Een profijtelijke vorm van solidariteit
Gepubliceerd op: 22 Juni 2006
(Juni/Juli 2006)
|
|
Staf Depla, lid Tweede-
Kamerfractie PvdA
|
Samen sparen voor je oude dag is een profijtelijke vorm van solidariteit. Door deze solidariteit tussen en binnen generaties kan met dezelfde euro een hoger pensioen worden opgebouwd. Het gevolg is dat vele ouderen zich na hun pensionering geen zorgen over hun koopkracht hoeven te maken. We zijn in Nederland dan ook terecht trots op ons pensioenstelsel. De nieuwe Pensioenwet moet er voor zorgen dat dit stelsel blijft bestaan en wordt verbeterd.
De wet is een stap in de goede richting. Maar op een aantal punten zal het Parlement verbeteringen moeten aanbrengen.
Pensioen een zaak van sociale partners, waar bemoeit de overheid zich tegenaan?
Pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Pensioen is “uitgesteld loon”. Daar gaan dus, net als bij de vaststelling van salaris en andere arbeidsvoorwaarden, de sociale partners over. Sociale partners regelen per bedrijfstak het aanvullend pensioen. Op die manier voorkomen we Italiaanse toestanden: in Italië is de overheid verantwoordelijk, en als het tegenzit wordt de rekening doorgeschoven naar volgende generaties. In het Verenigd Koninkrijk zien we het andere uiterste. Daar is pensioen ieders eigen verantwoordelijkheid. Het gevolg is dat mensen er na hun 65e gewoon door moeten werken. In Nederland worden de pensioenopbouw en het beheer krachtig door de sociale partners gesteund. Goed pensioenbeheer en noodzakelijke aanpassingen worden doorgevoerd omdat men accepteert dat financiële problemen binnen eigen kring moeten worden opgelost. Ondanks kritiek op vakbonden dat ze vooral ouderen vertegenwoordigen hebben zij het pensioenstelsel fors aangepast zodat het ook aantrekkelijk blijft voor jongere generaties.
De politiek bemoeit zich er toch tegenaan. En wel om vier redenen:
- De politiek is verantwoordelijk voor onafhankelijk financieel toezicht zodat er voldoende middelen in kas zijn om de toegezegde pensioenen (uitgesteld loon) ook te kunnen uitbetalen. Pensioensparen is de profijtelijke vorm van solidariteit tussen en binnen generaties. Deze solidariteit wordt uitgehold als gewekte verwachtingen niet waargemaakt worden omdat er te weinig geld in kas is. Of als onbetaalde rekeningen naar de toekomst worden doorgeschoven.
- De overheid heeft de taak outsiders (jongeren, ouderen, vrouwen) te behoeden voor uitsluiting.
- De overheid is ervoor om zaken als gelijke behandeling en dergelijke. te waarborgen.
- De effecten van pensioenspaargelden op de economie zijn groot.
Een waardevast pensioen voor iedereen
De sociale partners gaan over de inhoud van de pensioenregeling. Dat wil niet zeggen dat je daar als politieke partij geen opvatting over mag hebben. Een waardevast pensioen voor iedereen was de leus van de PvdA in het verkiezingsprogramma van 2002 en 2003 . Een waardevast pensioen omdat een pensioen dat niet geïndexeerd is in 20 jaar tijd de helft van zijn koopkracht verliest. Een pensioen voor iedereen omdat een bepaalde groep (ongeveer 10% van de werknemers) geen oudedagsvoorziening opbouwt met als gevolg dat we dadelijk een scherpe tweedeling krijgen tussen rijke en arme ouderen.
Wettelijk indexatie verplichtstellen lijkt een aantrekkelijke gedachte. Maar los van de vraag in hoeverre je mag ingrijpen in de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden was het technisch onmogelijk en ook economisch ongewenst. Onvoorwaardelijke indexatie leidt tot zeer hoge premies. Om toch de koopkracht van gepensioneerden te beschermen hebben we nu de oplossing gezocht in de aanscherping van het financieel toezicht.
De overheid houdt toezicht op de kas van verzekeraars en pensioenfondsen zodat deze al de pensioenen die ze toegezegd hebben kunnen uitkeren. Ook wanneer bedrijven failliet zijn gegaan, en ook op lange termijn bij de pensioenen van de jongere generaties. Gebleken is dat het toezicht in de jaren negentig heeft gefaald. Door het optimisme op de beurs is destijds geen kostendekkende premie betaald. De pensioenpremies werden laag gehouden, waardoor de loonruimte groter was. De pensioenverplichtingen stegen daardoor sterk, en de premies bleven achter. Toen de beurzen onderuit gingen moesten de pensioenpremies fors omhoog. Dit was bijzonder problematisch: juist toen het economisch tegenzat werd er een extra rem op de economie gezet.
Ook is er een periode minder geïndexeerd. Zo hebben gepensioneerde ambtenaren de laatste twee jaar bij een inflatie van 4% maar 0,17% inflatiecorrectie gekregen. Het is de vraag of dit koopkrachtverlies ooit ingehaald wordt.
Bovendien zijn de pensioenenregelingen voor vele miljarden versoberd. Het gros van de werknemers heeft dit niet in de gaten gehad. Deze versobering ging samen met een modernisering: lagere franchise (inkomen dat is vrijgesteld van pensioenopbouw i.v.m. veronderstelde AOW-rechten), van pensioen gebaseerd op eindloon naar middelloon, en van kapitaalgedekt nabestaandenpensioen naar nabestaandenpensioen op risicobasis.
Kern nieuw financieel toezicht
In de nieuwe pensioenwet is het nieuwe FTK opgenomen. Het toetsingskader moet fouten uit de jaren negentig voorkomen en de kans op een waardevast pensioen vergroten. De kernpunten zijn dat:
- er een kostendekkende pensioenpremie wordt betaald. Als je immers een kostendekkende premie betaalt bouw je zoveel reserves op dat je een stootje kunt hebben. Uit het rendement van de reserves kan je de indexatie betalen.
- de pensioenfondsen een continuïteitsplan maken. In dit plan staat wanneer men welke actie onderneemt als de reserves beneden een bepaalde kritische grens dalen. Deze acties kunnen variëren van premieverhoging tot achterwege laten of beperken van indexatie, of tot afstempeling van rechten.
- als de reserves beneden een nog kritischer grens zakken (dekkingsgraad van 105%) er een plan gemaakt moet worden om binnen één tot drie jaar uit de problemen te raken.
- er bij vermeende overschotten door de werkgever geen geld uit de pensioenkas gehaald mag worden.
Bovenstaand nieuw toetsingskader is een forse verbetering t.o.v. de oude situatie. Anderzijds vinden pensioenfondsen en economen het toetsingskader op een aantal punten echter te streng. Als dit inderdaad zo is leidt dit tot onnodig hoge premies of onnodig versoberde pensioenregelingen.
De toezichthouder zegt terecht dat de pensioenfondsen geen knollen voor citroenen mogen verkopen. Want als je minder premie laat betalen en toch evenveel pensioen belooft is de kans dat je die belofte waar kunt maken kleiner. In de huidige situatie loopt de dekkingsgraad weer op maar worden pensioenen bij veel fondsen meerdere jaren niet geïndexeerd. Dan kan je de vraag stellen wat het eerlijkste is: zeggen dat je pensioen minder waard is en wel indexeren of zeggen dat tijdelijk je pensioen niet meegroeit met de inflatie.
Het is uiteindelijk de politiek die moet beslissen of de zekerheidsmarges niet te ruim zijn gekozen in het wetsvoorstel. We moeten een besluit nemen over de hersteltermijnen, kostendekkende premies, verwachte rendementen en zekerheidsmarges. Een zware taak, zeker als de deskundigen tegenstrijdige adviezen geven. Daarom wil ik de komende maanden de mening van nog meerdere deskundigen horen, zoals de mening van het CPB. De Minister vindt dat een overbodige wens. Ik niet. Hieronder een voorbeeld van de afwegingen die een rol spelen.
Beleggers moet je soms hun speeltje afpakken
De beleggingsresultaten zijn bij veel pensioenfondsen (met name waar de verhouding actieven/niet actieven kleiner wordt) belangrijker geworden dan de premie-inkomsten. Als de reserves beneden een bepaalde grens zakken moet de toezichthouder ingrijpen. Dat is jammer, want als de beurs dan weer stijgt heb je voor niks aandelen verkocht en ben je rendement misgelopen. En dat gaat ten koste van de pensioenen. Toch moet er een moment zijn dat “het speeltje van de beleggers wordt afgepakt”. Want ook al is de kans klein, het risico bestaat dat de beurzen verder inzakken of het bedrijf failliet gaat, en dan hebben de gepensioneerden en werknemers niets meer of veel minder.
In de wet zijn regels vastgelegd bij welke dekkingsgraad de toezichthouder in moet grijpen. In de wet is geregeld dat in zo’n situatie binnen één jaar de ondergrens weer moet zijn bereikt. Op zich klinkt dit logisch. Maar de fondsen moeten dan aandelen verkopen en de premie fors verhogen. Als fondsen niet één maar drie jaar de tijd krijgen is de aanpassing geleidelijker. De pensioenpremie hoeft minder omhoog en er hoeven minder aandelen te worden verkocht juist op het moment dat de beurs een dieptepunt bereikt. Dit heeft ook het voordeel dat ingrijpen minder procyclisch is.
Als het slecht gaat moeten de pensioenpremies fors omhoog. De Nederlandsche Bank kiest echter een andere redenering: als een pensioenfonds genoeg reserves opbouwt zal het niet zover hoeven te komen. Bovendien wil de toezichthouder maatwerk bieden. Kortom, als we de Minister en de Nederlandsche Bank moeten geloven maken we ons zorgen om niets.
Maatwerk is inderdaad nodig. Als we vasthouden aan de hersteltermijn van een jaar moet de toezichthouder kunnen bepalen dat voor een aantal fondsen drie jaar ook prima is. Als we kiezen voor drie jaar moet de toezichthouder ook kunnen beslissen dat voor een aantal fondsen toch vastgehouden wordt aan die eenjarige termijn. Hiervoor zouden in de wet criteria moeten worden opgesteld. Hierbij denken we bijvoorbeeld aan een rijp fonds met een financieel zwakke werkgever en weinig premiebetalende werknemers.
Communicatie over kwaliteitregeling moet beter: wasmachinelabels
De kracht van het Nederlands pensioenstelsel is dat werkgevers en werknemers in slechte economische tijden de regeling kunnen aanpassen. De zwakte van ons pensioenstelsel is dat de meeste werknemers en gepensioneerden problemen pas bemerken als ze met pensioen gaan, de indexatie tegenvalt of als ze hun partner verliezen. Daarom is goede en open communicatie voor het Nederlandse pensioenstelsel van levensbelang. Daarvoor heeft de wetgever een indexatiematrix in het leven geroepen. Die is echter onleesbaar. Een tweede bezwaar is dat deze indexatiematrix niet alleen voor de communicatie naar de deelnemers en gepensioneerden gebruikt wordt maar ook door de toezichthouder. Het gevolg is dat fondsen zo min mogelijk beloven, want dan zit de toezichthouder hen tenminste niet op de nek. Ten derde leidt de matrix tot veel ingewikkelde regels.
Wij hebben daarom voorgesteld om net als bij auto’s of wasmachine met labels te werken. Werknemers en gepensioneerden kunnen dan in een oogopslag zien wat de kwaliteit van hun regeling is. Dit is van belang als je ergens gaat werken. Dan moet je immers niet alleen kijken naar het salaris, het aantal vakantiedagen en de leaseauto maar ook naar het pensioen. En het is belangrijk als je voor de keuze staat om je pensioen over te brengen naar ander fonds (waardeoverdracht bij verwisseling van baan). Waardeoverdracht naar een pensioenfonds met een veel slechter label kan je beter nalaten.
Het is de toezichthouder die moet beoordelen of het fonds het juiste label hanteert.
Macht vraagt tegenmacht. Door meer duidelijkheid te geven over de waarde van een pensioenregeling voor koopkrachtbehoud na pensionering vergroten we de druk vanuit werknemers als de regeling te mager is.
Opvallend is dat het huidige stelsel er toe leidt dat het toezicht scherper wordt naarmate de regeling beter is. Immers, als je weinig belooft hoef je ook weinig waar te maken. Inzake voorlichting willen we de informatieplicht van slechte regelingen (beschikbare premieregeling) relatief zwaarder maken zodat deelnemers weten waar ze aan toe zijn. Zo zou er niet alleen informatie moeten worden verstrekt over het ingelegd kapitaal maar ook over de verwachte uitkering.
Printbare versie
Related articles:
|