Op zoek naar het Europees Pensioenparadijs
Gepubliceerd op: 03 April 2006
(April/Mei 2006)
Volgens DNB kan Nederland zich als vestigingsland voor pensioenfondsen prima meten met landen als Ierland en Luxemburg. Bij buitenlandse instellingen op zoek naar de ideale vestigingsplaats is ons land echter vooralsnog geen populaire pensioenbestemming. Hoe aantrekkelijk is Nederland? Mariska van der Westen ging op zoek naar het pensioenparadijs.
Sinds de EU-pensioenrichtlijn in september 2005 goed en wel van kracht werd, kunnen Europese pensioenregelingen voor hun uitvoering terecht in een lidstaat naar keuze. Het wordt menens met de pensioenwedloop.
Als het erom gaat buitenlandse pensioenklandizie te winnen heeft Nederland alles in huis om concurrenten de loef af te steken, vindt de Nederlandsche Bank. Volgens president van DNB Nout Wellink biedt het Nederlandse “besloten fonds voor gemene rekening” een instrument voor asset-pooling dat niet onderdoet voor Ierse en Luxemburgse constructies. Bovendien zouden de solvabiliteitseisen Nederland tot een aantrekkelijke vestigingsplaats kunnen maken voor buitenlandse pensioeninstellingen. “Nederland kan bieden wat andere landen bieden, en zelfs meer,” aldus Wellink.
Is Nederland een Europees pensioenparadijs?
Dat zou nog wel eens tegen kunnen vallen.
Buitenlandse instellingen lopen de Nederlandse deur niet bepaald plat. Sterker nog: bijna de helft van de Nederlandse pensioenfondsen overweegt om de uitvoering in het buitenland uit te besteden.
“Europese pensioenfondsen zien Nederland niet zitten,” waarschuwen Alfred Slager, Roelof Goudswaard en Peter Kraneveld van PGGM.
Rob ten Wolde, stafdirecteur bestuursadvisering bij AZL, één van de grootste pensioenfondsbeheerders van Nederland: “Ik heb werkelijk nog nooit gelezen dat Nederland in één adem genoemd wordt met landen als Ierland en Luxemburg. Nederland komt in het rijtje aantrekkelijke vestigingslanden niet voor. En dat geeft toch te denken.”
Too little, too late
Op zich gooit het Nederlandse pensioensysteem wereldwijd hoge ogen. “We worden tot ver buiten Europa als een ‘gidsland’ gezien: zelfs de Wereldbank stelt ons systeem als voorbeeld,” verklaart Ten Wolde. Vooral met ’s Neerlands tweede pijler oogsten we genoeg schouderklopjes om er verwend van te raken.
En daar wringt ‘m de schoen, volgens sommige deskundigen. Terwijl andere landen druk doende zijn om de rode loper uit te rollen is Nederland genoeglijk onderuit gaan zitten, in de verwachting dat ’s lands prachtige pensioenreputatie het werk zou doen.
“Waar het tot nog toe aan ontbreekt is een gerichte marketing-inspanning, zegt Roland de Greef, hoofd Pension Legal Services bij Hewitt Associates.
Bovendien is er tot dusver weinig gedaan om gericht ‘grensoverschrijdende’ producten te ontwikkelen, meent Ten Wolde: “In dat opzicht is het verschil met andere landen werkelijk opvallend. In een land als Ierland heeft de overheid direct ingehaakt op de Europese ontwikkelingen door allerlei fiscaal interessante faciliteiten te bieden. Maar we zijn nu een jaar verder, en Nederland is nog maar nauwelijks uit de startblokken gekomen.”
“Andere landen timmeren al veel langer aan de weg,” zegt ook Sonja Barendregt-Roojers, voorzitter pensioenfondsen groep bij PricewaterhouseCoopers. “Inmiddels is de wetgeving aangepast, en op het gebied van asset-pooling kan Nederland de concurrentie met Ierland en Luxemburg nu zeker aan. Het is alleen jammer dat die aanpassing zo lang op zich heeft laten wachten. In dat opzicht heeft de wetgever toch wel een beetje een kans laten liggen.”
Daarnaast hinken Nederlandse facilitaire diensten nog achterop. “Zo heb je in Ierland en Luxemburg custodians die het grensoverschrijdend concept echt omarmen. Hier ten lande moet dat nog nadrukkelijker worden gepromoot,” aldus Barendregt-Roojers.
En als het gaat om meer dan alleen het poolen van de assets is het Nederlands vestigingsklimaat zeker niet van Europees gehalte, zegt Barendregt-Roojers: “Op het gebied van pension-pooling is ons land vooralsnog niet aantrekkelijk. Met name vanwege de stringente Nederlandse regelgeving en strenge solvabiliteitseisen... Het op één lijn brengen van het toezicht in de verschillende Europese landen en de Europese regelgeving zou hier een stap in de goede richting betekenen.”
De vriendelijke reus
Er is vooral kritiek op de prioriteiten die de overheid heeft gesteld. “Nederland heeft zich hoofdzakelijk bezig gehouden met de eigen pensioenwetgeving,” aldus Ten Wolde. “Terwijl een land als Ierland juist direct is overgegaan tot het aanbieden van aantrekkelijke producten. In Nederland is op dat gebied nog niets gebeurd.”
En het ‘besloten fonds voor gemene rekening’ (bFGR) dan? Nu de kapitaalbelasting is afgeschaft hebben we met deze Hollandse klassieker toch een prima product in huis. Het zou hier volgens DNB immers gaan om een beleggingsinstrument van Europese allure.
“Daarmee kunnen we ons zeker meten met Ierland en Luxemburg,” zegt Barendregt-Roojers.
“Maar het FGR is te schimmig, te gebruikersonvriendelijk,” vindt De Greef. “Het is niet gestandaardiseerd, zoals Ierse en Luxemburgse constructies.”
“Enerzijds zou het ‘besloten fonds voor gemene rekening’ dezelfde voordelen bieden als Ierse en Luxemburgse beleggingsvehikels. Maar anderzijds hoor ik dan weer dat het besloten FGR qua fiscale transparantie toch niet ideaal is,” zegt Ten Wolde. “Het probleem is eigenlijk dat niet duidelijk is wat nu precies de mogelijkheden en voordelen van het FGR zijn.”
Het bFGR stemt tot optimisme, maar niet zonder kritiek. Het mag allemaal wel wat moderner, wat ‘sexier’. Terwijl andere landen uitpakken met fiscaal aantrekkelijke beleggingsfaciliteiten, haalt Nederland eenvoudig het gedateerde fonds voor gemene rekening van zolder, zonder er zelfs maar het stof af te blazen. Dat volstaat niet.
“De naam alleen al is archaïsch,” zegt Ten Wolde. “Een ‘fonds voor gemene rekening’, wat moet men zich daar bij voorstellen? De afkorting is niet veel beter. BFGR: het enige dat mij daarbij voor de geest komt is de Grote Vriendelijk Reus van Roald Dahl.”
Het mag vooral ook duidelijker. “Het is hoog tijd voor een objectieve studie, waarin nu eens duidelijk wordt gemaakt wat dit instrument precies aan voor- en nadelen te bieden heeft, of het fiscaal wordt erkend door buitenlandse wetgevers, en hoe het vergelijkt met de Ierse en Luxemburgse vehikels,” zegt Ten Wolde.
Solvabilinarigheid
Naast het feit dat Nederland laat op de Europese ontwikkelingen reageert en producten als het ‘besloten fonds voor gemene rekening’ nog niet overtuigend in de markt heeft gezet, wordt ook het strenge toezichtsregime als een mogelijk nadeel gezien.
Ten Wolde: “Of het hier om een voordeel of een nadeel gaat hangt in feite af van het gezichtspunt. Een werkgever zal meer moeten financieren, en kan dat als een nadeel beschouwen. Maar een gepensioneerde vindt die strengere eisen wel weer prettig.”
“Enerzijds is het Nederlandse toezichtsregime minder aantrekkelijk, doordat de vereiste hoge buffers als te stringent worden ervaren. Men moet in Nederland immers meer voorfinancieren. Anderzijds is dit wel weer goed voor het vertrouwen op de lange termijn,” beaamt De Greef.
Toch vrezen deskundigen dat buitenlandse fondsen terugschrikken voor de vaak als extreem ervaren FTK-vereisten. “Door de korte-termijnfocus van het FTK zou Nederland aan het kortste eind kunnen trekken als het erom gaat buitenlandse pensioenfondsen te werven. Om dat te voorkomen is een beleidsaanpassing te overwegen,” meent De Greef. De Nederlandse regelgeving lijkt doorgeslagen naar ‘teveel van het goede’.
“Collectiviteit is natuurlijk een groot goed, en dat moet bewaard blijven. Maar juist daarom kan het niet de bedoeling zijn dat men wordt gedwongen naar Defined Contribution-regelingen over te stappen,” meent Barendregt-Roojers.
De Greef valt haar bij: “Het nadeel van Nederland is dat alles dichtgeregeld wordt. Zo is het FTK eigenlijk een krampachtige reactie op de beursdaling van enkele jaren geleden, waarbij DNB alleen heeft gekeken naar herstel op de korte termijn. Gezien door een macro-economische bril is de aanpak van FTK natuurlijk niet verstandig.”
“Nederlandse pensioenfondsen zullen niet gauw vertrekken. Die zijn tezeer gehecht aan het Hollandse systeem,” voegt hij toe. “Maar instellingen met een moederbedrijf in het buitenland overwegen wel om naar een andere lidstaat te gaan. Ik zie daar nu al voorbeelden van in de praktijk.”
“Multinationals zullen mogelijk gaan ‘solvency-shoppen’. Ik maak me daar best zorgen over,” zegt Barendregt-Roojers. “Het Nederlands regime vraagt al snel om een dekkingsgraad van meer dan 125%. Als daarmee de vereiste buffers veel hoger zijn dan in andere landen zal een multinational niet snel voor Nederland kiezen.”
De nodige beleidsaanpassing mag niet te lang meer uitblijven. “Heel veel multinationals denken erover om met pension pooling te beginnen – het wachten is op wie als eerste de spits afbijt. De toezichthouder zal dus toch echt binnen afzienbare tijd actie moeten ondernemen,” aldus Barendregt-Roojers. “Naar ik begrijp is men echter al vijf jaar in gesprek met de buitenlandse toezichthouders, maar het blijft bij praten... Ik zie nog geen echte beweging.”
Nederland aan de man
Om Nederland als vestigingsland aanlokkelijk te maken dient er dus nog heel wat te gebeuren. De Greef: “Allereerst moeten de voordelen van Nederland als vestigingsplaats in kaart worden gebracht en actief worden uitgedragen, terwijl de nadelen moeten worden onderkend en aangepakt. We hebben ondertussen bezoek gehad van DNB – men is dus inmiddels met deze inventarisatie begonnen.”
De Greef is voorstander van een actief wervingsbeleid: “We hebben een task force, of agentschap nodig dat de ‘unique selling points’ van ons land onder de aandacht brengt. Er moet meer worden gedaan om Nederland aan de man te brengen.”
“Nederland moet hoognodig aan marketing gaan doen,” zegt ook Ten Wolde. “En dan moeten we ons realiseren dat we al een jaar achterlopen. Dus haast is geboden.”
De Greef: “Het feit dat de pensioenkoepels en nu ook DNB hierin het voortouw nemen geeft wel aan dat men doordrongen is van het belang om actie te ondernemen. Ik verwacht dat er op redelijk korte termijn een puntenplan komt met concrete voorstellen om het beleid aan te passen, met name ten aanzien van toezicht en FTK. Dat wordt nog spannend: het nieuwe toetsingskader is immers al in vergevorderd stadium. De vraag is of de betreffende werkgroep op tijd zal komen met oplossingen, en voldoende gewicht in de schaal legt om de nodige aanpassingen te bewerkstelligen.”
Als Nederlander, “toch uit een soort vaderlandsliefde”, zou De Greef het jammer vinden als Nederland de boot zou missen. “Nederland heeft toch een mooi systeem. Maar de kortetermijnfixatie alsmede het niveau van de buffers van het FTK zouden Nederland als vestigingsland kunnen opbreken.”
Ten Wolde: “We hebben veel te bieden op gebied van ervaring, expertise en infrastructuur. En we hebben een zeer belangrijke taak in het uitdragen van de voordelen van een collectieve tweede pijler. Maar daar moeten we wel echt werk van maken.”
De Pan-Europese droom
Ondanks de Europese pensioenfondsenrichtlijn die in september 2005 van kracht werd is een echt pan-Europees pensioenfonds voorlopig niet meer dan een droom.
Op papier kan een bedrijf met werknemers in meerdere Europese lidstaten de aanvullende pensioenregelingen onderbrengen bij één enkele pensioeninstelling. Maar bij de uitvoering van de regeling blijft de fiscale en sociale wetgeving van elke betrokken lidstaat van kracht, en van enige afstemming is nog geen sprake.
“Om een pan-Europees pensioenfonds op te richten moet een bedrijf met alle betrokken lidstaten afzonderlijke afspraken maken – een arbeidsintensief proces waarvan de uitkomst onzeker is," zegt De Greef. Het is immers mogelijk dat met sommige landen geen goede overeenkomst wordt bereikt. Vervolgens moet bij de uitvoering de sociale en fiscale wetgeving van elk land worden geïmplementeerd.
Dat vergt enorm veel kennis, investering en inspanning, en is alleen interessant voor heel grote concerns. Veel multinationale bedrijven laten de Europese insteek daarom maar zitten, ook al loopt men daarmee fiscale faciliteiten mis.
Zo kiest bijvoorbeeld ABN toch maar voor een soort ‘spaarbankboekje’ in plaats van een pan-Europese regeling. Het concept van een pan-Europees fonds is heel mooi. Maar in de praktijk blijft het voorlopig behelpen.”
“Beleggingsvehikels samenbrengen, dat kan iedereen. Daar is geen Europese richtlijn voor nodig. Maar een echt centrale pensioenadministratie is een ander verhaal,” zegt ook Ten Wolde. “Als je bijvoorbeeld in Pamplona een kantoor neerzet dat de pensioenadministratie voor deelnemers in vijf verschillende landen verzorgt, dan moet dat kantoor de sociale en arbeidswetgeving van elk van die landen implementeren... Dat is bijna onmogelijk. Dat zie ik dus niet gebeuren.”
Als voor asset-pooling geen richtlijn nodig is, en pan-Europese pensioenfondsen er in de praktijk niet inzitten, wat is dan het belang van de Europese pensioenfondsenrichtlijn?
“Ten eerste stelt de richtlijn bepaalde minimale eisen aan de bedrijfsvoering. Eisen waaraan niet alleen bestaande fondsen voldoen, maar die evenzeer gelden voor nieuw op te richten fondsen in landen die nu nog geen tweede pijler kennen. Ten aanzien van bedrijfsvoering verschaft de richtlijn zo een basis-garantie die heel Europa bestrijkt,” legt Ten Wolde uit.
“Bovendien hebben we nu tenminste iets om mee aan de slag te gaan. De richtlijn zal zeker nog evolueren, maar evolutie moet ergens beginnen. Dat begin is er nu. En dat is een goede zaak.”
Europa: de moeite waard?
Als er toch niet echt pan-Europees kan worden gepensioneerd (zie linkerpagina), is het dan wel zinvol zich op de Europese markt te oriënteren?
Zonder meer, aldus de deskundigen.
De cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek liegen er niet om: in 1996 werd 80% van de pensioengelden nog in eigen land belegd; in 2000 was dat nog maar de helft. Eind 2004 belegden pensioenfondsen zo’n 75% in buitenlandse aandelen en obligaties. Bovendien bleek uit recent KPMG-onderzoek dat veel Nederlandse pensioenfondsen overwegen vermogensbeheer of pensioenadministratie uit te besteden aan een buitenlandse partij. De globalisering is ook in pensioenland aan een opmars begonnen, en wie niet meedoet blijft achter.
In dit kader is een adequate oriëntatie op de Europese interne markt onontbeerlijk.
Op het gebied van internationale pensioensamenwerking wordt momenteel vooral gedacht aan landen die qua pensioensysteem aansluiten bij Nederland, zoals het Verenigd Koninkrijk. Maar daarnaast ziet het ernaar uit dat landen als Italië en Duitsland hun tot nog toe zwakke tweede pijler zullen gaan uitbouwen. Daarmee worden voor de Nederlandse pensioenindustrie ook deze landen interessant.
Bovendien zoeken Oost-Europese landen naarstig naar alternatieven voor het achterhaalde communistische sociale zekerheidssysteem. “Juist deze landen zouden kunnen profiteren van de Nederlandse expertise,” vertelt Ten Wolde. Nederland zou de know-how en het toezichts- en ervaringskader kunnen bieden om het tweede-pijler vacuum te vullen.
“Wat je nu ziet in de Middellandse-Zeelanden en met name ook in Oost-Europa is dat de tweede pijler, in de vorm van lijfrentes. als het ware wordt overgeslagen. Men schakelt van de wettelijke sociale zekerheid direct door naar de derde pijler. Dat is zonde... Dat betreur ik ten zeerste,” zegt Ten Wolde. “Ook in Brussel is men de laatste tijd zeer gecharmeerd van individuele accounts. Vooral omdat die natuurlijk veel mobieler zijn. Maar de kosten zijn hoger; men heeft veel minder te vertellen, en men is overgeleverd aan verzekeraars die niet altijd even transparant zijn.”
Een sterke collectieve tweede pijler verdiend verre de voorkeur, volgens Ten Wolde. In dat opzicht kan Nederland als Europese speler niet alleen een kans benutten maar ook een belangrijke verantwoordelijkheid nemen.
“Door pensioenen op collectief niveau te regelen deel je ook de risico’s. Hoe groter het collectief, hoe lager de kosten, en hoe hoger ook de opbrengsten. Die Nederlandse collectieve benadering biedt dus hele grote voordelen. Dat moeten we uitdragen,” aldus Ten Wolde.
Printbare versie
Related articles:
|