Vragen aan de toezichthouder en de ministeries van SZW en Financiën
Gepubliceerd op: 30 Mei 2007
(April/Mei 2007)
|
|
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Piet Hein Donner
|
De npn-redactie legt in elke editie van npn vragen vanuit de pensioensector voor aan de toezichthoudende instanties. Ditmaal werden uw lezersvragen beantwoord door De Nederlandsche Bank, het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het ministerie van Financiën.
npn: Enerzijds heeft het pensioenfondsbestuur de fiduciaire taak een goed en betaalbaar pensioen te realiseren voor de deelnemers. Dat betekent dat het fonds een zo hoog mogelijk netto rendement dient te behalen, met inachtneming van internationaal en nationaal erkende regels aangaande maatschappelijk en ethisch verantwoord beleggen.
Anderzijds vraagt de maatschappij om inachtneming van ‘maatschappelijke normen’ inzake beleggingen. Ook als die normen niet zijn vastgelegd in erkende regulering, en ook als die normen ten koste gaan van rendement. Als een fonds uit dat soort maatschappelijk onaanvaardbare beleggingen (bijvoorbeeld wapenfabrikanten die clusterbommen en landmijnen produceren) stapt en daarmee rendement laat liggen, wat dan? Dient een pensioenfonds zijn fiduciare taak te verzaken om aan maatschappelijke normen te voldoen? Of dient een pensioenfonds de fiduciaire taak voorop te stellen, ten koste van de maatschappelijke normen?
Antwoord van DNB:
Het beleggingsbeleid, of algemener geformuleerd de rendement-risico verhouding van het pensioenfonds, is de verantwoordelijkheid van het pensioenfondsbestuur. Er zijn geen wettelijke restricties die aangrijpen op het beleggingsbeleid. De toezichthouder speelt daardoor in dit kader een indirecte rol. De laatste jaren is er een tendens dat pensioenfondsen, vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, zichzelf bepaalde beperkingen opleggen met het oog op duurzaam beleggen. Ook treden zij actiever op als mede-eigenaar van ondernemingen tijdens aandeelhoudervergaderingen. Het is een goede zaak dat in deze de transparantie toeneemt. Daardoor kan het debat over wat wenselijk en onwenselijk is in de openheid plaatsvinden. Overigens zijn er wetenschappelijke onderzoeken waaruit blijkt dat duurzame beleggingen qua rendement niet achterblijven bij het rendement op vergelijkbare reguliere beleggingen die geen rekening houden met duurzaamheid.
Antwoord van het ministerie van SZW:
Minister Donner heeft tijdens het vragenuur op 20 maart in de Tweede Kamer laten weten dat de besturen van de pensioenfondsen bepalen waar het geld belegd wordt. De besturen van de fondsen worden gevormd door vertegenwoordigers van de werkgevers en de werknemers. Zij zijn verantwoordelijk voor het beleggingsbeleid. Grotere fondsen hebben intussen hun beleggingen openbaar gemaakt. De minister ziet geen aanleiding om een moreel appèl op de fondsen te doen.
Antwoord van het ministerie van Financiën
Voorop staat dat beleggingen binnen de grenzen dienen te blijven die daar vanuit de wet aan worden opgelegd. België heeft op dit vlak recent wetgeving geïntroduceerd. Met de Tweede Kamer is onlangs afgesproken dat gekeken zal worden naar de normen die de Belgische regering heeft gesteld. Los van de vraag wat mag, zal in het maatschappelijk debat altijd discussie bestaan over wat moreel wenselijke of acceptabele activiteiten zijn. Waar de één een belegging in een wapenfabriek op voorhand onaanvaardbaar vindt, zal een ander zeggen dat legers nu eenmaal wapens nodig hebben en dat er dus weinig mis is met beleggingen in industrieën die wapens produceren. Financiën vindt dat het primair aan deelnemers in en bestuurders van een pensioenfonds is om fiduciaire en maatschappelijke normen met elkaar in evenwicht te brengen. Zij hebben ook de instrumenten en daarmee de macht, om het beleggingsbeleid te bepalen.
npn: Deze vraag is speciek gericht aan DNB. De interesse in fiduciair beheer neemt toe onder pensioenfondsen, maar het is vooralsnog zeer moeilijk om aanbieders objectief te vergelijken. Er gaan daarom stemmen op om een fiduciair ‘kwaliteitslabel’ te ontwikkelen. Hoe staat DNB daar tegenover, en wie zou op zo’n label moeten toezien?
Antwoord van DNB:
De ontwikkeling van een dergelijk kwaliteitslabel lijkt ons vooral een verantwoordelijkheid van de bedrijfstak zelf. Daarbij moet bedacht worden dat fiduciair vermogensbeheer in het algemeen een beleggingsmandaat betreft dat is afgestemd op de specifieke situatie van het individuele pensioenfonds. Het is daarbij belangrijk om op voorhand goede afspraken te maken over de transparante incentivestructuur en fee-structuur, zodanig dat de belangen van het pensioenfonds en de vermogensbeheerder in dezelfde richting wijzen.
npn: België is een offensief begonnen om pensioenfondsen aan te trekken, met als argument dat de toezichtseisen in België minder stringent zijn dan in Nederland. In hoeverre moet de Nederlandse industrie zich zorgen maken over het Belgische offensief? In hoeverre zijn de Nederlandse toezichtseisen wellicht te streng? En komt er vanuit de ministeries wellicht een tegenoffensief?
Antwoord van DNB:
Net als alle andere EU landen implementeert België de Pensioenfondsenrichtlijn. Dit stelt België voor de uitdaging om het toezichtkader in lijn met de richtlijn aan te passen. Dat doet België via de introductie van een nieuw wettelijk kader. De Pensioenfondsenrichtlijn schrijft voor dat pensioenfondsen over voldoende activa beschikken om het geheel van de verplichtingen te dekken. Kortom een dekkingsgraad van tenminste 100%. Daarnaast geldt een minimaal vereist eigen vermogen dat ongeveer 5% van de technische voorziening bedraagt. Dit geldt voor elke lidstaat. Vervolgens zijn er aanvullende mechanismen die zekerheid bieden voor de deelnemers aan pensioenregelingen. Immers, als pensioenfondsen risicovol beleggen en tegelijkertijd bepaalde opgebouwde pensioenrechten garanderen, moeten risico’s kunnen worden opgevangen. Deze zekerheidsmechanismen verschillen per land. Omdat in Nederland de pensioenfondsen financieel en juridisch onafhankelijk zijn van de achterliggende onderneming, het fonds niet kan terugvallen op een garantiefonds of onderneming om eventuele verliezen te dekken, is een andere manier nodig om de belangen van deelnemers te borgen: het aanhouden van eigen vermogen (buffer). Hierdoor kan Nederland relatief duur lijken. Daar staat tegenover dat er geen kosten zijn van een garantiefonds en dat Nederlandse ondernemingen geen bijstortingsverplichting kennen als het pensioenfonds in financiële nood komt. Tegelijk is het risico dat rechten van deelnemers moeten worden gekort in geval de sponsor niet aan zijn be-talingsverplichting kan voldoen door het Nederlandse toezichtkader beperkt. Het rendement op de buffer draagt bovendien bij aan de indexatiekwaliteit en premiestabiliteit.
De Belgische toezichthouder ontwikkelt momenteel meer gedetailleerde toezichtregelgeving. Een mogelijkheid daarbij is het opleggen van eventuele bijstortverplichtingen voor de sponsor als het pensioenfonds zijn verplichtingen niet kan nakomen. Dit kan gevolgen hebben voor de balans van een onderneming, omdat de huidige verslagleggingregelgeving vereist dat dergelijke risico´s in de boekhouding tot uiting komen. Een eventueel in België toe te passen hogere disconteringsvoet voor de verplichtingen kan leiden tot een lagere kwaliteit (en waarde) van de pensioenaanspraak en een grotere kans op onderdekking. Verder zijn er mogelijk verschillen in de kans die deelnemers hebben op een pensioen dat na de ingangsdatum wordt geïndexeerd. Waarbij overigens wordt aangetekend dat de consistentie-eis en de informatiebepalingen blijven gelden als een pensioeninstelling uit een andere lidstaat een Nederlandse pensioenregeling uitvoert.
Met dit alles is het de vraag of Nederlandse toezichteisen strenger zijn dan de Belgische, als een pensioenaanspraak van identieke kwaliteit in ogenschouw wordt genomen. De Nederlandse regels, en de Nederlandse uitvoeringspraktijk, hebben bewezen in het verleden voldoende flexibel te zijn om maatwerk te leveren. De Belgische regels zijn nog onvoldoende in detail bekend voor zo’n analyse.
Antwoord van het ministerie van SZW:
Minister Donner heeft tijdens een debat op 3 april in de Tweede Kamer aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat er pensioenfondsen een vertrek naar België overwegen. Volgens de minister is de vrees dat fondsen naar België vertrekken ongegrond. Hij noemde daarvoor drie argumenten:
- Verplaatsing van de statutaire zetel van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds leidt tot verlies van de verplichtstelling. Hierdoor zullen deze fondsen, waar het merendeel van de Nederlandse werknemers bij aangesloten is, niet snel deze keuze maken.
- Daarnaast blijft de kern van de Pensioenwet - wat men belooft moet men ook nakomen - ook van toepassing op buitenlandse pensioeninstellingen die een Nederlandse regeling uitvoeren.
- De deelnemers zitten er zelf bij. Zij hebben invloed op de besluitvoering via bestuursdeelname èn via de deelnemersraad dan wel de OR.
Antwoord van het ministerie van Financiën:
Ook Financiën is zich bewust van deze trend van toenemende concurrentie om pensioenfondsen. Wij beschouwen deze ontwikkelingen als onontkoombaar en volgen ze met grote belangstelling. De kunst is om er niet defensief en krampachtig over te doen en vooral alternatieven te ontwikkelen die we als Nederland kunnen bieden. In Nederland hebben we één van de beste pensioensystemen van de wereld, aangevuld met een enorme expertise op het brede terrein van pensioenverzekeren. We zien dan ook prima mogelijkheden om als Nederland concurrerend te blijven. Over die mogelijkheden zijn we met verschillende partijen in gesprek.
Op Europees niveau is een ondergrens afgesproken over de toezichteisen. Ook in België zal deze ondergrens moeten worden gewaarborgd. Voorts is het van belang dat voor een genuanceerd oordeel over de toezichtverschillen tussen (Europese) landen het integrale pakket aan financiële toezichtseisen moet worden bekeken. Wij komen dan niet tot de conclusie dat de toezichtseisen hier te hoog zijn. Bovendien zijn lage toezichteisen niet zonder meer het beste voor de deelnemers in een pensioenfonds.
Printbare versie
|