Vragen aan de toezichthouder DNB
Gepubliceerd op: 08 Maart 2006
(Februari/Maart 2006)
npn: Welke regels hanteert DNB voor de toegelaten bandbreedtes bij aandelen en vastrentende waarden en andere beleggingsvormen? Zijn zij niet van mening dat een te starre en kleine bandbreedte tot ongewenste neveneffecten leidt? Zijn bandbreedtes van maximaal 5% naar boven of naar beneden niet te krap en zijn dat waarden die gebruikelijk zijn bij andere pensioenfondsen? De constatering is dat grotere bandbreedtes voorkomen van 15% en zelfs wel 20%.
DNB: In Nederland kennen we geen wettelijke beleggingsrestricties voor pensioenfondsen, er wordt uitgegaan van het ‘prudent person’ beginsel. Dit houdt in dat degene aan wie het beheer van andermans vermogen is opgedragen, die opdracht uitvoert op een zorgvuldige en prudente wijze. Nederland heeft reeds in de jaren vijftig gekozen voor een dergelijke vorm van regulering en behoort op dit punt tot één van de meest liberale landen in de wereld. De wetgever heeft destijds bewust geen wezenlijke beperkingen opgelegd in de aard van de beleggingen, anders dan aan te geven dat deze ‘solide’ moeten zijn. Het ‘prudent person’ principe vinden we heden ten dage terug in de Europese Pensioenrichtlijn.
Het is dus aan het bestuur van het pensioenfonds om vast te stellen of het beleggingsbeleid past bij de aard en de omvang van de pensioenverplichtingen en het bestuur kiest daarbij zelf bandbreedtes voor de asset-allocatie. De toezichthouder zit niet op de stoel van het bestuur en legt dus geen beleggingsrestricties op. Wel beoordeelt de toezichthouder of het pensioenfonds de beleggingsrisico´s in relatie tot de verplichtingen kan dragen. Dit is belangrijk omdat het Nederlandse pensioensysteem is gebaseerd op kapitaaldekking.
Een andere belangrijke regel betreft de beleggingen in de bijdragende onderneming. Deze zijn gelimiteerd tot 5% van de portefeuille of, indien rekening wordt gehouden met de vrije reserves, tot maximaal 10%. Deze regel is al zo oud als het pensioentoezicht en voorkomt dat het pensioenfonds bij een onverhoopt faillissement van de onderneming eveneens in de problemen raakt.
npn: Hoe kijkt DNB in het kader van prudentieel toezicht naar partijen als Merill Lynch die grote pensioenvermogens zoals het Philips-pensioengeld gaan beheren?
DNB: Uiteraard gaat DNB extern niet in op individuele gevallen, al volgt zij nauwgezet de nieuwe ontwikkelingen. In de kern wordt een pensioenfonds beschreven door de risicoacceptatie en eindverantwoordelijkheid. Het voert de regeling uit, aanvaardt daartoe bepaalde risico’s en is eindverantwoordelijk voor het beleid. Zelfs als de beleggingen en de administratie volledig worden uitbesteed aan derden dan is het pensioenfonds nog steeds eindverantwoordelijk.
In dit kader past de algemene trend van ‘horizontalisering’. Activiteiten worden daar uitgevoerd waar dat het beste en meest kostenefficiënt kan. Sommige pensioenfondsen bundelen daarom vermogensbeheeractiviteiten en andere stoten deze juist weer af. Dit leidt tot professionalisering en marktwerking. Ook hier geldt dat Nederland in het toezicht zoveel mogelijk een ‘principle based’ benadering kent.
npn: In hoeverre heeft DNB voornemens om de toezichthouding te combineren met advisering?
DNB: DNB ontwikkelt veel algemene kennis en inzichten op pensioenvlak en maakt deze breed toegankelijk. Een combinatie van toezicht en advies op fondsniveau leidt echter tot belangenverstrengeling. Het is niet mogelijk om objectief toe te zien op iets waar je zelf in hebt geadviseerd. De toezichthouder kan niet op de stoel van het pensioenfondsbestuur gaan zitten. Vandaar ook dat er tegenwoordig een strikt onderscheid is tussen de activiteiten en verantwoordelijkheden van de adviserende versus de certificerende actuaris. Bovendien is het pensioentoezicht ‘achteraf’ toezicht. De rolverdeling is dat het bestuur van het pensioenfonds beslissingen neemt en verantwoordelijk is, de toezichthouder toetst en beoordeelt vervolgens achteraf.
Printbare versie
Related articles:
|