Het grootste pensioenfonds ter wereld
Gepubliceerd op: 23 Augustus 2007
(Augustus/September 2007)
Het Japanse 'Government Pension Insurance Fund' torent hoog boven de rest van de pensioenwereld uit. Met een vermogen van om en nabij de 900 miljard dollar is het Japanse overheidsfonds ongeveer vier maal zo groot als het Nederlandse ABP, en verreweg het grootste pensioenfonds ter wereld. Gabor Mooij neemt deze pensioenreus de maat.
In pensioenkringen staat Japan niet bekend om zijn technologisch vernuft of zijn heerlijke sushi, maar om z'n nijpende vergrijzingsproblematiek. Japan vergrijst veel sneller dan de andere industrielanden. In 2000 was 17,4% van de Japanners ouder dan 65 en de overheid schat dat dit percentage zal toenemen tot 28,7% in 2025 en 35,7% in 2050. De hoge levensverwachting van Japanse mannen en vrouwen (respectievelijk 77 en 83 jaar) is hier debet aan, evenals het geringe kindertal. Met 1,25 kind per vrouw was het land in 2005 al bepaald niet vruchtbaar te noemen, en sinds 2005 is de bevolkingsaanwas krimpende.
Japan is niet alleen het land van de rijzende zon, maar ook het land van het dalende geboortecijfer.
Door deze ontwikkelingen neemt het vergrijzingsspook schrikbarende vormen aan. Er bestaat een reële dreiging dat de beide publieke pensioenregelingen - het 'National Pension' en de 'Employee Pension Insurance' - vanaf 2010 niet meer kunnen voldoen aan de lopende pensioenverplichtingen.
Het publieke pensioenstelsel bestaat uit een basispensioen en een arbeidsgerelateerd pensioen (zie kader). Deze publieke pensioenpijlers zijn beide deels kapitaalgedekt middels premiebetalingen, en deels pay-as-you-go. Met name de eerste pijler komt in de problemen doordat steeds meer Japanners buiten het systeem vallen of hun premie niet betalen. In 2002 werd slechts 62,8% van de premies betaald. Deze trend leidt tot een 'uitholling' van het nationale basispensioen.
Het aanvullend pensioen in de derde pijler biedt weinig soelaas. Veel bedrijfspensioenregelingen hebben niet meer om het lijf dan een eenmalige uitkering aan het einde van een 40-jarige loopbaan.
“De Japanse pensioenen zijn minder goed geregeld dan in Nederland. Dat zie je bijvoorbeeld aan de eenmalige pensioenuitkering die veel werknemers ontvangen,” vertelt Wout Biegstraaten, accountmanager Japan van de Economische Voorlichtingsdienst (EVD), een agentschap van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken.
Maatregelen
De Japanners hebben al een aantal maatregelen genomen om het vergrijzingsprobleem op te vangen. De overheid verlaagde het arbeidsgerelateerde pensioen voor nieuwe rechthebbenden in april 2000. Ook ging men over tot een stapsgewijze verhoging van de pensioenleeftijd voor deze 'Employee Pension Insurance' van 60 naar uiteindelijk 65 in 2025 (mannen) en 2030 (vrouwen).
Om de teruglopende premie-inkomsten van de eerste pijler op te vangen wordt daarnaast de overheidsbijdrage aan het 'National Pension' verhoogd van een derde van de opbrengsten in 2004 tot de helft in 2009.
De meest ingrijpende maatregelen werden genomen in 2004. De overheid besloot de gemiddelde maandelijkse premie voor het nationale pensioen te verhogen van 13300 yen (79 euro) in 2004 tot 16900 yen (100 euro) in 2017. De premie die werkgevers en werknemers betalen voor het arbeidsgerelateerde pensioen stijgt van 13,58 procent van het inkomen in 2004 tot 18,3 procent in 2017. Bovendien worden vanaf 2004 de uitkeringen teruggesnoeid - van gemiddeld 59,3 procent van het netto loon naar een magere 50,2 procent in 2023.
De plannen uit 2004 riepen veel maatschappelijke weerstand op. Vooral de jongere generaties voelden zich benadeeld en net als in Nederland kwam hiermee de solidariteitsgedachte ter discussie te staan.
Maar terwijl de bevolking protesteert vinden waarnemers juist dat er wel een schepje bovenop mag. Zo vraagt Biegstraaten zich af of de Japanners wel voldoende vaart zetten achter hun hervormingen. “Men is er wel mee bezig, maar heeft ook de neiging problemen voor zich uit te schuiven.”
Behoudende reus
Het Government Pension Insurance Fund (GPIF) werd door de Japanse overheid op 1 april 2001 opgericht als onderdeel van de hervormingen. Het nieuwe fonds moest de reserves van het algemene basis- en het arbeidsgerelateerde pensioen gaan beheren, met als opdracht om de matige en zelfs negatieve beleggingsresultaten uit het verleden te verbeteren. Het GPIF beheerde volgens Watson Wyatt in 2005 een vermogen van ruim 870 miljard dollar en dat vermogen is sindsdien verder toegenomen. Het is daarmee verreweg het grootste pensioenfonds ter wereld.
In eerste instantie viel het GPIF direct onder het ministerie van volksgezondheid, arbeid en welzijn. Op 1 april 2006 werd het een onafhankelijk administratief orgaan, maar de nauwe band met het ministerie bleef behouden. “De minister bepaalt doelen voor het GPIF die drie tot vijf jaren gelden. Vervolgens stelt de president van het GPIF een plan op om die doelen te bereiken. Een evaluatiecommissie bekijkt aan het einde van het fiscale jaar en na de periode van drie tot vijf jaar in hoeverre de doelen zijn bereikt,” vertelt Tomoko Yoshihara, medewerkster van de afdeling planning van het GPIF.
Het ministerie bepaalt als het ware de 'normportefeuille' waaraan het fonds zich te houden heeft. De strategische asset-allocatie berust op schattingen van de toekomstige financiële situatie van de overheidspensioenen en economische omstandigheden, en wordt periodiek herzien.
De beleggingsstrategie is uitermate conservatief. Driekwart van het vermogen belegt het GIPF binnen Japan en bijna 60 procent van de beleggingen bestaat uit obligaties.
Yoshihara: “Volgens de ministeriële normportefeuille moet het fonds 67 procent in binnenlandse obligaties beleggen. Omdat dit nu zo'n 50 procent is, moet de allocatie nog verder worden opgetrokken.” Dat betekent een nog behoudender beleggingspakket, waarbij de kans op een goed beleggingsrendement gering is.
Het rendement van april tot december 2006 bedroeg slechts 3,63 procent. Momenteel gaan er stemmen op in de Japanse politiek om het GPIF op te splitsen in onderdelen en om een actievere beleggingsstrategie toe te staan om het rendement te verbeteren. Japan kijkt daarbij naar Singapore en naar de Scandinavische landen. Pensioenfondsen uit deze landen beleggen net als de Nederlandse fondsen actief in het buitenland.
Het Japanse pensioenstelsel
Het Japanse drie-pijlerpensioenstelsel is opgebouwd uit twee 'publieke', verplichtgestelde pijlers en een facultatieve privé-poot in de vorm van bedrijfspensioenregelingen.
De twee publieke pijlers bestaan uit een nationaal pensioenfonds voor de hele bevolking, en een arbeidsgerelateerde pijler die wordt gevormd door de Employee Pension Insurance (EPI), met 32,1 miljoen deelnemers en het pensioen voor ambtenaren, met 4,67 miljoen deelnemers. Deelname aan de EPI is verplichtgesteld voor alle bedrijven met meer dan vijf werknemers. Het publieke systeem is deels een omslagstelsel en deels kapitaalgedekt.
De derde, niet-publieke pijler betreft pensioenvoorzieningen die worden getroffen door werkgevers. Zo mogen bedrijven met meer dan 500 werknemers een pensioenfonds opzetten, de zogenaamde 'Employees' Pension Fund' (EPF). Zesendertig procent van de werknemers bouwt pensioen op via een EPF. Daarnaast stond de overheid werkgevers in 2001 toe defined contribution plannen in te voeren. Dankzij een fiscale regeling hoeven werkgevers geen belasting te betalen over hun bijdragen. Ongeveer één derde van de werknemers neemt aan een dergelijke regeling deel. De meest wijd verbreide vorm van bedrijfspensioen is echter de eenmalige uitkering. Bijna de helft van de Japanse bedrijven kent alleen dit type pensioen. Het gaat om één bedrag ter hoogte van 39 tot 46 maandsalarissen voor personeel dat gemiddeld 40 jaar heeft gewerkt.
In 2000 kwam 65,7 procent van het inkomen van de oudere huishoudens uit collectieve pensioenen. De ouderen halen hun inkomen voor een aanzienlijk deel uit andere bronnen, zoals deeltijdwerk en eigen spaarpotjes. Biegstraaten: “Mensen sparen veel zelf. Onder andere om hun relatief lage pensioen aan te vullen.”
Printbare versie
|