Vragen aan de toezichthouders
Gepubliceerd op: 03 April 2006
(April/Mei 2006)
npn vroeg zijn lezers vragen samen te stellen voor de toezichthouder de Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financicële Markten (AFM). De vragen en antwoorden presenteren wij hieronder.
npn: In het kader van de nieuwe Pensioenwet wordt er gewerkt aan nieuwe jaarverslagstaten die bij DNB moeten worden ingediend. Elk fonds is verplicht om jaarlijks een jaarverslag en een actuarieel jaarrapport, en bij wijziging van de omstandigheden een ABTN te maken. Ten opzichte van de jaarverslageisen van DNB zitten hier overlappingen in. Kunnen we niet voorstellen dat DNB zich bij de jaarverslagstaten beperkt tot die informatie die zij belangrijk vinden en die niet in de overige documenten voorkomt? Waarom wel/niet? In het kader van de beperking van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven (een speerpunt van het huidige kabinet) zou dit een flinke besparing kunnen geven.
DNB: Bij de Nederlandsche Bank staat de beperking van de administratielasten hoog op de agenda. Daarom wordt niet meer opgevraagd dan strikt nodig is en wordt overlap zoveel mogelijk voorkomen. Ook wordt, samen met de betrokken ministeries en het veld, bezien hoe de lasten kunnen worden beperkt. Aansluiten bij interne informatie en bij al beschikbare externe informatie is daarbij een goed middel. Zo wordt getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vereisten voor de jaarrekening, voorzover dat niet strijdig is met de eisen vanuit de (concept-) Pensioenwet en gegevens die nodig zijn voor het risicogebaseerde toezicht. Momenteel loopt daarom een consultatie van het nieuwe rapportagekader bij de pensioenkoepels, het NIVRA en het Actuarieel Genootschap. Daarvóór heeft al eerder overleg met de koepels plaatsgevonden, en zijn naar aanleiding daarvan al aanpassingen doorgevoerd.
npn: Het FTK is nu een feit. Het vermogen en de verplichtingen worden nu op marktwaarde op elkaar afgestemd. De dekkingsgraden variëren nu van circa 105 tot 135. Indien deze maatregel pakweg 15 jaar eerder zou hebben plaatsgevonden, dan zouden de dekkingsgraden aanzienlijk hoger zijn geweest. Vindt u niet dat u deze maatregel (te) laat heeft doorgevoerd? Hoe staat u tegenover een mogelijke schadeclaim van fondsen die schade hebben geleden doordat deze maatregel erg laat is ingevoerd?
DNB: Ideeën over een nieuw toetsingskader zijn door de (toen nog Verzekeringskamer geheten) toezichthouder al in 1997 geformuleerd. Dit gebeurde bij de publicatie van de Actuariële Principes Pensioenfondsen. Daarbij speelde ondermeer de ontwikkeling van de kapitaalmarktrente, die in 1998 zelfs tot dicht bij het niveau van de vaste rekenrente van 4% was gedaald. Als je op dat moment vanuit marktwaarde naar de voorziening keek, bleek dat er weinig prudentie meer in zat. Toen zijn gedachten ontstaan om de voorzichtigheidsmarges transparant te maken, met het oog op stabiliteit van het systeem. Ontwikkeling van een nieuw toetsingskader vergt vervolgens tijd omdat het een proces is van ontwerp, consultatie en politiek-maatschappelijke keuzes.
In zoverre kan niet worden gesteld dat het FTK te laat wordt ingevoerd. Als het FTK, om die theorie desondanks te volgen, begin jaren ’90 was ingevoerd, dan had dit de trendmatige rentedaling en de beurscrash niet voorkomen, maar pensioenfondsen zouden zich eerder bewust zijn geweest van de werkelijke omvang van de reserves en de risico´s. Mogelijk nog belangrijker: er was dan ook gewerkt met het concept van de kostendekkende premie, de premiekortinggrens en de continuïteitsanalyse. Dit had geholpen voorzichtiger te zijn. Pensioenfondsen hebben bij de uitbreiding van hun aandelenbezit, dat op zich een verstandige beslissing was, onvoldoende aandacht besteed aan de risico´s.
npn: Collectieve DC-regelingen kunnen vanuit de werknemer/ pensioenuitvoerder gezien worden als een voorwaardelijke middelloonregeling, waarbij de rechten worden opgebouwd volgens een DB-regeling (salaris/diensttijdregeling) voorzover de dekkingsgraad van het Pensioenfonds dit toelaat.Nu wordt in de PSW noch de PW iets vermeld over dit soort regelingen. Ook ziet men daarin geen concrete aanknopingspunten betreffende hoe men naar deze collectieve DC-regelingen zou moeten kijken in het kader van waardeoverdrachten. Moet de collectieve DC-regeling gezien worden als een niet-reguliere regeling, of toch als een reguliere regeling? En als het laatste van toepassing is: waar komt dan de rekening te liggen van eventuele bijstortingsverplichtingen? Niet bij de werkgever (anders is geen sprake meer van collectief DC onder IFRS), maar hopelijk ook niet bij het Pensioenfonds.
DNB: Collectief DC is een relatief nieuw fenomeen. Het past binnen de trend waarbij risico’s in toenemende mate verschuiven van de onderneming naar de deelnemers in het pensioenfonds. In het algemeen maakt de werkgever daartoe, althans voor een bepaalde periode, een vaste premieafspraak. In feite wordt daarmee voor die periode de mogelijkheid van inhaalpremie uitgesloten. Tegenvallende ontwikkelingen zijn natuurlijk niet uit te sluiten. Dat betekent dat mogelijke tekorten op de gezamenlijke deelnemers moeten worden afgewenteld. In de premieafspraak kan dat meegenomen worden. Als op voorhand de premie hoog genoeg wordt vastgesteld om aan de verplichtingen te kunnen voldoen, dan hoeft een collectief DC-regeling effectief geen verslechtering voor de deelnemers te betekenen in termen van zekerheid. Een duidelijke wens van de sector is om in de Pensioenwet meer duidelijkheid te scheppen over de positie van deelnemers in een dergelijke regeling. Hierbij lijkt het voor de hand te liggen hetzelfde uitgangspunt te hanteren als bij een defined benefit-regeling, te weten: consistentie tussen de regeling, de uitingen daarover en de financiële positie.
Vragen aan de AFM
npn: Op grond van de aanstaande Pensioenwet is de AFM beoogd toezichthouder op het gebied van informatieverstrekking over pensioenopbouw en zorgplicht bij pensioenopbouw op beleggingsbasis. Welke rol ziet de AFM hierbij voor zichzelf inzake pensioenuitvoerders?
AFM: De AFM wil als gedragstoezichthouder bevorderen dat de deelnemer zich bewust wordt van wat zijn pensioen voor hem betekent. Een bewuste deelnemer kan immers weloverwogen keuzes maken ten aanzien van zijn pensioen. Die keuzes kunnen bijvoorbeeld verband houden met het al of niet plegen van waardeoverdracht, het al of niet aanvullen van pensioen of het wel of niet uitruilen van nabestaanden- in ouderdomspensioen.
Hét middel bij uitstek tot verhoging van het pensioenbewustzijn is wat de AFM betreft heldere informatieverstrekking. De AFM acht het cruciaal dat primair de pensioenuitvoerders zelf invulling geven aan de wettelijke informatieplichten, gegeven hun kennis van de informatiebehoeften van (gewezen) deelnemers en gepensioneerden. De AFM oefent alleen daar waar nodig toezicht uit op ‘achterblijvende’ pensioenuitvoerders.
npn: Wat is er nodig wil de deelnemer zich bewust worden van de betekenis van zijn pensioen?
AFM: De deelnemer moet vertrouwen hebben in zijn deelname aan de collectieve pensioenopbouw. Dat vertrouwen zal de deelnemer kunnen krijgen als hij weet wat hij kan verwachten van zijn pensioen en pensioenuitvoerder. De deelnemer moet kunnen begrijpen dat pensioenopbouw niets anders is dan ‘laten beleggen voor later’: er moet geld in dat moet worden belegd om kapitaal op te bouwen voor inkomen na pensionering. Bij de start van de deelname moet informatie beschikbaar zijn voor de deelnemer over de kern van zijn pensioenopbouw: de aard van de toezegging, premies, de kosten, de opbrengsten en de risico’s.
Maar ook de pensioenuitvoerder zelf moet vertrouwen inboezemen door het beschikbaar maken van informatie over de collectieve beleggingen en de verwachtingen daaromtrent. Als een deelnemer zijn eigen pensioenopbouw en de financiële gezondheid van zijn pensioenuitvoerder kan begrijpen, kan hij bijvoorbeeld in geval van baanverandering ook besluiten waardeoverdracht wil plegen of niet.
De AFM acht het totstandgekomen ‘uniform pensioenoverzicht’ overigens een goed voorbeeld van effectieve, doorlopende informatie over het opgebouwde en op te bouwen pensioen. De gekozen standaardisatie leidt tot vergelijkbaarheid en overzichtelijkheid van pensioenopbouw.
npn: Hoe kijkt de AFM aan tegen de deelnemer die moet beleggen voor zijn pensioenopbouw?
AFM: De deelnemer die op grond van de pensioenregeling zelf beleggingskeuzes voor zijn pensioenopbouw moet maken, is een belegger geworden met een specifiek risico: het geen of te weinig pensioenkapitaal op pensioendatum hebben om pensioeninkomen van te kunnen kopen. Juist het doelprofiel, te weten ‘inkomen voor later’, maakt deze vorm van pensioenopbouw (beschikbare premieregelingen met individuele beleggingsvrijheid) tot een riskante: een zeker einddoel (pensioenkapitaal) moet worden bereikt met een onzeker middel, namelijk beleggingen. Beleggen is al riskant; beleggen voor een specifiek doelvermogen, namelijk pensioenkapitaal op pensioendatum, helemaal.
npn: Wat beveelt de AFM aan met betrekking tot de Pensioenwet?
AFM: De AFM stelt voor dat de Pensioenwet op het onderdeel ‘zorgplicht’ mogelijk maakt dat de pensioenuitvoerder hetzij een standaard beleggingsmix aanbeveelt en toepast op de deelnemer (‘life cycling by default’), hetzij op diens verzoek informeert en adviseert over een afwijkende maar noodzakelijkerwijs verstandige beleggingsmix.
Printbare versie
Related articles:
|