Breed maatschappelijk draagvlak voor gezamenlijk aanpak
Gepubliceerd op: 08 Maart 2006
(Februari/Maart 2006)
Op de valreep van 2005 volbracht de STAR-projectgroep zijn ‘mission impossible’: er werd een unaniem akkoord bereikt over de modernisering van het pensioenfondsbestuur. Volgens Gerard Verheij, secretaris pensioenbeleid VNO-NCW en voorzitter van de STAR-projectgroep Pension Fund Governance ligt de weg nu open om “te kunnen laten zien dat het wel goed zit met pension fund governance in Nederland.”
Na moeizame onderhandelingen is eind vorig jaar toch nog een akkoord gesloten over de modernisering van het bestuur van onze pensioenfondsen. "Modern" wil in dit verband zeggen:
- transparant;
- met betrokkenheid van alle belanghebbenden;
- met een ruimhartige verantwoording;
- en onder kritisch intern toezicht.
Onder het akkoord staan 10 handtekeningen, waarmee het akkoord kan rekenen op brede steun. Het betreft de handtekeningen van alle 3 de werkgeversorganisaties, van alle 3 de werknemersorganisaties, van de pensioenkoepels OPF en VB, van het Verbond van Verzekeraars en van het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties. Namens VNO-NCW mocht ik als voorzitter leiding geven aan de boeiende discussie in de projectgroep. Voor zover mij bekend is het in de pensioenpolder nog niet eerder voorgekomen dat over een zo'n belangrijk onderwerp zulk een breed akkoord kon worden afgesloten. In die zin mag de PFG-deal niet alleen als een heel belangrijk akkoord worden bestempeld, maar zeker ook als een heel uniek akkoord.
Keuze voor zelfregulering
Met dit akkoord volgt de Nederlandse pensioenwereld de discussie zoals die eerder is gevoerd over de "Corporate Governance" voor beursgenoteerde ondernemingen. In Nederland heeft dat geleid tot de code Tabaksblat. Die discussie was de aanjager voor een soortgelijke discussie in de sfeer van het onderwijs, de gezondheidszorg, de volkshuisvesting e.d. Voorspelbaar was, dat ook de pensioenwereld in die discussie zou worden betrokken. En terecht mijns inziens. En omdat we niets te verbergen hebben en omdat we trots zijn op ons pensioengebouw zijn we die discussie ook vanuit VNO-NCW graag en toekomstgericht aangegaan. Des te groter de vreugde over het feit dat die discussie tot een resultaat heeft geleid waarvoor een breed maatschappelijk draagvlak kon worden gevonden.
Daar is veel aan voorafgegaan. Een oproep van staatssecretaris Rutte (eind 2003), gevolgd door eigen projectstudies van OPF en VB. Een studie door Boer & Croon en Allen & Overy in opdracht van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uitmondend in een verzoek van minister de Geus aan het pensioenveld: "Make me an offer I can't refuse". Daarmee deed hij een dringend beroep op het zelfregelend vermogen van de pensioensector. Als dat zou falen zou alleen nog dwingende wetgeving resteren. Als oud vakbonds man weet minister de Geus heel goed wat dat betekent: overregulering, meer uniformiteit en minder ruimte voor maatwerk. De Stichting van de Arbeid pakte de handschoen op en na enig overleg met de meest betrokken partijen leidde dit tot een verzoek van de Minister aan sociale partners om op korte termijn een aanpak te ontwikkelen gericht op een moderne en transparante inrichting van het bestuur van de Nederlandse pensioenfondsen. De minister verzocht daarbij met klem ook voorstellen te doen die zouden kunnen doorwerken naar de direct verzekerde regelingen en hij verzocht verder om bij de discussie ook de ouderenorganisaties te betrekken. In januari-2004 stelde het bestuur van de Stichting van de Arbeid een brede projectgroep in. In februari-2005 zijn we met de discussie gestart met uiteindelijk een unaniem akkoord in december-2005.
Ruimte voor maatwerk
De kracht van het akkoord ligt naar mijn mening niet alleen in de unanimiteit en het brede draagvlak, maar zeker ook in de gekozen aanpak. Alle gesprekspartners waren het er al snel over eens, dat er geen "code voor pensioenfondsen" moest komen, zoals de code Tabaksblat voor ondernemingen. Dus geen code met de spelregel: "pas toe of leg uit" en ook geen "best-practices". De STAR c.s. kozen voor een "principle-based-benadering". D.w.z. het formuleren van uitgangspunten die in acht moeten worden genomen bij de nadere invulling op decentraal niveau. Dus geen uniforme deken over de hele pensioenpolder. Geen "one-size-fits-all"-benadering. Integendeel. De STAR wilde juist ruimte maken voor maatwerk, ruimte voor eigen keuzes, ruimte voor een invulling die past bij de eigen situatie, de eigen geschiedenis, de eigen cultuur e.d. Maar ook bij de eigen omvang en de eigen populatie. Deze keuze voor de noodzakelijke beleidsruimte is wezenlijk en ook kenmerkend voor het Nederlands collectieve pensioenstelsel waarbinnen een grote verscheidenheid aan regelingen en structuren bestaat.
Het Pensioenkader
Uiteraard moesten de geformuleerde uitgangspunten ook passen binnen het huidige pensioenkader. En dat was nog niet zo eenvoudig, want de pensioenwereld is volop in beweging en de panelen schuiven de laatste jaren nogal fors langs elkaar heen. Relevante ontwikkelingen waarmee rekening moest worden gehouden waren o.a.:
- het nieuwe Financiële ToetsingsKader;
- de nieuwe verslaggevingsregels (IFRS);
- de nieuwe Pensioenwet die bij het parlement in behandeling is;
- het nog lopende 2e Medezeggenschapsconvenant;
- de discussie over de kerntaken van een pensioenfonds;
- de nieuwe inrichting van het toezicht na de fusie van PVK en DNB en na het overhevelen van enkele toezichttaken naar de AFM.
Stuk voor stuk waren dit complicerende omstandigheden die heel vaak voor een hik in de discussie zorgden. Maar nadat het was gelukt om die hobbels te nemen was de basis gelegd voor het gezamenlijk formuleren van de principes voor goed pensioenfondsbestuur inclusief de doorvertaling daarvan naar de direct verzekerde regelingen zoals die in uitvoering zijn bij de commerciële verzekeraars.
De kern van de zaak.
'Pension Fund Governance' betreft zorgvuldig bestuur, intern toezicht, verantwoording, deskundigheid, openheid en goede communicatie. Deze elementen, die zijn ontleend aan het rapport van Allen & Overy en van Boer & Croon, vormden voor de STAR het vertrekpunt van de discussie. Halverwege de rit werd daaraan aanvankelijk ook nog "de medezeggenschap" toegevoegd, maar later is er voor gekozen om dat dossier er voorlopig toch maar buiten te laten. Vooral omdat het niet goed mogelijk bleek om – althans voor de korte termijn – de functies 'interne verantwoording' en 'medezeggenschap' op een eenduidige manier goed bij elkaar te krijgen.
Een ander heel belangrijk vertrekpunt voor de discussie is geweest dat het paritaire bestuur van het pensioenfonds verantwoordelijk blijft voor alles wat door of namens het bestuur geschiedt. Derhalve is het bestuur ook verantwoordelijk voor de keuzes ten aanzien van de inrichting en organisatie van de interne verantwoording en van het intern toezicht. Maar ook voor de communicatie en voor het beheersen van alle risico's die verbonden zijn aan de verschillende activiteiten van het pensioenfonds, al of niet uitbesteed.
Tenslotte was het van groot belang dat alle partijen het erover eens waren dat de pensioenfondsen zich dienen te beperken tot hun kerntaken. En dan bedoelen we: het uitvoeren van pensioenregelingen en het verrichten van werkzaamheden die daarmee rechtstreeks verband houden. Een belangrijk uitgangspunt in dit verband is, dat pensioenfondsen moeten afblijven van individuele pensioenproducten waaraan elke solidariteit ontbreekt. Dat is het exclusieve terrein van de verzekeraars in de z.g. derde pijler.
Naleving wettelijk verankeren
De Stichting van de Arbeid is van oordeel dat ‘goed pensioenfondsbestuur’ niet vrijblijvend mag zijn. Onverlet de eindverantwoordelijkheid van het fondsbestuur hebben wij er gezamenlijk voor gekozen om de naleving van de principes verplicht te stellen en in de Wet te verankeren. Deze wettelijke verankering impliceert tevens dat de naleving van de principes direct onder het toezicht valt van De Nederlandsche Bank. Uiteraard willen de STAR en de andere partijen over de exacte vormgeving van deze wettelijke verankering graag overleggen met SoZaWe. De minister heeft hierop inmiddels positief gereageerd. Hij is bereid die wettelijke verankering op te nemen in de Pensioenwet, na consultatie van alle betrokken partijen. In de nota van de Stichting is daarbij wel aangetekend, dat ook binnen het kader van een wettelijk verplichtgestelde naleving het uitgangspunt blijft gelden, dat de nadere vormgeving van de principes voor goed pensioenfondsbestuur een kwestie van zelfregulering is en blijft.
Positieve reactie van het kabinet.
Naast enige kritiek, o.a. uit de hoek van enkele op afstand staande pensioenwetenschappers en van enkele pensioenspecialisten die de problematiek vanuit hun eigen schuttersputje benaderden, waren de reacties op het PFG-resultaat over het algemeen positief. Bedacht moet worden, dat wij de discussie begonnen met een sterk verdeeld huis. Niet alleen tussen de partijen, maar ook binnen de partijen. Zo was er niet alleen verschil van inzicht tussen VB en OPF, maar ook binnen deze koepels werd er over dit onderwerp lang niet altijd gelijkluidend gedacht. In de STAR-discussie moesten we voorts ook nog de hindernis nemen van het doorvertalen van de principes naar de wereld van de direct verzekerde regelingen. En verder moest er voor het geheel ook nog support worden verworven van de ouderenorganisaties. Toen we daaraan begonnen dachten velen: dat is een ‘mission impossible’. Wij vragen niet om applaus nu het desondanks toch is gelukt om er samen uit te komen. Maar we rekenen wel op een beetje loyaliteit en een beetje positieve grondhouding, ook van degenen die het niet in alles met ons eens zijn.
VNO-NCW is in ieder geval ingenomen met de positieve reactie van minister de Geus. Het is belangrijk dat de minister dit unieke resultaat ondersteunt en ook bereid is de naleving daarvan verplicht te regelen in de nieuwe Pensioenwet. Het is te wensen dat fracties in de Tweede Kamer die positieve toon overnemen, zodat de betrokken partijen zich breed door de politiek gesteund mogen weten als zij de komende twee jaar vorm en inhoud gaan geven aan de principes. Tussentijdse, ongewenste wettelijke interventies kunnen dat proces ernstig frustreren. In die zin is het ook van grote betekenis dat minister de Geus over het initiatiefwetsvoorstel van D66 zegt dat dit wetsvoorstel overbodig is geworden, omdat het zich slecht verdraagt met de uitgangspunten van de STAR. Een terechte conclusie van de minister. De Tweede Kamer zou de behandeling van dit wetsvoorstel in ieder geval moeten opschorten. Beter ware het nog om het wetsvoorstel geheel van de agenda af te voeren en voorrang te geven aan een traject dat wordt gesteund door alle werknemersorganisaties, alle werkgeversorganisaties, alle koepels van pensioenuitvoerders en alle in het CSO samenwerkende ouderenorganisaties. Een breder draagvlak voor de oplossing van een belangrijk en actueel pensioenprobleem is nauwelijks denkbaar.
Oproep tot actie
Na de instemming van minister de Geus kan er van worden uitgegaan, dat de PFG-uitgangspunten van de STAR vanaf 1 januari 2006 van kracht zijn geworden. De implementatietermijn van 2 jaar is dus inmiddels gestart. Elk van de 10 deelnemende partijen zal nu op korte termijn de eigen achterban nader moeten gaan informeren en gaan instrueren met het doel om binnen enkele maan den de eerste stappen op de weg van invulling te zetten. VB, OPF en het Verbond zijn hun activiteiten reeds gestart. Ook wij zullen vanuit VNO-NCW met voorlichtingsbijeenkomsten e.d. het PFG-akkoord in de achterban gaan uitdragen, en met name de ondernemingen met een eigen regeling oproepen om tot actie over te gaan. Het is te hopen dat ook de in het CSO samenwerkende ouderenorganisaties op dit punt binnenkort hun verantwoordelijkheid nemen. Dit alles moet er toe leiden dat eind 2007 in de Nederlandse pensioenpolder de situatie zodanig is gewijzigd dat overal goed functionerende besturen en bestuurders opereren, die weten wat het is om op een eigentijdse en transparante wijze over hun daden aan alle betrokkenen verantwoording af te leggen, mede dankzij het kritische interne toezicht dat dan inmiddels overal functioneert. En dat is nodig om bij de evaluatie begin 2008 te kunnen laten zien dat het wel goed zit met pension fund governance in Nederland en dat er alle reden is om nog heel lang groot vertrouwen te blijven koesteren in het mooiste pensioenstelsel ter wereld met de sociale partners in een hoofdrol, met een pluriforme uitvoeringsorganisatie en met een wetgeving die ondersteunt en stimuleert.
Printbare versie
Related articles:
|