Hoe vordert de nieuwe pensioenwet?
Gepubliceerd op: 02 Oktober 2006
|
|
Pieter Omtzigt,
Tweede Kamerlid voor het CDA
|
De Pensioenwet ligt op tafel in de Tweede Kamer. Bram van den Oever sprak met Pieter Omtzigt, Tweede Kamerlid voor het CDA, over de heikele punten in het debat.
npn: De nieuwe pensioenwet wordt inmiddels besproken in de Tweede Kamer. Kunt u iets vertellen over de discussie rond bijvoorbeeld het medezeggenschapsdossier?
PO: Recentelijk is de minister van Sociale Zaken, Aart-Jan de Geus, met een nota van wijziging gekomen waarin hij het medezeggenschapsdossier aanpakt. De nota houdt in dat het convenant in de wet wordt vastgelegd. Ik denk dat dit een goede zaak is.
Allereerst is het goed dat de ouderenbonden en de pensioenfondsen hierover zelf overeenstemming hebben bereikt. Bedrijfstakpensioenfondsen zullen straks allemaal een deelnemersraad hebben. Bij ondernemingspensioenfondsen, waar nog geen vertegenwoordiging geregeld is, kunnen de gepensioneerde deelnemers kiezen tussen een zetel in het bestuur en een deelnemersraad. Dit akkoord wordt nu in de wet vastgelegd. Medezeggenschap wordt hiermee een wettelijk afdwingbaar recht voor gepensioneerden, en dat juich ik ten zeerste toe.
Ten tweede is het denk ik goed dat de rechten zoals die worden vastgelegd ook niet doorslaan naar de andere kant, waar dergelijke rechten de besturen van pensioenfondsen zouden kunnen verlammen. Wij waren als CDA heel erg gekant tegen een vetorecht voor gepensioneerden in een bestuur of deelnemersraad, zoals dat was opgenomen in het wetsvoorstel van D66. Want dan zouden ook andere partijen, zoals de betalende werkgevers en werknemers, een vetorecht moeten hebben. Zo’n vetorecht is gelukkig niet in het akkoord voor de nieuwe wetgeving opgenomen.
Over het algemeen denk ik dat een evenwichtige oplossing is bereikt die past in een tijd waarin het aantal gepensioneerden toeneemt.
npn: Als de pensioenfondsen op het gebied van medezeggenschap al een akkoord hebben bereikt, waarom is er dan nog een wettelijke regeling nodig?
PO: Als een pensioenfonds niet zou meewerken geeft de wet deelnemers een afdwingbaar recht om in het pensioenfonds vertegenwoordigd te zijn. Dat is een belangrijk voordeel.
De meeste pensioenfondsen - en zeker de grotere pensioenfondsen - hebben een dergelijke regeling al lang en breed geïmplementeerd. Alleen zijn er nog net iets te veel achterblijvers, en die zullen nu ook in de pas moeten gaan lopen.
npn: Hoe vordert de discussie rondom de hersteltermijn in het geval dat de dekkingsgraad van een pensioenfonds onder de 105% geraakt?
PO: Wij vinden dat die hersteltermijn redelijk moet zijn, en neigen naar een wat langere termijn dan de nu strikt vastgelegde hersteltermijn van één jaar met afwijkmogelijkheden. Ook bij een langere hersteltermijn moet overigens de mogelijkheid blijven bestaan om vanuit de toezichthouder goed maatwerk te leveren. Dit maatwerk moet dan ook echt worden toegepast, wat betekent dat een wat jonger fonds misschien wat meer tijd moet krijgen dan een gesloten fonds.
Vast staat wel dat we in Nederland pensioenfondsen hebben die netjes weer boven de 105% dekkingsgraad blijven. Als men naar een aantal andere landen kijkt dan zie je daar pensioenfondsen die lange tijd beneden de 100% dekkingsgraad blijven en daardoor helemaal wegzakken, zoals in de Verenigde Staten. Ik ben blij dat we dat in Nederland weten te voorkomen. Er is weliswaar massaal gekort op indexatie, maar de nominale pensioenrechten - en daarmee het vertrouwen in het pensioenstelsel - zijn recht overeind gebleven.
npn: U zegt dat er ruimte dient te zijn voor maatwerk. Tegelijkertijd bent u voorstander van een vaste termijn moet worden gehanteerd. Kunt u dat eens uitleggen?
PO: Er moet een zekere maatstaf zijn, anders heeft de toezichthouder namelijk heel veel vrijheid. Ik vind dat de toezichthouder wel enige vrijheid mag hebben, maar niet zoveel dat men alles helemaal zelf kan bepalen. De toezichthouder moet een idee hebben wat de ‘normale’ termijn is en onder welke omstandigheden hij daarvan kan en moet afwijken.
Los daarvan staat eenvoudigweg vast dat het gezond is om ervoor te zorgen dat pensioenfondsen boven een dekkingsgraad van 105% blijven. Die dekkingsgraad is immers nodig om aan de nominale verplichtingen te voldoen. Pensioenfondsen streven er toch naar om daar bovenop nog te indexeren, dus laten we er vooral aan werken om flink boven die ondergrens van 105% te blijven.
Het probleem met de hersteltermijn is dat een pensioenfonds dat een paar procent beneden de ondergrens van 105% valt maar weinig keuzes heeft. Men kan ofwel de premies verdubbelen of verdriedubbelen, ofwel de rechten gaan afbouwen. Dit bezorgt veel fondsen hoofdbrekens, vooral met het oog op situaties zoals die zich hebben voorgedaan in 2001-2002. Als men bijvoorbeeld rechten gaat korten dan krijgt het vertrouwen in het pensioenfonds een enorme klap. Dat is een slechte zaak. Daarom zijn wij er voorstander van om pensioenfondsen iets meer ademruimte te geven, zodat men niet gedwongen wordt op stel en sprong enorm ingrijpende maatregelen te nemen.
npn: Sommigen vrezen dat een beslissing over de hersteltermijn die nu wordt genomen vervolgens door de volgende minister van Sociale Zaken weer wordt herroepen. Hoe staat u hier tegenover?
PO: Ik denk dat hersteltermijnen en parameters zoals de actuariële principes en continuïteitsanalyses moeten worden vastgelegd in de wet of een algemene maatregel van bestuur. Daarmee voorkom je dat de minister de regels kan veranderen zonder naar het kabinet te gaan en zonder het parlement om toestemming te vragen. Zo creëer je stabiliteit en vermijd je hals-over-kop ingrijpen in fondsen, die voor een lange termijn beleggen.
npn: Ook aangaande het nabestaandenpensioen is er de nodige discussie, met name vanuit de hoek van het CDA. Wat zijn op dit vlak de problemen?
PO: Ik ben blij dat de minister nu in de wet bepaald heeft dat mensen zich op hun 65e in het nabestaandenpensioen kunnen inkopen. Maar ik ben nog niet helemaal tevreden, omdat nog niet iedereen in het kader van het nabestaandenpensioen zicht heeft op een fatsoenlijke dekking.
Zo heeft een aantal fondsen een nabestaandenpensioen van ongeveer 20% van de pensioengrondslag, wat gewoon te laag is, zeker als men voor zijn 65e overlijdt. Als de betrokken deelnemer op het moment van overlijden 30.000 euro verdient krijgt de weduwe 6.000 euro per jaar uitgekeerd, en dat is duidelijk niet voldoende.
Bij een nabestaandenpensioen op basis van risicodekking vallen er gaten in de pensioenregeling: bij verlof hebben vele mensen geen enkele vorm van dekking, bij overstappen vallen er gaten, en bij werkloosheid is er straks helemaal geen dekking meer. Dat kan keihard aankomen voor nabestaanden, die toch al kwetsbaar zijn. Men moet niet vergeten dat ‘geen nabestaandenpensioen voor 65’ voor weduwen bijna altijd ook betekent: ‘geen pensioen na 65’.
Daarbij moet men zich bovendien realiseren dat het nabestaandenpensioen van essentieel belang is voor zowel kostwinners als bijvoorbeeld voor tweeverdieners die een hypotheek op basis van twee inkomens hebben.
Veel fondsen lichten hun deelnemers ook niet goed in over wat een nabestaandenpensioen op risicobasis nu werkelijk betekent en wat de gevolgen kunnen zijn als men in dienst is en men overlijdt voor het 65e. Het kan in één keer de helft uitmaken of je de dag voor pensionering dan wel de dag na pensionering overlijdt. Soms denk ik wel eens dat uitleg ontbreekt omdat dit gewoon niet uit te leggen valt.
Ik zou de pensioenfondsen dan ook willen vragen of we aan die situatie niet iets kunnen doen. Want men zou toch op zijn minst een nabestaandenpensioen op kapitaalbasis als keuzemogelijkheid moeten aanbieden. Ik zal dienaangaande tijdens de debatten zeker nog plannen presenteren.
npn: U meent dat het nabestaandenpensioen moet worden opgehoogd of hersteld. Maar waar moeten de pensioenfondsen dat van betalen?
PO: Ik denk dat er aan het nabestaandenpensioen gewoon prioriteit moet worden gegeven. Ik vind het vreemd dat heel veel fondsen geen moeite hebben gehad om enorme sommen uit te geven aan vroegpensioen, terwijl slechts heel weinigen zeggen te kunnen investeren in nabestaandenpensioen.
Men kan aan het nabestaandenpensioen na 65 een uitruilrecht verbinden, waarbij men mag kiezen tussen een hoger ouderdomspensioen of een nabestaandenpensioen. En voor het nabestaandenpensioen vóór het 65e jaar kan misschien een iets hogere premie worden geheven. Bijzonder hoog hoeft dat niet te zijn, en er kan veel leed mee worden voorkomen.
npn: Inzake het nabestaandenpensioen moet de communicatie naar de deelnemers volgens u worden verbeterd. Hoe kan betere communicatie een oplossing bieden voor deze problematiek?
PO: Op mijn website stel ik al een tijd een brief ter beschikking met vragen over het nabestaandenpensioen. Mensen kunnen die brief naar hun pensioenfonds sturen. Ik ontvang regelmatig bezorgde mails en telefoontjes van mensen die dit hebben gedaan en zijn geschrokken van de reactie die ze van het fonds terugkrijgen. En dit zijn bijna altijd mensen die hun pensioenoverzicht zorgvuldig lezen.
Wat dat betreft zou men eens moeten kijken naar de gemiddelde pensioenfonds-website en hoe daar het nabestaandenpensioen is uitgelegd. De uitleg van wat ‘op risicobasis afdekken’ betekent is nagenoeg onbegrijpelijk.
Een betere communicatie lost op zich de problematiek niet op, maar een heldere uitleg maakt mensen er in elk geval van bewust dat ze in bepaalde gevallen geen recht hebben op een nabestaandenpensioen. Als de communicatie op dit punt beter is, is het natuurlijk ook waarschijnlijk dat mensen hiertegen eerder protest zullen aantekenen.
npn: Denkt u dat de nieuwe pensioenwet klaar is tegen 1 januari 2007?
PO: Ik denk dat de wet wel klaar kan zijn. De invoeringswet is inmiddels ook ingediend bij de Tweede Kamer, dus vlak na het zomerreces zal ook daarvoor een procedure worden afgesproken.
Wij denken dat de pensioenwet als zodanig gewoon behandeld wordt voordat we op 1 november met verkiezingsreces gaan. Wat dus ook inhoudt dat er gestemd gaat worden in de Tweede Kamer.
Ik heb goede hoop dat in ieder geval het nieuwe Financiële Toetsingskader ingevoerd wordt. Ik denk dat dit ook het belangrijkste stukje van de wet is, waarvoor tijdige invoering gewenst is. Daarbij kan ik me wel voorstellen dat er voor een aantal andere verplichtingen in de wet iets meer tijd nodig is. Ik ga er vanuit dat de verplichtingen die voortvloeien uit de pensioenwet en de invoeringswet gefaseerd zullen worden ingevoerd.
npn: Tenslotte: hoe is de stand van zaken rondom het uniform pensioenoverzicht?
PO: Het is belangrijk dat dit uniform pensioenoverzicht op tijd afkomt en ik ben blij dat er nu een gezamenlijk concept gepubliceerd is door de fondsen en de verzekeraars.
Ik moet zeggen dat informatievoorzieningen al een stuk zijn verbeterd, maar de mogelijkheden op dit vlak worden nog niet ten volle benut. Zelfs wanneer overzichten nu op zich duidelijk zijn, blijken ze onderling van fonds tot fonds zo te verschillen dat men geen vergelijking kan maken. Over het algemeen is er op het punt van duidelijke communicatie nogal wat werk aan de winkel.
Printbare versie
Stuur deze artikel naar een vriend.
|