Besturen met beide voeten op de pensioenvloer
Gepubliceerd op: 25 Oktober 2006
(Oktober/November 2006)
|
|
Hans van der Windt, directeur pensioenen PME
|
Interview met Hans van der Windt, directeur pensioenen PME
Na zo’n twintig jaar van werknemerszijde betrokken te zijn geweest bij het bestuur van pensioenfondsen, waarvan een groot deel in de metaalsector, is Hans van der Windt (53) per 1 september aangetreden als de nieuwe directeur Pensioenen bij PME, het bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro. Mariska van der Westen sprak met hem over veranderingen en de rotsvaste kern van het pensioenstelsel.
Compleet andere dynamiek
In pakweg twintig jaar heeft Hans van der Windt veel zien veranderen op het gebied van pensioenfondsbestuur. “Zo’n tien jaar geleden beperkte de rol van de sociale partners in het bestuur zich nog tot het behartigen van de belangen van de achterban. Tegenwoordig wordt er echt bestuurd,” zegt Van der Windt.
“Men zit niet langer in het bestuur als verlengstuk van sociale partners die vooral met elkaar in onderhandeling zijn. De dialoog is niet meer primair tussen de werknemers en werkgever onderling. Nu gaat het erom het pensioenfonds in de breedte te vertegenwoordigen, en de dialoog vindt plaats tussen het bestuur en DNB, de deelnemersraden en andere externe partijen. In de laatste jaren is de dynamiek op dat vlak compleet veranderd.”
Reden voor deze omwenteling is de aanhoudende golf van veranderingen op het gebied van regelgeving. “Tot zo’n tien jaar geleden hadden pensioenregelingen een soort eeuwigheidswaarde. Er waren bijna geen variabelen – de enige variabele was in feite of er wel of geen pensioenregeling was. Terugblikkend kun je stellen dat we het pensioenstelsel de afgelopen tien jaar om de drie jaar op de schop hebben gezet,” stelt Van der Windt. Een gegeven dat niet gespeend is van enige ironie: “Nu wordt van pensioenfondsen gevraagd om plannen voor 15 jaar in te leveren, maar de regelgever zet zelf wel elke paar jaar de pensioenwereld op zijn kop.”
Werkelijkheid
Enerzijds heeft dit geleid tot een taakverzwaring, anderzijds tot professionalisering van het bestuur. Dat laatste is een goede ontwikkeling volgens Van der Windt, en een die zich zal doorzetten in de toekomst. “Daarom hebben wij al in 2001 een apart bestuurskantoor ingericht. Je ziet dat die aanpak navolging krijgt: de rol van besturen spitst zich steeds meer toe op de essentiële kerntaken.”
Wat hem betreft hoort verregaande uitbesteding van uitvoeringstaken daar bij.
Berichten in de media als zouden veel pensioenfondsbesturen zich hiertegen verzetten wijst hij van de hand. “In werkelijkheid speelt dit helemaal niet - de meeste pensioenfondsen hebben de uitvoeringsorganisatie hetzij nooit in huis gehad, hetzij al lang uitbesteed. Er is een groot verschil tussen de realiteit zoals die echt bestaat en het beeld dat wordt opgeroepen in discussies.”
Dit verschil tussen de werkelijkheid op de pensioenvloer en de ‘werkelijkheid’ die uit discussies naar voren komt loopt als een rode draad door het gesprek.
“Neem bijvoorbeeld collectief DC,” zegt Van der Windt. “Hierover wordt momenteel druk gediscussieerd, waarbij de teneur is dat deze ontwikkeling de solidariteit tussen deelnemers zou aantasten. Toen het ons vijf jaar geleden duidelijk werd dat het premiestuur volstrekt in het niet viel bij het beleggingsresultaat hebben we een maximale premie van 25% afgesproken. In de nieuwe regeling is dat inmiddels 23%. Dat is dus het maximum dat de bedrijfstak moet dragen. In feite is PME daarmee al in 2001-2002 overgegaan in een CDC-regeling, al noemden we dat toen niet zo. Uit niets blijkt dat dit ten koste is gegaan van de intergenerationele solidariteit.”
Ook de ‘terugtredende werkgever’ bestaat meer als onderwerp van discussie dan in werkelijkheid. “Bij CDC-regelingen worden nog altijd elke vijf jaar nieuwe premieafspraken gemaakt, en is dit nog altijd een gedeelde verantwoordelijkheid van de sociale partners.” Als er wordt gesproken over het beperken van de werkgeversrol gaat de discussie bovendien wel erg gemakkelijk voorbij aan een van de grondslagen van het pensioenstelsel: “De algemene verplichtstelling hangt af van representatie van werkgevers. Als men een einde maakt aan die vertegenwoordiging is dat dus een bedreiging voor het stelsel als zodanig.”
Verplichtstelling als exportproduct
Over de houdbaarheid van de verplichtstelling is natuurlijk ook de nodige discussie, nu de pensioensector steeds meer een internationale markt lijkt te gaan worden.
“Met name Amerikaanse pensioenreuzen bekijken hoe ze de Europese markt effectiever kunnen betreden. Dat ze er over nadenken is onmiskenbaar. En aan de beleggingenkant hebben zij hun zaakjes goed voor elkaar – er wordt daar belegd op een schaal waar je stil van wordt. Maar aan de kant van de pensioenregeling en de uitvoering heeft men eigenlijk niet veel te bieden. Wat men daar doet is het uitstekend beleggen van een beroerd pensioen,” zegt Van der Windt.
Nederland heeft een voorsprong. “Beleggen doet men op meer plaatsen in de wereld goed. De Nederlandse specialiteit bestaat daarentegen uit onze solidariteit en uitvoering. Alleen drijft dat systeem wel op verplichtstelling. Het is de vraag of je daarmee een effectief exportproduct hebt. Je komt niet ver als je zegt: Ik heb een mooi product maar u moet dat wel verplichtstellen.”
Aan de andere kant constateert Van der Windt dat er in het buitenland steeds meer gekeken wordt naar vormen van facilitering die geënt zijn op het Nederlandse systeem. “Onze tweede pijler dekt bijna de helft van de oudedagsvoorziening, en zonder verplichtstelling was daar weinig van terechtgekomen. Ook in andere landen die nu proberen een tweede pijler van de grond te trekken wordt dat ingezien. Zo overweegt men in België om meer fiscale ruimte te bieden aan fondsen met sterkere solidariteitselementen. Als dat soort overwegingen een rol gaan spelen hebben wij natuurlijk wel de nodige expertise te bieden.”
Monsterfondsen
Om de Nederlandse pensioenindustrie internationaal concurrerend te maken gaan er stemmen op om – al dan niet gestuurd door de overheid – een consolidatieslag te maken die het grote aantal Nederlandse pensioenfondsen terug moet brengen naar een paar ‘monsterfondsen’. Ook op dit punt houdt de discussie bepaald geen gelijke tred met de werkelijkheid, vindt Van der Windt. “Op zich is het misschien best een mooi idee om alle pensioenfondsen bij elkaar te steken in één groot fonds. Maar om zoiets daadwerkelijk tot stand te brengen is vreselijk gecompliceerd.”
Het principe spreekt hem wel aan. Tenslotte ligt hetzelfde idee ten grondslag aan een bedrijfstakpensioenfonds als PME. Bovendien is er door de toenemende complexiteit van de pensioenfondssector al een consolidatiebeweging op gang gekomen die zich steeds sneller doorzet:
“Je ziet dat zich hoe langer hoe meer ondernemingspensioenfondsen aansluiten bij bedrijfstakpensioenfondsen.” Voor PME gaat het om meerdere fondsen per jaar. “Er worden steeds meer en strengere eisen gesteld vanuit de wetgever, de complexiteit neemt toe, er wordt een te groot tijdsbeslag gelegd op mensen, of men kan gewoon de risico’s niet langer dragen. Veel ondernemingspensioenfondsen zoe-ken hun heil daarom bij een groter verband. Die ontwikkeling gaat heel hard op dit moment.”
Op zich geen verkeerde ontwikkeling, meent Van der Windt: “Schaalgrootte is financieel interessant, niet alleen met het oog op de uitvoeringskosten maar ook wat betreft het resultaat op beleggingen. Een groot overkoepelend fonds is in de volle breedte efficiënter. Een groot voordeel van PME is bovendien dat we in de sector zo één arbeidsmarkt hebben verkregen waarbinnen het voor werknemers makkelijk bewegen is. Van baan veranderen heeft nu immers aanzienlijk minder consequenties dan wanneer men van fondsje A naar fondsje B moet verhuizen.”
Maar een fonds dat meerdere sectoren overkoepelt is nog een heel ander verhaal. “Binnen een sector is zoiets wel te realiseren. Maar verschillende sectoren, die schuif je niet eventjes in elkaar,” zegt hij. “Allereerst kunnen pensioenregelingen van sector tot sector zeer verschillend zijn. En ten tweede gaat het natuurlijk ook om geld. In ieder fonds reken je een doorsnee premie uit op basis van de kenmerken van de betreffende populatie, zoals leeftijd en levensverwachting. Sectoren kennen op die punten verschillende karakteristieken. Dus als je al een overkoepelende regeling kunt afspreken hangt daar per sector een verschillend prijskaartje aan. Hoe ga je dat oplossen?”
Wel verwacht hij dat de huidige consolidatietendens door zal zetten. “We hebben nu nog te maken met een aantal overgangsmaatregelen, maar die zijn rond 2011 uitgewoed. Tegen die tijd zijn regelingen redelijk eenduidig, en dan wordt consolidatie op grote schaal wat gemakkelijker.”
Het lijkt hem overigens buitengewoon onverstandig om een consolidatieslag van overheidswege af te dwingen. “We hebben in dit land geen pensioenplicht. Het grote risico bij dit soort discussies is dat men vergeet wat dit betekent. In de tweede pijler zijn het de sociale partners die bepalen of er een pensioenvoorziening is, en hoe die eruit ziet. Als zij in hun vrijheid beknot worden kunnen ze er dus ook de brui aan geven. Ze kunnen er morgen mee stoppen als ze dat willen. Dit is een van de meest onderschatte elementen van ons pensioenstelsel.”
Draagvlak
Om het stelsel te behouden moet het draagvlak van die partijen op niveau blijven. En ondanks de vele discussies is dat draagvlak naar het idee van Van der Windt nog altijd even solide.
PME is een rijp fonds, in een krimpende bedrijfstak. De gemiddelde leeftijd van de werknemers is met 45 jaar relatief hoog. Daarmee zou het bedrijfstakpensioenfonds bij uitstek kwetsbaar zijn voor vergrijzingsperikelen, terugtrekkende werkgevers en afbrokkelende solidariteit.
“Maar de kapitaaldekking van het Nederlandse pensioenstelsel zorgt ervoor dat de effecten van vergrijzing weinig vat hebben op de veerkracht van de pensioenfondsen. De solidariteit staat dan ook niet onder druk bij PME,” zegt Van der Windt. Hij merkt dat ook in de praktijk: “Toen we begin dit jaar de nieuwe pensioenregeling presenteerden kwamen daar zo’n 6.000 deelnemers op af. Bij die mensen speelt er helemaal geen twijfel aan de solidariteit of het collectiviteitsbeginsel. Die zijn gewoon heel blij dat we een prima regeling hebben afgesproken.” Volgens Van der Windt geldt dit niet alleen in de metaalsector. Dit is de werkelijkheid op de ‘pensioenvloer’: werkgevers zijn onverkort betrokken bij ‘hun’ pensioenfondsen, en deelnemers betonen zich net zo solidair als altijd. Hij ziet de toekomst, zowel voor PME als voor het Nederlands pensioenstelsel, dan ook vol vertrouwen tegemoet:
“Er is wel veel veranderd. Maar uiteindelijk zijn het alleen de randvoorwaarden van het systeem die veranderd zijn. De kern van ons pensioenstelsel blijft onaangetast.”
Renteperikelen
PME maakt al langere tijd gebruik van afdekkingsstrategieën, vertelt Van der Windt, en met het nFTK in zicht zijn deze nog belangrijker geworden. “De noodzaak om het renterisico af te dekken is bijvoorbeeld een direct gevolg van het nieuwe toetsingskader. Dit kan wel tot lastige situaties leiden. Zo heeft de renteafdekking ons in 2005 weliswaar 4,2% extra rendement opgeleverd, maar door de stijgende rente in 2006 lag ons rendement in het eerste halfjaar onder het Nederlandse gemiddelde. Dat is nu eenmaal het gevaar als je gaat afdekken: je krijgt de klap op een ander moment. Wat je daarmee bewust doet is de ontwikkeling van de dekkingsgraad stabiliseren. En dát is natuurlijk wat telt voor onze werknemers, werkgevers en gepensioneerden.”
Over de aanhoudend lage rentestand van de afgelopen jaren maakt Van der Windt zich overigens niet teveel zorgen. “Pensioenfondsen hebben de historisch lage rente tot nog toe aardig doorstaan. Mijn grote angst is eerder het tegenovergestelde scenario, waarin we te maken krijgen met een langdurig hoge rente van 5 à 6%. Dan schieten de dekkingsgraden omhoog, en ik maak me zorgen over de krachten die dat losmaakt in de maatschappij. Het eerste jaar is men dan dik tevreden. Het tweede jaar denkt men: ’t is wel veel. En het derde jaar begint de discussie over hoe dat geld kan worden besteed – niet vanuit de fondsen zelf, maar vanuit de maatschappij. We hebben dit eerder meegemaakt met de ‘brede herwaardering’ in de jaren negentig: de ervaring leert dat de maatschappij lastig kan leven met het idee dat we anderhalf of twee keer zoveel geld in kas hebben dan men denkt dat nodig is. Men zal dat geld gaan besteden. En als het dan iets minder gaat stort het systeem in elkaar.”
IAS 19-embargo
PME heeft de facto een collectief DC, maar daarmee is niet gezegd dat men er voorstander van is dat bedrijven om louter boekhoudkundige redenen overstappen naar een DC-regeling. Integendeel. “Het kan natuurlijk niet zo zijn dat ons pensioensysteem zou moeten veranderen op basis van boekhoudregels,” zegt Van der Windt. De gedachte dat de internationale accounting standaard IFRS en IAS 19 nu eenmaal een feit zijn waarbij men zich neer moet leggen wijst hij af: “De bedrijfstakpensioenfondsen zullen in elk geval alles op alles zetten om een einde te maken aan deze scheve situatie. Het is ook echt onzin: bedrijven in onze sector lopen geen risico met het pensioenvermogen. Bij een lage dekkingsgraad zullen wij de ondernemingen nooit vragen om een bijstorting. Net zo min zal er sprake zijn van terugstorting als de dekkingsgraad hoog is.” PME weigert tot nog toe aan het nieuwe boekhoudregime medewerking te verlenen – men verstrekt bijvoorbeeld geen accountantsverklaringen waardoor het pensioenfonds kan worden opgenomen in de balans van het deelnemende bedrijf. “En dat zullen we nog wel een tijdje volhouden,” aldus Van der Windt. “In 2008 komt er een evaluatie van het huidige systeem – als men verstandig is wordt er dan toch gekeken of er geen betere oplossing kan worden bedacht.”
Figuur: relatie tussen dekkingsgraad en indexatie bij PME
Printbare versie
Related articles:
|