Verandering belastingwetgeving Nederlandse beleggingsinstellingen
Gepubliceerd op: 22 Juni 2006
(Juni/Juli 2006)
|
|
Dr. Martine Peters, belastingkundige
Clifford Chance LLP, Amsterdam
|
In het februarinummer van npn werd reeds ingegaan op de verwachte introductie van een nieuw beleggingsfondsen-regime in Nederland, de zogenoemde luxevariant. De introductie van dit nieuwe regime, naast de huidige Fiscale Beleggings Instelling (FBI), zou de concurrentiepositie van Nederland als fondsenland moeten verbeteren. Inmiddels is het wetsvoorstel van dit nieuwe regime bekend geworden. Hoewel het wetsvoorstel in grote lijnen overeenkomt met de verwachtingen, bevat het op een aantal punten opvallende eisen waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het nieuwe regime. Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de (niet-fiscale) regels die gelden voor collectieve beleggingsinstellingen (ICBE’s). Tevens zijn in het wetsvoorstel wijzigingen voorgesteld ter zake het huidige regime voor FBI’s.
Het regime van de vrijgestelde belegginginstelling (“VBI”), zoals de officiële benaming van de luxe variant luidt, geeft zoals verwacht een volledige vrijstelling voor Nederlandse vennootschapsbelasting en dividendbelasting. Verder kent het regime geen aandeelhouders- en financieringseisen. Onder toepassing van het nieuwe regime bestaat, in tegenstelling tot bij de huidige FBI, geen recht op teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting op Nederlandse beleggingen en ontbreekt het recht op toepassing van dubbele belastingverdragen.
Het regime staat slechts open voor beleggingsinstellingen die beschikken over een Wtb-vergunning. Indien geen vergunning nodig is op basis van de wet of de Vrijstellingsregeling Wtb, kan men ook opteren. Voorts dient het beleggingsfonds een open-eind karakter te hebben. Met andere woorden, indien de fondsvoorwaarden niet voorschrijven dat aandeelhouders te allen tijde participaties aan het fonds ter inkoop kunnen aanbieden, kan het fonds de VBI status niet aanvragen. Vanuit fiscale optiek is geen argument te bedenken waarom het fonds open-eind zou moeten zijn.
Het VBI-regime kan slechts van toepassing zijn indien het fonds “uitsluitend belegt in financiële instrumenten, met toepassing van het beginsel van risicospreiding.” Zoals verwacht kan een VBI derhalve niet beleggen in onroerende zaken. De voorgestelde restrictie gaat echter een stuk verder. Ten eerste is onduidelijk wat met “risicospreiding” wordt bedoeld. Betekent dit dat alleen een fonds dat grotendeels in één onderneming of schuldvordering belegt niet kwalificeert, of worden fondsen die slechts in een bepaalde branche beleggen ook uitgesloten? Ook kan men zich afvragen of hedge funds met een agressief c.q. speculatief beleggingsbeleid voldoen aan de vereiste van “het beginsel van risicospreiding.”
Ten tweede geeft de wet een limitatieve opsomming van de instrumenten waarin mag worden belegd. Hieruit blijkt dat niet alle derivaten als goedgekeurd instrument gelden. Zo blijft het onduidelijk of het uitlenen van aandelen of obligaties of het aangaan van repotransacties leidt tot verlies van de VBI-status. Ook kwalificeren swaps welke zien op de obligaties niet als “financieel instrument”. Verder is in de toelichting op het wetsvoorstel aangegeven dat de vrijstelling wordt beperkt tot lichamen die beleggen in liquide effecten. Onduidelijk is of hieronder alleen beursgenoteerde effecten vallen of dat dit begrip breder moet worden opgevat.
Het wetsvoorstel bevat tevens wijzigingen ten aanzien van het bestaande FBI-regime. Het huidige regime kent verschillende aandeelhouderseisen ten aanzien van beursgenoteerde (minder dan 45% van aandeelhouders is vennootschapsbelastingplichtig) en niet-beursgenoteerde FBI’s (minder dan 25% van de aandeelhouders is vennootschapsbelastingplichtig). Het onderscheidend criterium wordt nu of een fonds een Wtb-vergunning heeft (of daarvan als ICBE is vrijgesteld). In dat geval mag de lichtere aandeelhoudereis worden toegepast. Indien het fonds zelf geen, maar de beheerder van het fonds wel een Wtb-vergunning heeft, mag ook de lichtere aandeelhouderseis worden toegepast.
Het is opmerkelijk dat de wet voor het FBI-regime, in tegenstelling tot het VBI-regime, niet aansluit bij de Vrijstellingsregeling Wtb. Immers kan een vrijstelling van een vergunning ook worden verkregen indien de participaties alleen worden aangeboden aan professionele beleggers (bijvoorbeeld pensioenfondsen, verzekeraars etc.), het fonds minder dan 100 participanten heeft of participaties uitgeeft met een minimale denominatie van 50.000 euro. Onduidelijk is welke fiscale argumenten er bestaan om een fonds dat op basis van deze regels is vrijgesteld uit te sluiten van de lichtere aandeelhouderseis.
Zowel ten aanzien van het VBI- als het FBI-regime kan worden gesteld dat de nieuwe voorwaarden verder gaan dan fiscaal noodzakelijk is. Wil het regime, zowel op fiscaal als op toezichtsrechtelijk gebied, echt concurrerend zijn, dan zal tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel hier en daar nog wat gerepareerd moeten worden.
Printbare versie
Related articles:
|