Vragenuurtje Sociale Zaken

Gepubliceerd op:  08 Maart 2006 (Februari/Maart 2006)
— Aart Jan de Geus Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

npn vroeg zijn lezers vragen samen te stellen voor het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), de Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financicële Markten (AFM). De vragen en antwoorden presenteren wij hieronder.

npn: In Nederland worden thans vele zogenaamde Collectieve DC-regelingen geïntroduceerd. Redenen daarvoor zijn tweeledig: internationale accountancy standaards en het feit dat pensioenfondsen in omvang zo groot zijn geworden dat organisaties (bedrijven en overheden) niet langer een pensioentoezegging kunnen garanderen. Hoe schat SZW deze ontwikkelingen in?

SZW: De laatste maanden is er door een aantal pensioenfondsen inderdaad een overstap gemaakt naar collectieve DC-regelingen. Deze ontwikkeling is echter nog te pril en te beperkt om te kunnen constateren of al dan niet sprake is van een structurele trend. Zo bestaat er tussen deskundigen op het terrein van accountancy bijvoorbeeld nog geen overeenstemming over het antwoord op de vraag in hoeverre de accountancy standaards tot aanpassing van pensioenregelingen dwingen. In ieder geval staat wel vast dat het in de gevallen waarin nu een collectieve DC-regeling is afgesproken, ging om pensioenfondsen met een relatief hoge dekkingsgraad dan wel om situaties waarin werkgevers bereid zijn om de verschuiving van risico’s naar de deelnemers in het pensioenfonds vóóraf te compenseren met omvangrijke éénmalige stortingen in het fonds ter verhoging van de dekkingsgraad en/of een verhoging van de beschikbare loonruimte om de kans op (volledige) indexatie te verhogen. Het is de vraag of werkgevers op grote schaal bereid zullen zijn om ter compensatie van het verhoogde risico voor werknemers omvangrijke éénmalige investeringen in het pensioenfonds te doen. Die bereidheid zal er naar verwachting vooral zijn onder bepaalde randvoorwaarden. Bijvoorbeeld wanneer een onderneming in hoge mate gevoelig is voor een beoordeling van de kredietwaardigheid door de aandeelhouders. Een dergelijke specifieke situatie geldt vooral voor bedrijven die beursgenoteerd zijn en in sterk concurrerende internationale markten opereren. Dergelijke bedrijven zullen vaak in het verleden echter al andere maatregelen hebben getroffen om hun kredietwaardigheid niet al te zeer door onverwachte fluctuaties in de pensioenlasten te laten aantasten.

 

npn: Deze collectieve DC-regelingen leiden voor beursgenoteerde ondernemingen in de toekomst mogelijk niet meer tot het gewenste beleid. Door accountants van ondernemingen worden deze regelingen niet als zuivere DC-regelingen gezien. Gevolg: reservetekorten leiden toch tot balansposities bij ondernemingen. Eén van de oorzaken is dat in de Pensioenwet de Collectieve DC-regeling niet beschreven/gedefinieerd wordt. Dit zal leiden tot een forse slag naar individueel DC. Acht SZ dit gewenst?

SZW: Het feit dat accountants mogelijk zullen eisen dat collectieve DC-regelingen toch op de balans van een onderneming geplaatst worden, staat los van het feit dat collectieve DC-regelingen niet als aparte soort pensioenregeling in de Pensioenwet worden genoemd. Daar is ook geen noodzaak toe (zie het antwoord op de vierde vraag). Dit heeft volgens deskundigen veel meer te maken met het feit dat de afspraken tussen de werkgever en het pensioenfonds over een vaste premiehoogte in de momenteel afgesproken collectieve DC-regelingen slechts van beperkte duur (meestal 5 jaar) zijn.

Wat betreft de vraag met betrekking tot een mogelijke toekomstige overgang naar meer individuele DC-regelingen staat voorop dat aanvullende pensioenen onderdeel zijn van de arbeidsvoorwaarden, die tot de primaire verantwoordelijkheid van de sociale partners behoren. Dat de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel op dit moment in hoge mate wordt gekenmerkt door de aspecten collectiviteit en solidariteit is echter niet voor niets. Deze aspecten maken het mogelijk om een goede pensioenvoorziening te handhaven tegen relatief lage kosten, bijvoorbeeld omdat beleggingsrisico’s intergenerationeel kunnen worden gespreid en schaalvoordelen kunnen worden behaald.

 

npn: Collectieve DC-regelingen kunnen vanuit de werknemer/ pensioenuitvoerder gezien worden als een voorwaardelijke middelloonregeling, waarbij de rechten worden opgebouwd volgens een DB-regeling (salaris/diensttijdregeling) indien en voorzover de dekkingsgraad van het pensioenfonds dit toelaat. Nu wordt in de PSW noch de PW iets vermeld over dit soort regelingen. Ook ziet men daarin geen concrete aanknopingspunten hoe men naar deze collectieve DC-regelingen zou moeten kijken in het kader van waarde-overdrachten. Moet de collectieve DC-regeling gezien worden als een niet-reguliere regeling of toch als een reguliere regeling. En als het laatste van toepassing is: waar komt dan de rekening te liggen van evt. bijstortingsverplichtingen: niet bij de werkgever (anders is geen sprake meer van Collectief DC onder IFRS), maar hopelijk ook niet bij het pensioenfonds?

SZW: Het is primair aan de toezichthouder en uiteindelijk aan de rechter om aan te geven hoe in dit geval de waardeoverdracht moet worden beschouwd. Wij zullen bij de algemene maatregel van bestuur op het terrein van waardeoverdracht ten gevolge van de Pensioenwet werken aan een optimaal duidelijke weergave van de regels op dit terrein.

 

npn: Zou de Pensioenwet niet de mogelijkheid moeten openen om een DB-achtige regeling te handhaven met behoud van het DC-karakter voor de accountant van de onderneming?

SZW: De Pensioenwet legt geen beperking op voor wat betreft de regeling die partijen willen afspreken. De Pensioenwet schrijft slechts voor dat van de afgesproken regeling moet kunnen worden bepaald wat daarin nu eigenlijk precies wordt toegezegd aan de deelnemers: een uitkering, een kapitaal, of een premie. Als sociale partners in de pensioenregeling een uitkering toezeggen, en zij spreken tegelijkertijd een premie af die voldoende is om die uitkering – conform de principes van het FTK – te financieren, dan is sprake van een uitkeringsregeling, die tegelijkertijd voor de accountant voldoende waarborg biedt dat er geen tekorten ten laste van de werkgever kunnen komen. In feite biedt de Pensioenwet dus de in de vraag gesuggereerde mogelijkheid al.

 

npn: Blijft de mogelijkheid bestaan om in de toekomst op een fiscaal acceptabele wijze voor 65 jaar met pensioen te gaan?

SZW: Ja, in de per 1 januari 2006 van kracht zijnde fiscale pensioenwetgeving wordt nog steeds ruimte geboden om met fiscale ondersteuning vóór 65 jaar met pensioen te gaan, maar wel op basis van een actuarieel neutrale herrekening van het ouderdomspensioen. Mede door de versobering van het fiscale pensioenregime is de verwachting dat de gemiddelde pensioenleeftijd in de komende jaren verder zal stijgen.

 

npn: Hoe beoordeelt SZW de eerste resultaten van de levensloopregeling? Wat is de verwachting voor 2006 en 2007?

SZW: We hebben nu nog geen concrete informatie over de deelname aan de levensloopregeling. Over enige tijd verwachten we wel een eerste indicatie te hebben. Er zijn geen specifieke verwachtingen over het gebruik in 2006 en 2007.

 

npn: Wat vindt SZW van de nieuwe pensioenregelingen die momenteel in het kader van de nieuwe CAO's worden afgesproken?

SZW: Aanvullende pensioenregelingen behoren tot de sfeer van de arbeidsvoorwaarden, die door sociale partners worden ingevuld.

 

npn: Het FTK dwingt de fondsen in een ongewenst keurslijf. Bij lage rente dalen de dekkingsgraden en zou men theoretisch meer in vastrentende waarden moeten gaan beleggen, terwijl de rente toch al zo laag is. Een neerwaartse spiraal. Wil de minister nog eens dit keurslijf heroverwegen en/of het FTK minder star maken en meer marktgericht?

SZW: De opvatting dat het FTK de fondsen in een ongewenst keurslijf dwingt wordt niet gedeeld. Het doel van het FTK is te waarborgen dat afspraken omtrent pensioen daadwerkelijk worden nagekomen. Daarbij dient een goede balans te worden gevonden tussen zekerheid en betaalbaarheid. De gevolgen van een lage rente op de dekkingsgraden van pensioenfondsen heeft de aandacht. In het kader van de algemene maatregel van bestuur die over het FTK wordt opgesteld, zal dat aan de orde komen. Zoals is afgesproken in het algemeen overleg op 3 februari 2005 zal er over die AMvB overleg met de Tweede Kamer zijn.

Printbare versiePrintbare versie
Stuur deze artikel naar een vriend.Stuur deze artikel naar een vriend.

 




Headlines van andere FT Business publicaties
DPN: Deutsche Pensions & Investment Nachrichten
• Auf der Suche nach Standards
• Linksschiefe im Blick
• Heribert Karch: MetallRente
Nordic Region Pensions & Investments News
• Erik Valtonen
• Preparing for a bear market
• Learning from the Finnish experience
Pensions Management - the magazine for pension & investment industry professionals
• Lehman Bros brings litigation case against Pensions Regulator
• Annuity providers nudged into action by Solvency II
• Industry calls for MIR to be exercised realistically
Professional Wealth Management
• Rebalancing for the new world order
• Applying quant methodology to beat the bank
• Return of the quants: Systematic investing to beat the market
NIEUWSBRIEF



 ARCHIEF




Contact

Abonnementen

Privacy Policy

Terms and Conditions

Webmaster

Mailing address: Financial Times Ltd, Number One Southwark Bridge, London, SE1 9HL, United Kingdom

© The Financial Times Limited 2010