Verandering omzetbelastingpositie van beleggingsfondsen en fondsen
Gepubliceerd op: 10 December 2004
|
|
Edwin van Kasteren, Advocaat Belastingadviseur, Clifford Chance LLP, Amsterdam
|
Veel Nederlandse pensioenfondsen maken gebruik van beleggingsfondsen of fondsen voor gemene rekening om bijvoorbeeld beleggingen te ‘poolen’ en zo de nodige schaalvoordelen te behalen. Tot 21 oktober 2004 nam de Nederlandse belastingdienst de positie in dat een beleggingsfonds of een fonds voor gemene rekening geen ondernemer was voor de omzetbelasting. Als gevolg daarvan was geen Nederlandse omzetbelasting verschuldigd over advies- en financiële diensten verricht vanuit andere EU lidstaten.
Voor deze diensten geldt namelijk kort gezegd dat zij belastbaar zijn in het land waar de dienstverrichter is gevestigd, tenzij de afnemer een ondernemer voor de omzetbelasting is. Is de afnemer van deze dienst een ondernemer dan zijn de diensten belastbaar in het land waar de afnemer is gevestigd. Dus over bijvoorbeeld diensten van Engelse vermogensadviseurs of de diensten van een Engelse bewaarder van effecten aan een Nederlands beleggingsfonds of fonds voor gemene rekening was geen Nederlandse omzetbelasting verschuldigd. Indien in het buitenland het Nederlandse beleggingsfonds of fonds voor gemene rekening wel als ondernemer voor de omzetbelasting werd aangemerkt was ook aldaar geen omzetbelasting verschuldigd.
De BBL zaak
Op 21 oktober 2004, heeft het Europese Hof van Justitie (het Europese Hof) een arrest gewezen in de zaak Bank Brussel Lambert SA (BBL) dat van belang is.
BBL, een Belgische vermogensbeheerder, verrichtte vermogensbeheerdiensten aan een Luxemburgse SICAV, een soort collectief beleggingsfonds. De Belgische belastingdienst was van mening dat BBL Belgische omzetbelasting over haar vergoeding in rekening had moeten brengen omdat zij vond dat de SICAV geen ondernemer voor de omzetbelasting was. BBL was van mening dat geen Belgische omzetbelasting verschuldigd was over haar diensten aan de SICAV omdat de SICAV wel ondernemer was voor omzetbelastingdoeleinden. Derhalve had de SICAV volgens BBL Luxemburgse omzetbelasting over de vermogensbeheerdiensten af moeten dragen. De SICAV droeg echter geen Luxemburgse omzetbelasting af aangezien zij in Luxemburg niet als ondernemer voor de omzetbelasting in aanmerking kwam. In Luxemburg vond men dus, net als de Belgische belastingdienst, dat Belgische omzetbelasting in rekening gebracht had moeten worden.
De Belgische rechter vroeg het Europese Hof of een SICAV een ondernemer is voor omzetbelastingdoeleinden. Het Europese Hof besloot dat het gelijk aan de zijde van BBL stond en dat een SICAV inderdaad ondernemer voor omzetbelastingdoeleinden is.
Aangezien de omzetbelastingwetgeving is gebaseerd op een EU Richtlijn, die door iedere lidstaat omgezet moet worden in nationale wetgeving is de uitspraak van het Europese Hof derhalve relevant voor alle lidstaten in de EU en dus ook voor de Nederlandse praktijk. Na de BBL zaak lijkt het niet langer mogelijk Nederlandse beleggingsfondsen en fondsen voor gemene rekening als niet ondernemer voor de omzetbelasting aan te merken.
Gevolgen van de BBL zaak voor pensioenfondsen
Pensioenfondsen die gebruik maken van fondsen voor gemene rekening zullen de gevolgen van de BBL zaak in acht moeten nemen. Nu de fondsen voor gemene rekening door de BBL zaak als ondernemer voor de omzetbelasting dienen te worden aangemerkt, zullen zij verplicht zijn zich te registreren voor de omzetbelasting. Tevens dienen zij zelf de verschuldigde 19% Nederlandse omzetbelasting over bijvoorbeeld advies- en bewaardiensten verricht door buitenlandse adviseurs af te dragen. De activiteiten van fondsen voor gemene rekening zijn over het algemeen zo dat zij geen recht hebben op teruggave van de in rekening gebrachte omzetbelasting. Derhalve kan deze wijziging in de omzetbelastingpositie leiden tot een aanzienlijke kostenverhoging voor de fondsen voor gemene rekening. Voor pensioenfondsen die gebruik maken van dergelijke fondsen om schaalvoordelen te behalen, is het dus zaak om te bepalen of zij wel optimaal gebruik maken van de mogelijkheden om deze kosten te beperken.
Veel fondsen voor gemene rekening kunnen immers gebruik maken van een vrijstelling voor het beheren van ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen. Deze vrijstelling kan worden toegepast op de vergoedingen betaalbaar aan vermogensbeheerders indien het beheerde vermogen van het fonds bijeen is gebracht door meer dan één participant. Ook na de BBL zaak blijft deze vrijstelling gewoon beschikbaar. Van belang voor het verkrijgen van deze vrijstelling is met name dat sprake is van vermogensbeheerdiensten en niet van vermogensadvies. De overeenkomsten met de fondsen voor gemene rekening moeten dus ook overeenkomsten van vermogensbeheer zijn en geen adviesovereenkomsten zodat de vrijstelling kan worden toegepast. Het Europese Hof buigt zich momenteel over de reikwijdte van het begrip beheer en de vraag of hier ook administratieve diensten onder kunnen vallen.
Tevens bevat de wet vrijstellingen voor financiële prestaties waar het fonds voor gemene rekening gebruik van kan maken. Zo bestaat er bijvoorbeeld een vrijstelling voor bemiddeling bij aan- en verkoop van effecten. Door op de juiste wijze gebruik te maken van de verschillende vrijstellingen kunnen de nadelige omzetbelastinggevolgen van het BBL arrest voor fondsen voor gemene rekening zo veel mogelijk worden beperkt.
Printbare versie
Related articles:
|