Profiel   Contact   Colofon   Adverteren   Abonnementen   Links   Events   Pensions News  



 
 
Een duurzame oplossing: het twee-componentenfonds

Gepubliceerd op:  21 December 2006 (December/Januari 2007)
— Jean Frijns, voormalig ABP-directeur

Collectief DC is een onderwerp dat voormalig ABP-directeur Jean Frijns na aan het hart ligt. Terugblikkend constateert de ‘godfather’ van de Nederlandse pensioenfondssector dat hij aan het hoofd stond van ’s lands grootste collectief DC-fonds: “De overheid wenst geen risicodrager te zijn. Voor mij is ABP daarmee een CDC-regeling.” Mariska van der Westen sprak met hem over lusten en lasten van collectieve DC-regelingen, en het belang van een heldere risicoverdeling.

ABP = CDC


Luttele jaren geleden was collectief DC nog een vreemde eend in de Hollandse bijt. Vandaag de dag is een aanzienlijk deel van de pensioenfondsen overgestapt naar het ‘CDC’ of men overweegt dat te doen, terwijl anderen een beperkte DB-regeling aanvullen met een opbouw van DC [zie pagina 6] Een van de redenen om over te stappen naar collectief DC is dat sponsorondernemingen onvoldoende draagkrachtig zijn om ‘hun’ pensioenfonds financieel uit de brand te helpen in geval van onderdekking. Marktpensioenfondsen kijken daarom wel eens met afgunst naar grote broer ABP. Het ambtenarenfonds heeft immers de overheid als sponsor. Is het per slot van rekening niet zo dat het ABP kan terugvallen op het Rijk, en daarmee op de Nederlandse belastingbetaler?

Niets is minder waar, volgens Jean Frijns. “De gedachte dat de overheid het ABP wel bij zal springen in slechte tijden is naïef,” vindt hij. “Hiervan is in het verleden niets gebleken. Integendeel: het rijk heeft veelvuldig gebruik gemaakt van ABP om allerlei regelingen zoals de VUT te bekostigen.” Daarnaast zijn in de jaren tachtig meermaals premiekortingswetten aangenomen die ten laste gingen van het vermogen van ABP, terwijl hier voor het fonds van overheidswege bitter weinig tegenover stond. Er is dus geen reden voor scheve ogen in de pensioenfondssector. En al evenmin veel reden voor deelnemers om te rekenen op de overheid in tijden van nood: “Vertrouwen op de overheid als sterke sponsor achter ABP is iets dat ik geen enkele deelnemer aan zou kunnen raden.”

Als het ABP er in feite alleen voor staat, is de vraag of er dan nog wel sprake is van een Defined-Benefitregeling. Is de DB-regeling van het fonds via de achterdeur verdwenen om geruisloos plaats te maken voor collectief DC?

Frijns: “De overheid stelt dat de pensioenpremie uit de loonruimte moet worden bekostigd. Daarmee zegt men als werkgever eigenlijk: ‘het is mijn risico niet. Vallen de resultaten van het fonds tegen en moeten de premies omhoog? Dan gaan de lonen omlaag.’ Wat mij betreft voldoet de regeling aan de definitie van defined contribution, want de overheid wenst niet op te treden als risicodrager. Daarmee is ABP in feite een collectief DC-regeling.”


Solidariwat?


Als het erop aankomt problemen als vergrijzing het hoofd te bieden, rammelt het traditionele Defined Benefit-stelsel aan alle kanten. Het kille individuele DC dat in de VS laagtij viert, is bepaald geen aantrekkelijk alternatief. Dan maar liever collectief DC, vindt Frijns: “Ik ben voorstander van goed gestructureerde collectief DC-regelingen.” Als sterke punten van CDC noemt hij twee troeven van het Nederlandse tweede pijlersysteem, de verplichtstelling en collectiviteit. “Het heeft zonder meer grote voordelen om pensioenen collectief te organiseren. Ook de verplichtstelling is een groot goed: De vrijheid-blijheid van een individueel DC-systeem is niet iets waar we naar moeten streven. Ik denk dat je deelnemers een vorm van welwillend paternalisme moet opleggen. Dat moet natuurlijk geen betutteling worden, maar een collectief afgesproken discipline die deelname in een fonds verplicht stelt, is een goede zaak.”

Bij een derde troef die vaak wordt genoemd – solidariteit – plaatst hij echter kanttekeningen.

“Het argument dat je in dit soort systemen de intergenerationele solidariteit zo goed zou kunnen organiseren, vind ik minder overtuigend. Ik denk dat in het doorsnee vergrijsde pensioenfonds de ruimte daarvoor erg klein is. Bovendien veronderstelt het begrip ‘solidariteit’ dat er een basisovereenkomst is over een rechtvaardige verdeling van lasten en lusten. Het lijkt mij gevaarlijk om van solidariteit te spreken als het niet duidelijk is wie nu solidair is met wie.”


Bom onder het stelsel


Die duidelijkheid ontbreekt ten ene male, vindt Frijns. “Ikzelf ben bij lange na nog niet gepensioneerd, maar als ik dat wel was zou ik, met enige overdrijving, kunnen zeggen: ik ben als gepensioneerde solidair met de actieven. Zo houdt het pensioenfonds ten behoeve van de actieven een assetmix aan die voor mij als gepensioneerde veel te riskant is – dat zijn risico’s die ik als gepensioneerde liever niet wil lopen. Bovendien: mijn verplichtingen lopen misschien nog vijf jaar, dus waarom moet ik opdraaien voor het feit dat de pensioentoezeggingen van de actieven zonodig als langjarige verplichting op de balans moeten staan? Daarmee wordt een gigantisch renterisico gelopen dat op mij als gepensioneerde wordt verhaald. De dekkingsgraden zijn immers gekelderd met name doordat de rente zo sterk gedaald is. En dat was niet het renterisico van de inactieven, want dat was zo groot niet. Dus wie is er nu solidair met wie? Als gepensioneerde zou ik zeggen: ik draag hier de lasten. Want ik krijg geen indexatie meer omdat het renterisico van die actieven niet was afgedekt.”

De actieven, op hun beurt, vinden dat op hun solidariteit het grootste beslag wordt gelegd. “Zij redeneren: de gepensioneerden hebben drie keer zoveel vermogen als de actieven maar wij moeten het leeuwendeel van de risico’s dragen. Er zijn verschrikkelijk veel post-actieven en wij moeten al die extra premie opbrengen om hun indexatie overeind te houden.”

“Iedereen voelt zich tekort gedaan,” concludeert Frijns. “Iedereen vindt dat er een onevenredig beroep wordt gedaan op zijn solidariteit.” Volgens hem is de vergrijzing dan ook vooral een perceptieprobleem: “Zolang niet objectief in kaart wordt gebracht wie nu wat voor wie over heeft, bestaat bij elke groep de perceptie dat men meer inlevert dan de anderen. Daarmee wordt een bom gelegd onder niet alleen de solidariteit, maar onder ons pensioenstelsel als zodanig.”


Risicoverdeling


Bij de directe belanghebbenden lijkt er vooralsnog helemaal geen sprake van een solidariteitscrisis. Uit onderzoek blijkt dat jongeren nog net zo solidair zijn als de vorige generaties. Is de haperende intergenerationele solidariteit niet voornamelijk een product van de discussie tussen pensioendeskundigen?

Frijns: “In de maatschappij wordt de generatiediscussie wel degelijk gevoerd. Jongeren zijn ongetwijfeld niet minder solidair, maar door de vergrijzing zijn de risico’s in een pensioenfonds wel veel groter geworden. Die risico’s kun je niet zomaar bij de jongeren leggen, want dan worden bij dezelfde mate van solidariteit de grenzen veel eerder bereikt.”

Dit smeulende generatieconflict wordt aangewakkerd door de vergrijzing en legt het vuur aan de schenen van het pensioensysteem, of het nu om DB- or CDC-regelingen gaat. Maar in collectief DC-regelingen wordt het probleem wel veel duidelijker zichtbaar. Door het terugtreden van de werkgever zijn de deelnemers nu immers alleen nog op elkaar aangewezen.

Voordat collectief DC een goed doortimmerd pensioensysteem kan opleveren, zou er volgens Frijns dan ook eerst meer duidelijkheid moeten zijn over de risicoverdeling. “De vraag is niet of pensioenfondsen vergrijzing aankunnen, maar of ze weten hoe ze in een vergrijzend pensioenfondsbestand hun risico’s moeten toedelen. Ikzelf geloof daarbij sterk in een wetenschappelijke, analytische aanpak. Ik wil weten wat de risico’s zijn en hoe ze zijn uitgesplitst naar actieven en gepensioneerden. Op die manier worden de risico’s beter inzichtelijk en beter beheersbaar.”

Door lusten en lasten exact te definiëren wordt bovendien een oplossing geboden voor het aloude probleem van het zwevende surplus. “De nominale rechten zijn eenduidig toegekend, maar in de huidige systematiek is volstrekt onduidelijk aan wie het surplus toebehoort,” zegt Frijns. Waar dit toe kan leiden, ondervindt men in Amerika: “Op een kwade middag wordt daar je hele pensioenfonds gedumpt bij een herverzekeraar, en ben je als deelnemer je uitzicht op het surplus kwijt.” In Nederland ligt de hebzucht meer aan banden, maar het surplus blijft een lastige kwestie. Men kan er niet mee volstaan te zeggen dat het toebehoort aan het collectief van deelnemers: een verdeelsleutel ontbreekt. Een model dat erin slaagt de lasten maar ook de lusten helder toe te rekenen aan rechtmatige eigenaars kan hier uitkomst brengen.

Frijns is zich ervan bewust dat lang niet iedereen die mening deelt. “Anderen zeggen dat je lusten en lasten niet uit het collectief verband moet trekken. Men zou risico’s juist niet moet uitsplitsen, omdat ze als een geheel beter beheersbaar zouden zijn.”

Die gedachte berust volgens hem op een misvatting. “Als het om verschillende risico’s zou gaan, zouden die elkaar inderdaad compenseren. Maar dat is niet het geval: In de praktijk gaat het vooral om rente, inflatie en aandelenrisico’s. Je kunt deze risico’s niet spreiden over de deelnemers; je kunt wel verdeelregels afspreken. Als je die allemaal in een grote pot gooit, worden ze niet minder of beter beheersbaar. Dan weet je alleen niet meer hoe ze zijn verdeeld.”


Twee-componentenfonds


Deze verschillende visies leiden ook tot verschillende versies van collectief DC. Jean Frijns: “In het ene model wordt aan alle deelnemers dezelfde soort toezegging gedaan en komen alle toezeggingen als verplichting op de balans. In het andere model wordt gebruik gemaakt van het verschillende risicoprofiel van actieven en post-actieven door te werken met twee componenten: een opbouwfonds en een annuïteitenfonds.”

Het ‘twee-componentenfonds’ verdient wat hem betreft verre de voorkeur. “Alleen de annuïteitencomponent brengt pensioenverplichtingen met zich mee, die geborgd dienen te worden met een buffer. De opbouwcomponent fungeert als een spaarfonds waarin door actieven pensioen wordt opgebouwd, en komt dus niet als verplichting op de pensioenfondsbalans. Er hoeft hiervoor dan ook geen solvabiliteitsbuffer voor te worden aangehouden.” Dat maakt het model wel zo efficiënt: “In de opbouwfase wordt het hogere risicoprofiel van de actieven ten volle benut zonder de beperking van nodeloze buffers. Het veel grotere vermogen van de post-actieven wordt daarentegen met een veel lager risico beheerd. Hierdoor kan doelmatiger worden belegd.”

Gezien de strenge solvabiliteitseisen van De Nederlandsche Bank is het de vraag of de toezichthouder het enthousiasme van Frijns zal delen. Een pensioenfonds zonder buffers lijkt in Nederland niet het meest voor de hand liggende alternatief.

Frijns ziet in het toezichtskader echter geen beletsel. “Er worden pas solvabiliteitseisen gesteld als er een toezegging wordt gedaan, dus het nFTK is alleen van toepassing op de annuïteitencomponent. In de opbouwfase wordt niets toegezegd. Er is veeleer sprake van een inspanningsverplichting. De vraag die daarop van toepassing is van de zijde van de toezichthouder is dan ook niet: ‘heeft u voldoende in kas?’maar ‘beheert u die spaargelden goed?’”

Zolang men geen toezeggingen doet, is er volgens Frijns geen toezichtsvuiltje aan de lucht. Voorwaarde is wel dat men volkomen helder is over het feit dat er niets wordt toegezegd. “Dat geldt niet alleen voor de communicatie naar de toezichthouder, maar ook naar de deelnemers toe. Je moet de mensen wel vertellen waar ze aan toe zijn.”

Ten overstaan van de actieven moet de boodschap dus luiden: ‘We vinden het verstandig om met uw spaartegoed relatief hoge risico’s te nemen, en daar stellen we geen garanties tegenover. Naar ons idee zal dat voor u op termijn goed uitpakken. Maar we beloven niets. Het kan ook verkeerd uitpakken, en dan heeft u gewoon pech gehad. De kans daarop achten wij echter klein.’

Of deelnemers direct warm lopen voor dit model is zeer de vraag. Aan deskundigen is prima uit te leggen dat deze aanpak tot betere resultaten leidt dan de schijnzekerheid van een minder transparant systeem, maar als het erom gaat ingang te vinden bij een breder publiek voorziet npn ook hier een perceptieprobleem.

Jean Frijns heeft echter goede hoop. “Sedert vijf jaar zie je dat de pensioensystematiek enorm in ontwikkeling is waarbij vele richtingen worden verkend. Het is moeilijk te voorspellen wat uiteindelijk het dominante pensioensysteem wordt. Maar collectief DC lijkt een goede kanshebber. Het twee-componentenmodel is daarbij het meest transparant en duurzaam.”

Printbare versiePrintbare versie

 


Related articles:
Headlines van andere FT Business publicaties
DPN: Deutsche Pensions & Investment Nachrichten
• Quant in Sicht
• Auf Feindts Terrain
• Brief aus Berlin
European Pensions & Investment News
• PFA enlists new blood to enforce equity changes
• Norwegian government fund seeks to raise ‘gold standard’
• Turkish military fund boasts returns surge
Nordic Region Pensions & Investments News
• Avoiding the commodities crash fallout
• Danish funds pressured into slashing costs
• Danish fund uses chameleonic strategy to beat credit crisis
Pensions Management - the magazine for pension & investment industry professionals
• Putting the pedal to the metal
• Get under the bonnet
• Cut from the same cloth
Professional Wealth Management
• Funds must fight to win back buyers
• Belgian firm embraces new stomping grounds
• Identifying opportunities in dark times
 ARCHIEF



 

Contact
Abonnementen
Privacy Policy
Terms and Conditions
Webmaster

Mailing address: Financial Times Ltd, Number One Southwark Bridge, London, SE1 9HL, United Kingdom

© The Financial Times Limited 2008