Voor pensioenfondsen het moment om het tij te keren
Gepubliceerd op: 01 December 2005
(Winter 2005)
Nederland kent van oudsher een rijke pensioencultuur. ‘Laat duizend bloemen bloeien’ viert als motto al jaren hoogtij in de pensioenwereld. De pensioenwereld is in beweging en dat blijft voorlopig zo als we de geluiden vanuit politiek Den Haag en de toezichthoudende instanties moeten geloven. De pensioenregelingen zijn gevarieerd en worden voortdurend aangepast. Gespecialiseerde partijen kunnen hun deskundigheid en ondersteuning dan ook ruim inzetten. Maar blijft dit in de toekomst ook zo? Wilfred Klaassen, manager externe betrekkingen bij Blue Sky Group, heeft er zijn twijfels over. Als we het tij nu niet keren, gaat de pensioenwereld langzaam ten onder.
De pensioenwereld wordt op dit moment vanuit alle kanten bedreigd. Niet alleen nieuwe wet- en regelgeving maar ook ontwikkelingen in de pensioensector zelf drijven de pensioenfondsen in het nauw. De drang om te overleven neemt af, terwijl pensioenfondsen juist nu moeten laten zien dat zij hun zaak op orde hebben. Al dan niet met ondersteuning van een daartoe gespecialiseerde partij. Het besef moet worden gekweekt dat pensioenfondsen het beste middel zijn om pensioenregelingen uit te voeren. En dat niet alleen vanwege de kosten. Bewijzen dat je de professionaliteit in huis hebt om de toekomst aan te kunnen, dat is de enige manier waarop pensioenfondsen het hieronder omschreven doemscenario kunnen afwenden.
Fiscale inkrimping en uniformering
Fiscale regelgeving maakt pensioenen eenvormiger, eenvoudigweg omdat er fiscaal geen ruimte meer is voor variatie. De eerste kaalslag vindt plaats op 1 januari 2006 als gevolg van invoering van de Wet aanpassing fiscale behandeling Vut, prepensioen en introductie levensloop. Dit proces van fiscale inkrimping en uniformering gaat de jaren daarna onverminderd verder. De politiek heeft immers de fiscaliteit ontdekt om het pensioen in een op enig moment opportune richting te sturen: het keurslijf wordt steeds strakker. Mijn inschatting is dat middelloon op 65 jaar, eventueel in de vorm van collectief beschikbare premie, de boventoon gaat voeren. Daarbij schuift de leeftijd van 65 steeds verder naar boven, mede ook om levensloop en andere politieke speeltjes de ruimte te geven.
Ook de pensioenwetgeving draagt bij aan verdere standaardisering. Zo worden indexaties ingebed in wettelijk voorgeschreven standaarden, wordt in de Pensioenwet in detail vastgelegd hoe de informatie moet verlopen en wordt de financiering geregeld in een strak geredigeerd Financieel Toetsingskader. Deze ontwikkelingen zouden wel eens kunnen uitmonden ineen pensioensysteem van collectieve beschikbare premie.
Standaardisering
Er wordt hard gewerkt aan een uniform pensioenoverzicht. De eerste versie is in oktober gepresenteerd, zodat de pensioensector zich ook hierover niet meer druk hoeft te maken. De output wordt voor iedereen hetzelfde. Naar verwachting wordt een uniform pensioenoverzicht gestandaardiseerd opgeslagen. De stap naar een nationaal pensioenregister, waarin alle opgebouwde pensioenaanspraken centraal worden bijgehouden, is dan nog maar klein.
De volgende logische stap is een nationaal systeem voor waardeoverdrachten. Ook daarvoor worden plannen ontwikkeld. Daarmee kan meteen worden georganiseerddat verstoringen die waardeoverdrachten opleveren in de financiële positie van pensioenuitvoerders centraal worden geëgaliseerd.
Intensiever toezicht
Intussen worden wettelijke regelingen steeds ingewikkelder en wordt het toezicht steeds intensiever, met zelfs een dubbel toezicht door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Ook de eisen die aan pensioenfondsbestuurders worden gesteld, worden steeds zwaarder. Zo valt te verwachten dat de eis van collectieve deskundigheid wordt vervangen door die van individuele deskundigheid. Dit is voor een bestuur dat bestaat uit normale stervelingen niet meer in te vullen. Het gevolg hiervan is dat veel bestuurders bezwijken onder hun zware verantwoordelijkheid. De druk op pensioenfondsen neemt verder toe met als gevolg dat het aantal pensioenfondsen drastisch daalt. Slechts een paar grote pensioenfondsen en verzekeraars blijven over.
Pensioenuitvoering als massaproduct
Naarmate de pensioenregelingen meer op elkaar gaan lijken en pensioengegevens meer centraal worden vastgelegd, wordt pensioenuitvoering een massaproduct. Schaal wordt de kritische factor. Ook vermogensbeheer wordt meer en meer uniform: de wens (of eis) om de benchmark te halen en de rentetermijnstructuur van DNB jaagt iedereen dezelfde kant op. Maatwerk wordt niet meer geapprecieerd. De massa dicteert en meer pensioenfondsen en verzekeraars verliezen hun bestaansrecht.
Een paar pensioenfondsen en verzekeraars zullen overleven. Het systeemrisico (de financiële en maatschappelijke schade die wordt veroorzaakt door het ‘omvallen’ van een uitvoerder) van deze uitvoerders blijkt zo groot dat dit met ‘normaal’ toezicht niet meer te beheersen is. Toezicht ontaardt daardoor in micromanagement. Ook is de machtspositie van de mammoetuitvoerders een doorn in het oog van de politiek. Het gevolg hiervan is dat de politiek de macht steeds meer aan banden gaat leggen. Nationalisatie van de pensioenvoorziening is op een zeker moment dan ook een adequate oplossing, vooral omdat de uitvoering inmiddels bij een paar centrale administrateurs is geconcentreerd. Dit komt de efficiëntie ten goede.
Een nationale geïntegreerde pensioenregeling?
Als de uitvoering toch bij dezelfde partij wordt geconcentreerd, is het gemakkelijk dat alle pensioenregelingen gelijk zijn. Het gelijktrekken van deze pensioenregelingen is een kleine moeite omdat ze toch al naar elkaar zijn toegegroeid. Dit leidt tot één nationale pensioenregeling. De behoefte aan een systeem van collectieve beschikbare premie is dan niet meer zo groot. De overheid wordt in een dergelijk groot geheel de ultieme risicodrager.
Na een tijdje wordt ingezien dat kapitaaldekking van pensioenen onder deze omstandigheden eigenlijk een absurde eis is. Macroeconomisch maken kapitaaldekking en omslag immers geen verschil en waarom zou je je in Europees verband blijven inspannen voor kapitaaldekking als de rest van Europa zich blijft koesteren in omslagsystemen? Nederland gaat over op een omslagsysteem.
Nadat Nederland heeft gekozen voor een omslagsysteem, ligt het voor de hand de aanvullende pensioenen te integreren met de AOW in één uniforme geïntegreerde regeling. Eén grote uitvoerder voor alle pensioenen, dat moet wel efficiënt zijn. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) neemt de uitvoering daarom over.
Een uniform geïntegreerde regeling met een grote uitvoerder betekent het einde van het pensioenbedrijf zoals we dat nu kennen. Maar de bureaucraten hebben hun zin: alles is gevangen in wetten en regels, alles is gelijkgetrokken en door de betrokkenheid van de politiek kan er niets meer fout gaan.
De realiteit
Het voert echter te ver te beweren dat het daadwerkelijk de kant op gaat van een uniform geïntegreerde pensioenregeling met één grote uitvoerder. Niettemin: de diverse bedreigingen zijn reëel en pensioen-fondsen moeten er alles aan doen om dit rampscenario geen werkelijkheid te laten worden. Zij moeten maatregelen treffen waarmee zij bestand zijn tegen de toekomst.
Schaalvergroting en professionalisering zijn voor pensioenfondsen de aangewezen middelen om te laten zien dat zij bestand zijn tegen de ontwikkelingen die vanuit alle kanten op hen afkomen. Beide kunnen worden bereikt door de werkzaamheden uit te besteden aan een uitvoeringsorganisatie die de huidige en toekomstige ontwikkelingen de baas is. Een partij die beseft dat een uitvoering zonder opsmuk en tierelantijnen uiteindelijk de beste vruchten afwerpt, zowel voor de pensioenfondsen als voor de uitvoeringsorganisatie zelf. Dat wil niet zeggen dat hiermee het gevaar geweken is. De sterkste bescherming tegen ingrepen in het pensioenstelsel is ervoor te zorgen dat de situatie op orde is, zowel in financiële als in administratieve zin. Dan zal toch een keer het inzicht komen dat alle wijzigingen in de regelgeving geen bijdrage leveren aan het pensioenresultaat, doch alleen maar geld kosten. Het pensioenresultaat bepalen werkgevers- en werknemersorganisaties in goed overleg samen, zo is het ooit begonnen en zo moet het blijven.
Printbare versie
|