Doe het, en doe het goed
Gepubliceerd op: 24 Oktober 2006
(Oktober/November 2006)
In december van 2005 presenteerde de STAR-werkgroep voor ‘pension fund governance’ een breed gedragen gedragscode voor pensioenfondsen. Hoe staat het met de implementatie van de code? Mariska van der Westen vervoegde zich bij Gerard Verheij, secretaris pensioenbeleid VNO-NCW en voorzitter van de STAR-werkgroep, om bij te praten.
De elfde handtekening
De gedragscode die vorig jaar door de projectgroep van de Stichting van de Arbeid (STAR) werd ontwikkeld kon rekenen op steun van de werkgevers- en werknemersorganisaties, van de pensioenkoepels Opf en VB, van het Verbond van Verzekeraars en van het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties. Er stonden in totaal tien handtekeningen onder het akkoord.
Daar is inmiddels een elfde handtekening bijgekomen, vertelt Verheij: “In het geval van beroepspensioenfondsen is er geen sprake van werkgevers en werknemers, dus de Unie van Beroepspensioenfondsen (UvB) was logischerwijs niet betrokken bij de STAR-werkgroep. In aanvang was de UvB dan ook voornemens een eigen gedragscode op te stellen. Maar toen men kennis nam van de gedragscode bleek de UvB zich uitstekend te kunnen vinden in de aanbevelingen van de STAR-commissie. Begin dit jaar heeft de UvB dan ook formeel laten weten de code ook voor beroepspensioenfondsen te zullen toepassen.”
Verheij is verheugd: “Nu hebben we één code voor de hele pensioenwereld.”
Officieel is het akkoord op 1 januari van 2006 ingegaan. Maar naleving van de regels voor goed pensioenfondsbestuur wordt pas wettelijk verplicht gesteld als de nieuwe pensioenwet van kracht wordt, op 1 januari 2007. Begin 2008 volgt een evaluatie. Daarmee wordt 2007 het ‘jaar van de waarheid’, volgens Verheij.
Jaar van de waarheid
“Nu de gedragscode eenmaal is geformuleerd heeft de STAR-commissie de fakkel overgedragen aan de pensioenkoepels. Zowel de Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen (Opf) als de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen (VB) ontwikkelen richtlijnen voor de aangesloten pensioenfondsen. Ze verschaffen als het ware een handleiding die pensioenfondsen in staat stelt om in verschillende situaties gestructureerd invulling te geven aan de uitgangspunten. Dan is het aan de pensioenfondsen zelf om de gedragsregels te implementeren.”
Die richtlijnen zijn niet dwingend, benadrukt Verheij: “Het is juist de bedoeling dat er ruimte is voor maatwerk, waarbij elk pensioenfonds de gedragscode invult zoals bij dat pensioenfonds past.” Maar het is wel zaak om werk te maken van die invulling. “Men moet niet denken: dat komt nog wel. We hebben nog maar één jaar de kans om onze zaakjes zelf op orde te brengen – anders gaat de wetgever het voor ons doen.”
VNO-NCW gaat zelf dit najaar ook van start met eenvoorlichtingscampagne om leden ervan te doordringen dat de tijd dringt. “De intenties zijn duidelijk en iedereen is het eens met de gedragscode, maar het gevaar bestaat dat men toch te laks en te traag is met de implementatie,” zegt Verheij.
Laatste kans
Als voorbeeld noemt hij het onderwerp ‘medezeggenschap’. “We hebben dienaangaande twee convenanten gesloten, waarvan het eerste het maar net redde, met de hakken over de sloot. Er kwam daarna een tweede convenant tussen de Stichting van de Arbeid en de Ouderenorganisaties en dat loopt nog tot 2008. Toen we tussentijds de resultaten van dit tweede convenant in 2005 met een ‘quick scan’ peilden, bleek het merendeel van de pensioenfondsen medezeggenschap nog altijd niet goed geregeld te hebben. Als er een gepensioneerde in het bestuur zat, was dat bijvoorbeeld een werknemer die toevallig gepensioneerd was geraakt en gewoon was blijven zitten. In het geval van bedrijfstakpensioenfondsen, waar men massaal heeft gekozen om medezeggenschap via deelnemersraden te regelen, bleken heel veel deelnemersraden niet over de wettelijke bevoegdheden te beschikken. Al met al had medio 2005 slechts 30% van de pensioenfondsen een goedemedezeggenschapsregeling. Toen zijn we uiteindelijk naar de minister gestapt met het verzoek ons convenant – ongewijzigd - in de wet op te nemen. Dat is nu gebeurd.”
Medezeggenschap is daarmee geen vrijblijvende zaak meer. Bedrijfstakpensioenfondsen zijn verplicht in de loop van 2007 een volwaardige deelnemersraad te installeren. Ondernemingspensioenfondsen moeten de keuze voorleggen: of een deelnemersraad, of bestuursparticipatie; en een van beide moet worden gerealiseerd. Verheij: “We hebben als pensioenfondssector drie keer de kans gehad dit zelf te regelen. Als het nu de derde keer nog niet lukt moeten we met het schaamrood op de kaken naar de wetgever toe, en zeggen: regelt u het dan maar.”
Zover mag het niet komen, vindt Verheij. “Dan bestaat er immers een gerede kans dat de medezeggenschap van gepensioneerden wettelijk uniform wordt geregeld en wordt verzwaard, bijvoorbeeld met instemmings- en vetorechten die het bestuur volledig lam leggen.” Hij doet daarom een dringend appèl op de sector om nu werk te maken van een goede medezeggenschapsregeling. “Dit is onze laatste kans om onze zaakjes zelf te regelen,” zegt hij. “Dus doe het... en doe het goed.”
Printbare versie
|