Profiel   Contact   Colofon   Adverteren   Abonnementen   Links   Events   Pensions News  



 
 
De geboorte van een nieuwe wet

Gepubliceerd op:  03 April 2006 (April/Mei 2006)
— De Geus: “Ik ben heel tevreden met het resultaat”

De nieuwe Pensioenwet doet heel wat stof opwaaien bij de Nederlandse pensioenfondsen. Het Financieel Toetsingskader (FTK) lijkt grote spierballen te hebben en de communicatie naar de deelnemers wordt strak geregeld. Bram van den Oever sprak met minister De Geus van Sociale Zaken over het hoe en waarom van de nieuwe Pensioenwet.

npn: Waarom vond u dat er een nieuwe Pensioenwet moest komen?

DG: Er zijn eigenlijk vier hoofdredenen. Ten eerste is het van belang dat er toezicht is op een solide evenwicht tussen aanspraken en vermogen. Daarom was het nodig het Financieel Toetsingskader (FTK) te ontwikkelen en dat vast te leggen in de Wet.

En dat toezicht is geen rustige aangelegenheid. Toen ik zelf in de pensioenwereld actief was, was dat evenwicht vanzelfsprekend. We hadden het eigenlijk ontzettend makkelijk: jaar op jaar overstegen de rendementen op de vermogens de inflatie. De enige vraag toendertijd was: hoe hoog wordt de premiekorting dit jaar? In feite was het een luxeprobleem. Dat is nu wel anders, voornamelijk door twee ontwikkelingen. Ten eerste is er nu meer inzicht gekomen in de gevolgen van de vergrijzing, en ten tweede —en dat is meer schoksgewijs gegaan— kwam er een enorme daling van de beurskoersen van de aandelen. We hebben een geleidelijke toename van de beleggingen in aandelen gezien. Door meer in aandelen te gaan beleggen maak je op de lange termijn een fonds stabieler, maar je maakt hem ook gevoelig voor een plotselinge koersval. Die twee zaken hebben geleerd dat het evenwicht tussen aanspraken en vermogen problematisch kan zijn. Dat betekent dat er vanuit de toezichthouder aandacht voor moet zijn; dat vindt ook iedereen.

Vervolgens is de vraag: welke eisen stel je dan? Hoe richt je dat in? Welke dekkingsgraden zijn er, enzovoort. Het doel van het FTK is om dat in de Wet vast te leggen.

Een tweede reden voor de Pensioenwet is om de voorlichting aan de deelnemers op moderne leest te schoeien. De verplichting tot voorlichting is aangescherpt. Daarmee komen we tegemoet aan de behoefte van veel burgers om op 65-jarige leeftijd te weten waar ze aan toe zijn: moet er eventueel bijverzekerd worden? Moet er bijgewerkt worden? En dat geldt ook bij eerdere momenten: bij wisselingen in het leven, bijvoorbeeld het wisselen van baan of van burgerlijke staat. Die dingen nopen tot een zeer goede voorlichting, en we zien dat een aantal fondsen daarin vooruit loopt en een aantal fondsen achterloopt.

Het is van belang dit goed te regelen en daar minimumvoorwaarden aan te stellen, vanuit het oogpunt van het Parlement, maar ook omwille van het algemeen belang. Mensen moeten jaarlijks weten wat hun financiële situatie is. Daar moeten ze hun leven en hun beslissingen op kunnen plannen. Dat heeft ook te maken met veranderingen op de arbeidsmarkt: het is niet meer vanzelfsprekend om een hele carrière lang bij een en dezelfde werkgever te werken of één beroep uit te oefenen. Die vanzelfsprekendheid is niet meer van deze tijd.

Ten derde is er een convenant gemaakt over de zeggenschapsverhouding tussen de verschillende geledingen, en daarbij denk ik met name aan de senioren. Er zijn verschillende lichamen in een pensioenfonds: in welke daarvan zitten de senioren? Dan kom je uit bij vormen van intern toezicht, en dat is in de nieuwe wet aangescherpt. Belangrijk is dat de verschillende geledingen daarin participeren; dat is iets anders dan de arbeidsvoorwaardelijke kern van het pensioenfondsbestuur. Pensioen is uitgesteld loon, dus het is logisch dat werkgever en werknemer daar over beslissen en aan het roer staan. Deelnemers moeten ook na hun pensioen een reële plek hebben in de governance-structuur en daarover mee kunnen beslissen. De nieuwe Pensioenwet biedt daar nieuwe mogelijkheden toe, en een prettige bijkomstigheid is dat het proces van totstandkoming van de nieuwe Pensioenwet de sociale partners en de ouderenorganisaties heeft kunnen stimuleren om nog beter afspraken te maken. Deze afspraken komen nu in de wet.

Tenslotte geeft de nieuwe wet de nodige fundering aan een van de peilers van het unieke Nederlandse pensioenstelsel: het Aanvullend Collectief Pensioen. Ik ben erg tevreden over de karakteristieken van ons pensioenstelsel, en de nieuwe Pensioenwet zorgt ervoor dat we van dat aspect nog lang plezier kunnen hebben.


npn: Zijn er aspecten van de Pensioenwet die er na het overleg anders uit zijn komen te zien dan U in gedachten had?

DG: Nee, er zijn in de overlegprocedure eigenlijk alleen details gefine-tuned, zowel in de discussies over het FTK —die eigenlijk aan de Pensioenwet vooraf zijn gegaan— als in de disputen die zijn gevoerd over voorlichting en de betrokkenheid van senioren. De hoofdlijnen zijn overeind gebleven: soliditeit via het FTK; een op moderne leest geschoeide communicatie; en de zeggenschap van de verschillende geledingen (senioren vooral) zijn allemaal goed geregeld.

Dit is alleen de overlegfase geweest; in het parlement komen er natuurlijk ook nog discussies over, dus er kan nog van alles aan veranderd worden voordat het eindresultaat klaar ligt, maar ik ben zeer tevreden met het resultaat tot dusver. De bedoeling is helemaal overeind gebleven.


npn: 2001/2002 was een erg onrustige tijd. Pensioenfondsen kijken echter naar de lange termijn: het zal binnenkort weer beter gaan. Is de nieuwe Pensioenwet geen overreactie op de aandelensituatie van toen?

DG: Dat denk ik niet. Het hele verhaal van de FTK is tot stand gekomen in heel ordelijke disputen tussen experts en is niet primair politiek gestuurd. De samenleving eist dat rampen worden voorkomen door middel van toezicht. De wat ‘avontuurlijker’ beleggers zijn dan misschien minder blij met dat toezicht, maar de toezichthouder heeft de maatschappelijke plicht ervoor te zorgen dat het pensioengeld van de deelnemers —die weinig verstand hebben van beleggen—niet verdampt. En dat is het tenslotte: het geld van de deelnemers. Dat bepaalde beleggers van de nieuwe regels niet vrolijk worden is all in the game, en heeft te maken met de verschillende rollen. Maar zodra het weer beter gaat met aandelenkoersen is er niemand meer die piept over dit Financieel Toetsingskader.


npn: Wordt er met het FTK en de solvabiliteitseisen die daarmee gepaard gaan niet te veel zekerheid ingebouwd? Bij één pensioenfonds kwam de vereiste dekkingsgraad uit op 210%. Zijn de eisen in de nieuwe wet niet te scherp gesteld?

DG: Als je gewend bent weinig premie te betalen maar wel gouden bergen te beloven dan is zo’n FTK inderdaad niet prettig. Mensen die de FTK de schuld geven van de kostenstijging van de pensioenen zijn meestal degenen die de ogen sluiten voor de gevolgen van onvoorwaardelijke indexatie. Maar je kunt als fondsbestuur niet van twee walletjes eten: je kunt niet én een lage premie willen én aan die indexatie vasthouden. Dat gaat niet. Je kunt niet de mensen een bepaald pensioen beloven en tegelijkertijd de beleidsmatige ruimte verlangen om de zekerheid van de aanspraken aan te passen. Wordt er wel aan zo’n indexatie vastgehouden, dan moet die onzekerheid ook duidelijk aan de deelnemers worden gecommuniceerd. In de jaren ‘80 en ‘90 was er van dat soort onzekerheid geen sprake vanwege de rendementen die keurig boven de inflatie lagen, maar dat is nu anders. Vergelijk het met een verzekeraar: die mag bijvoorbeeld ook niet zomaar van een toezegging afwijken.


npn: Is de beruchte hersteltermijn van een jaar niet te kort? Dat kan gevolgen hebben voor de premies, en de sponsor moet soms bijstorten.

DG: Een veelgehoorde klacht inderdaad. Maar de druk om van die hersteltermijn af te wijken komt voornamelijk van de kant van diverse deelbelangen: lobby’s. Het FTK is echter tot stand gekomen door onafhankelijke experts en geeft niet in de eerste plaats een politiek oordeel weer. De taak die ik voor mezelf zie is om een goed uitgedacht en uitgebalanceerd systeem niet te laten sneuvelen door deelbelangen. Ook in de Tweede Kamer worden parlementariërs bestookt door deze en gene en op het moment dat er een bepaald pensioenfonds geweldig in de problemen komt vanuit dat herstel, dan komt er druk op de hersteltermijn. Maar als er twee pensioenfondsen failliet zijn gegaan, dan zal er weer druk komen voor scherper toezicht. Zo zullen altijd verschillende accenten in zo’n kamerdebat doorklinken, maar het is mijn taak om datgene wat expertmatig goed is uitgedokterd en uitgebalanceerd in de Tweede Kamer overeind te houden.


npn: Hoe denkt u over het geleidelijk verdwijnen van het pensioensysteem in de VS en het Verenigd Koninkrijk? Gaat dat hier ook gebeuren?

DG: Natuurlijk komen er veranderingen, vooral vanwege de schaalvergroting. Maar dat hoeft niet per se slecht te zijn: vooral op het gebied van de administratiekosten kan er bespaard worden, bijvoorbeeld door dat uit te besteden. Ook kunnen meerdere fondsen besluiten een bedrijf in de arm te nemen om de administratie aan uit te besteden; daarmee verdwijnt het fonds zelf niet.

De mogelijkheid voor individuele werknemers om een eigen polis aan te gaan verdwijnt evenmin. Dit zal in de toekomst in bepaalde sectoren zeker gebeuren maar ik vermoed dat het de uitzondering op de regel zal zijn: een individuele polis betekent meer administratiekosten voor de werkgever en de voor de werknemer een duurdere polis.

Ook is de nieuwe situatie flexibeler: de werknemer kan makkelijker binnen een bedrijf of binnen een sector van baan wisselen als daar het pensioenfonds is. Je kunt betere rendementen behalen en er is meer ruimte voor solidariteit met bijvoorbeeld mensen die een tijdje ziek zijn.


npn: Een veel gehoorde kritiek is dat de nieuwe Pensioenwet te veel in detail treedt en zich schuldig maakt aan micromanagement; bijvoorbeeld de eis dat alle communicatie op papier moet gebeuren en niet bijvoorbeeld per e-mail.

DG: De reden dat hieraan eisen worden gesteld is dat de Wetgever de garantie eist dat informatie de mensen bereikt, en papier is daarvoor het meest geschikte medium. Dat voorschrift geldt trouwens alleen voor de startbrief en het jaarlijks pensioenoverzicht. Een spotje op de radio of het sturen van enquêteurs aan huis is een stuk duurder; een telefonische campagne is te onzorgvuldig en geeft te weinig informatie. Een andere optie zou het Internet kunnen zijn maar hiervan is het bereik onder de bevolking te beperkt. Internetgebruik verschilt enorm per generatie, tussen autochtonen en allochtonen, enzovoorts. En dan is het nog de vraag of de informatieverstrekking via links en clicks wel gemakkelijker verloopt.

Datgene wat je op Internet maakt kun je voor een zeer lage prijs laten drukken. Een mailing is goedkoop —je moet heel wat deelnemers hebben wil je over de 100.000 euro zitten aan postzegels— en geeft ook een hogere respons. Er zijn mensen die zeggen, ik ben het er niet mee eens, of ze hebben vragen. Dat is alleen maar goed; zo laten we de mensen meer bewust worden. Daar komt nog bij dat zo’n papieren campagne makkelijker over het jaar is te spreiden, bijvoorbeeld door op postcode of op leeftijdscohort te sorteren. Zo’n spreiding komt in de werkbelasting van een organisatie beter uit.

De nieuwe Pensioenwet stelt alleen algemene minimumeisen; de verdere invulling is vrij. Deze minimumeisen zijn dingen die deelnemers absoluut moeten weten; er zit niets bij wat voor niemand interessant zou zijn. Er blijft volop ruimte over voor maatwerk.


npn: Een ander voorbeeld dat vaak wordt genoemd is de grote hoeveelheid boekhoudkundige regels…

DG: Ik heb daar weinig invloed op. Die veelheid aan boekhoudkundige regels is over komen waaien uit andere landen in Europa en vooral uit Amerika, en is inderdaad een belasting. Maar dat komt voort uit het feit dat er in het verleden allerlei dingen zijn misgegaan. Die belasting zullen we moeten dragen.


npn: De nieuwe wet stelt een minimum toetredingsleeftijd voor deelname aan een fonds. Is dat geen inbreuk op het primaat van de sociale partners?

DG: Het is in feite een gunst naar de sociale partners toe om leeftijdsdiscriminatie te mogen toepassen; dat zou anders niet kunnen. Maar doordat het in de nieuwe Pensioenwet staat mag er wel naar leeftijd worden gediscrimineerd: ze mogen jongere werknemers nu buiten het fonds houden. Daar zie ik ook wel redenen voor, want in bepaalde sectoren zijn dienstverbanden beneden een bepaalde leeftijd heel kortstondig en vluchtig. Deelname aan een pensioenfonds is dan voor de werknemer —vaak kinderen— nauwelijks interessant en voor werkgever een enorme belasting.


npn: Heeft u zelf een levensloopregeling?

DG: Zelf heb ik inderdaad een levensloopregeling. Ik vind dat van belang!


npn: Tenslotte: nog een laatste boodschap aan de fondsen en beleggers?

DG: Kijk heel zorgvuldig naar de professionaliteit van je communicatie met de deelnemers; ik denk dat daarin nog heel veel te winnen valt. Fondsen mogen daarbij best vooruitlopen op de nieuwe Pensioenwet.

Printbare versiePrintbare versie

 


Related articles:
Headlines van andere FT Business publicaties
DPN: Deutsche Pensions & Investment Nachrichten
• Quant in Sicht
• Auf Feindts Terrain
• Brief aus Berlin
European Pensions & Investment News
• Investors short-tempered as sun sets on affordable oil
• New blood keeps wind in AP1’s sails
• Denmark
Nordic Region Pensions & Investments News
• Avoiding the commodities crash fallout
• Danish funds pressured into slashing costs
• Danish fund uses chameleonic strategy to beat credit crisis
Pensions Management - the magazine for pension & investment industry professionals
• Cat food generation can be auto-enrolled, says EU
• Putting the pedal to the metal
• Get under the bonnet
Professional Wealth Management
• Fevered fund houses seek Teutonic cure
• Santander am waits for new golden years
• Selecting the right product
 ARCHIEF



 

Contact
Abonnementen
Privacy Policy
Terms and Conditions
Webmaster

Mailing address: Financial Times Ltd, Number One Southwark Bridge, London, SE1 9HL, United Kingdom

© The Financial Times Limited 2008