beleggingsperformance van pensioenfondsen”). Deze werkgroep onderzocht de mogelijke verbeteringen inzake het meten van beleggingsbeleid en uitvoering. Eén van de doelstellingen van de werkgroep was om de huidige z-score toets voor bedrijfstakpensioenfondsen te verbeteren. Er is een concrete suggestie gekomen om deze uitvoeringstoets te verbeteren. Echter over het meten van beleid werd geen overeenstemming bereikt. Het leidt ook al snel tot een bijna filosofische discussie. Om een voorbeeld te geven van de aangedragen meet-dilemma’s: beleid zou gericht moeten zijn op het verstandig omgaan met meerdere mogelijke toekomstbeelden terwijl er slechts één toekomst realiteit wordt. Moet je nu op deze ene realisatie het beleid afrekenen? Overigens kwam als algemeen beeld in het rapport wel naar voren dat de verplichtingen als vertrekpunt en benchmark gezien moeten worden voor de beoordeling van het beleggingsbeleid.
Terug naar het boek. Vrijwel alle geïnterviewden zijn het er over eens. De meting van prestaties, zowel van het beleggingsbeleid als de uitvoering daarvan, is belangrijk. Daarmee zou de these bewaarheid worden, maar de concrete vraag is hoe daar verder invulling aan te geven. Met de z-score toets hebben de bedrijfstakpensioenfondsen een stap gezet richting transparantie en vergelijkbaarheid en hebben we kunnen waarnemen dat daar een professionaliseringsslag is gemaakt. De vraag is wellicht wanneer de andere marktpartijen zullen volgen zodat daarmee consistente vergelijking van uitvoerders mogelijk is. Dit is ook wat Henny Kapteijn van het ABP aangeeft.
De andere vraag is of er op afzienbare tijd een meetinstrument ontwikkeld wordt voor het meten van de kwaliteit van het beleggingsbeleid. Ofschoon er wel enige ideeën zijn ontwikkeld (bijvoorbeeld Ambachtsheer met Risk Adjusted Net Value Added) is hier het laatste woord nog niet over gezegd. Laten we eerlijk tegen elkaar zijn: het is ook bijzonder lastig om goede objectieve criteria aan te geven. Kwaliteit valt niet simpelweg vast te stellen aan de hand van het (lange termijn) rendement. Toch verwacht ik, en daarmee onderschrijf ik de these, dat onder de toenemende druk van de verschillende ‘stake holders’ van pensioenfondsen er in de komende jaren een beleidsmeting zal (moeten) komen.
De auteur van deze recensie is Jan Bertus Molenkamp, werkzaam voor Kempen Capital Management op het gebied van Fiduciair Management en daarnaast verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Printbare versie
Related articles:
|