Collectief in het voordeel
Gepubliceerd op: 29 Maart 2007
(Februari/Maart 2007)
|
|
Peter J.C. Borgdorff, directeur VB
|
Op 4 december presenteerde de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen (VB) het boek ‘Kosten en baten van collectieve pensioensystemen’. Mariska van der Westen sprak met VB-directeur Peter J.C. Borgdorff over de meerwaarde van collectieve regelingen en over de mogelijkheden van pensioen in natura.
Versleten argumenten
Peter Borgdorff, directeur van VB, constateert tevreden dat het boek ‘Kosten en baten van collectieve pensioensystemen’ gretig aftrek vindt. De bundel, geschreven in opdracht van de VB en onder redactie van de Erasmus Universiteit, werpt vanuit diverse invalshoeken een wetenschappelijk oog op de voors en tegens van collectieve pensioenregelingen. De inkt van de eerste druk is nog maar nauwelijks droog en het boek is al toe aan zijn tweede druk. Een publieksversie en Engelse vertaling volgen binnenkort.
“In 2000 heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid een rapport uitgebracht waarin de voordelen van collectieve pensioenregelingen uiteen werden gezet. Maar sindsdien hebben we een crash gehad op de aandelenmarkten, gevolgd door enorme premieverhogingen en zelfs indexatiekortingen. Wij merkten dat de argumenten uit het rapport begonnen te slijten. Men begon zich af te vragen of die argumenten nog wel klopten. Daarom besloten we om de situatie opnieuw in kaart te laten brengen,” vertelt Borgdorff.
In totaal hebben 26 auteurs vanuit verschillende disciplines een bijdrage geleverd aan de bundel.
“Wij zijn blij met de conclusies. Aan het einde van de rit blijkt dat collectieve regelingen inderdaad een belangrijke meerwaarde bieden. Door gezamenlijk de lasten te dragen middels intergenerationele solidariteit blijven risico’s beheersbaar, terwijl de kosten laag worden gehouden. Daarnaast levert het collectieve stelsel een aanzienlijke bijdrage aan de samenleving. De macro-economische aspecten van ons stelsel zijn niet gering. Er wordt in Nederland per slot van rekening zo’n 650 miljard euro aan pensioengelden op tafel gelegd.”
Naast conclusies werpt de bundel ook een aantal vragen op die aanleiding vormen tot verdere studie. “Daarmee kan Netspar verder aan de slag,” vertelt Borgdorff. Onderzoekers van het ‘Network for Studies on Pensions, Aging and Retirement’ zullen bijvoorbeeld verder ingaan op de houdbaarheid van intergenerationele solidariteit. “Naarmate de maatschappij verder vergrijst en ontgroent onstaat er een omslagprobleem, niet alleen in de eerste pijler maar ook bij pensioenfondsen ten aanzien van de indexatie. De vraag is: Hoe gaat dat probleem zich verder ontwikkelen? Moeten we wellicht nu al andere arrangementen gaan invoeren om die problematiek op te vangen?”
Over oplossingen voor dit vraagstuk wordt verschillend gedacht. Zo stelde Theo Kocken in de vorige editie van npn voor om te komen tot een evenwichtiger verdeling van lusten en lasten op basis van de optieprijstheorie. “Daarnaast zijn er nog andere mogelijkheden. Coen Teulings pleit voor een systeem van ‘generatierekeningen’, waarbij de pensioenfondspopulatie in leeftijdsegmenten wordt geknipt met per jaargang een assetmix aangepast aan het risicoprofiel. Dat vinden wij overigens een heel slecht idee. Zo’n systeem levert een enorme administratie op, terwijl met de huidige systematiek grotendeels hetzelfde wordt bereikt. Door de assetmix te bepalen op basis van een ALM-studie wordt immers ook al rekening gehouden met het verschillende risicoprofiel van de populatie. Bovendien worden de jongeren van vandaag naarmate ze ouder worden op hun beurt gesubsidieerd door de jongeren van morgen. Zolang we het huidige systeem intact laten, is er dus niet zoveel aan de hand.”
Geen eenrichtingsverkeer
Borgdorff onderkent dat er aan het bestaande systeem wel haken en ogen zitten. “Er zijn zeker situaties denkbaar waarin men een on-evenredig grote bijdrage levert aan het fonds, waarvan men niet kan profiteren. Dat geldt bijvoorbeeld als iemand op zijn veertigste uit het collectieve pensioensysteem stapt en een eigen zaak begint.” Dergelijke gevallen vragen om een nadere studie, vindt hij. “Maar het knelpunt is veel minder groot dan Teulings doet vermoeden.”
Ook bij het idee dat ‘de jeugd van tegenwoordig’ niet meer solidair zou zijn, zet Borgdorff zijn vraagtekens. “Er is geen enkel onderzoek wat dat bevestigt. Het enige waar men bezwaar tegen aantekent zijn regelingen die één groep deelnemers bevoordelen ten koste van een andere groep. Jongeren voelen er niets voor om een overgangsregeling te bekostigen waarvan ze zelf bij voorbaat zijn uitgesloten, zoals de VUT.”
Solidariteit is immers geen eenrichtingsverkeer. “Het systeem moet twee kanten op werken. En dat doet het ook: In slechte tijden gaat čn de premie omhoog čn wordt de indexatie beperkt. Andersom geldt dat in goede tijden zowel de premie als de indexatie op peil worden gebracht.” Hetzelfde principe zou voor overgangsregelingen moeten gelden. “Maatregelen moeten niet te veel ten gunste van de ene partij en ten laste van de andere gaan. Door de lasten te verdelen bestaat bij iedereen het gevoel: dit kan mij ook overkomen. Ik wordt niet tekort gedaan. En als ik ergens een veer laat, krijg ik die ergens anders wel weer terug.”
Hoeveel veren men nu precies laat en wie de meeste veren opstrijkt, blijft wat Borgdorff betreft in het midden. “Dat moet je niet precies willen uitrekenen. Als iemand door erfelijkheid of omstandigheden langer ten laste komt van de gemeenschap, moeten we dat dan erg vinden? Ik wil die rekening niet maken.”
Te veel transparantie kan het collectieve stelsel ondermijnen, meent Borgdorff. “Als men alles inzichtelijk maakt, bestaat het risico dat men zich doodstaart op de vraag: ‘What’s in it for me?’”
Dit gevaar is inherent aan denkrichtingen die levensverwachting als uitgangspunt nemen. “Als bekend is dat iemand door een erfelijke aandoening niet oud wordt, valt er natuurlijk wat voor te zeggen om zo’n persoon vrij te stellen. Maar de vraag is wat men dan aanmoet met mensen waarvan bekend is dat het ‘in de familie zit’ om heel oud te worden. Mogen zij dan niet tot het einde van hun leven van hun pensioen genieten? Duidelijkheid is een groot goed, maar je moet daarin niet te ver gaan.”
Waar de lijn ten aanzien van transparantie getrokken dient te worden is een lastige vraag, vindt hij. Maar dat er een lijn getrokken moet worden staat wat hem betreft buiten kijf. “Het risico van te veel duidelijkheid is dat men afstand neemt van het collectieve systeem. Als men het systeem te veel individualiseert, komt men uit op een regeling die bij een gemiddelde levensverwachting eenvoudigweg te duur is.”
Voor een deel is dit een kwestie van ‘mens- en maatschappijvisie’. Het ligt er maar aan wat men tot prioriteit neemt: Een regeling die het beste aansluit bij de persoonlijke situatie, of een regeling die het beste uitpakt voor de gemiddelde persoon. Hij kiest nadrukkelijk voor het laatste. “Als je een collectieve regeling treft, bestaat de kans dat je een verlies loopt. Dat accepteer ik omdat het gemiddelde goed uitkomt. Je kunt geluk hebben: Een man die de 79 passeert wordt in feite ‘profiteur’. Maar ik zou het buitengewoon betreuren als die man op zijn 78e verjaardag een kaartje krijgt waarop staat: ‘Dit is uw laatste levensjaar dat u pensioen ontvangt; zoekt u het verder maar uit.’”
Het feit dat door de vergrijzing de risico’s binnen een pensioenfonds groter worden, doet aan die mensvisie niets af. “Het antwoord is niet om de risico’s te verkleinen door solidariteit en collectiviteit af te breken, maar om de risico’s beheersbaar te houden binnen het collectieve systeem.”
De toekomst: collectieve zorg in natura
Het boek ‘Kosten en baten van collectieve pensioensystemen’ maakt duidelijk dat collectief georganiseerde voorzieningen aanmerkelijk goedkoper zijn dan individuele regelingen. Bij verzekeraars gaat bij individuele arrangementen een kwart van de premiebijdrage op aan kosten en winst, terwijl dit bij collectieve regelingen maar 3,5% is. Gezien de voortdurend stijgende kosten van de zorg vragen sommigen zich dan ook af of het geen tijd wordt dat pensioenfondsen ook zorgproducten gaan aanbieden. “Daarbij zou ik denken aan producten in natura, die naast zorg ook bijvoorbeeld op gebied van wonen kunnen liggen,” zegt Borgdorff.
Het lijkt hem zinvol dit te overwegen, maar niet als de pensioensector daarvoor de domein- en taakafbakening moet opgeven. “Dat is het ons niet waard.” Wat niet is kan echter nog komen. “Het stelsel dat we vandaag hebben is een evolutieproduct. Dus laten we vooral niet zeggen dat we niet meer na hoeven denken. Wat vandaag niet mag, is over tien jaar misschien wel heel gewoon.”
Hij verwijst hierbij naar fondsen die een geďntegreerd keuzepakket van pensioenproducten willen kunnen aanbieden waarin ook plaats is voor Levensloop. “Producten op gebied van zorg en wonen worden daarin nog niet meegenomen, maar dat zou natuurlijk wel heel goed aansluiten bij zo’n geďntegreerde benadering.”
De toezichthouder maakt het fondsen wat dat betreft niet gemakkelijk. Niet alleen mogen dergelijke producten uitsluitend via een dochtermaatschappij worden aangeboden, fondsen mogen momenteel niet eens zeggen dat ze een dergelijke dochter hebben.
Het grootste obstakel is vooral technisch van aard, vindt Borg-dorff. “De vraag is, wie voert zo’n regeling uit? Het pensioenfonds, of een andere entiteit die dit namens sociale partners uitvoert, waardoor ook pensioen wordt geadministreerd?”
De markt heeft op dit gebied al voorbeelden. “Denk aan de uitvoeringsorganisaties van diverse sectoren, zoals Cordares en Mn-Services. Die organisaties verzorgen ook bank- en verzekeraarsdiensten. Deze activiteiten worden verricht middels afzonderlijke werkmaatschappijen maar die zijn wel ondergebracht bij hetzelfde conglomeraat. Sociale partners in de betreffende sectoren vertellen hun deelnemers: ‘Die arrangementen deugen en passen bij onze sector.’ Dat kan zonder dat er sprake is van oneerlijke concurrentie, dus zo’n opzet biedt mogelijkheden.”
Printbare versie
Related articles:
|