Profiel   Contact   Colofon   Adverteren   Abonnementen   Links   Events   Pensions News  



 
 
Het denken gaat door

Gepubliceerd op:  23 Augustus 2007 (Augustus/September 2007)
— Casper van Ewijk, onderdirecteur Centraal Planbureau

Volgens recente berichten in de financiële pers wil het Centraal Planbureau (CPB) dat De Nederlandsche Bank pensioenfondsen een dekkingsgraad van 150 procent nominaal - 100 procent reëel - oplegt. Hangt pensioenfondsen een minimumdekkingseis van 150 boven het hoofd? Mariska Van der Westen neemt poolshoogte bij het CPB.

Toen CPB-onderdirecteur Casper van Ewijk in april aangaf dat de Toezichthouder zich meer op reële dekkingsgraden van pensioenfondsen zou moeten richten, meldden de financiële media dat het Centraal Planbureau uit is op een verscherping van het pensioenfondstoezicht, met hogere dekkingsgraadvereisten. Niets is minder waar, vertelt Van Ewijk desgevraagd aan npn. “Wij vragen juist om een versoepeling van de buffereisen voor pensioenfondsen met reële ambities.”

In het eind april gepresenteerde rapport 'Efficiëntie en continuïteit in pensioenen: het FTK nader bezien' dat Van Ewijk schreef samen met CPB-directeur Coen Teulings, wordt een aantal tekortkomingen van het huidige toezichtsregime aan de orde gesteld. Vooral de fixatie op nominale zekerheid kan volgens Teulings en Van Ewijk het uitzicht op een reëel, waardevast pensioen in de weg staan.

“Het uitgangspunt 'als je iets belooft, moet je het waarmaken' leidt tot een overdreven nadruk op harde garanties, terwijl onzekerheid en weloverwogen risico's voor een reëel pensioen juist onontbeerlijk zijn,” zegt Van Ewijk. “Daarom pleit ons rapport voor een andere invulling van het toezicht waarin meer ademruimte wordt geboden aan het streven naar reële pensioenen.”

Volgens Van Ewijk dient dit niet te worden opgevat als een pleidooi om pensioenfondsen een minimale nominale dekkingsgraad van 150 op te leggen. “Het gaat ons er dus niet om de minimum vereisten van het toezichtsregime op te schroeven. Het gaat er veeleer om dat het tijd is de puur nominale insteek van het huidige regime te laten varen.”

Hoewel een nominale dekking van 150 misschien ruwweg overeen komt met 100 procent reële dekking, zijn de verschillen tussen nominale en reële dekking zo groot dat het is alsof men appelen met peren vergelijkt, aldus Van Ewijk. “Je kunt met recht stellen dat deelnemers beter af zijn met een reële dekkingsgraad van 100, dan een nominale dekkingsgraad van 150.”

Het FTK ziet erop toe dat pensioenfondsen hun nominale verplichtingen kunnen nakomen en bovendien nog zo'n 25 procent reserve aanhouden. Als men de pensioenen wil indexeren dan dient men als fonds daar bovenop nog eens zeer hoge extra buffers aan te leggen. Volgens Van Ewijk schiet het FTK hiermee zijn doel voorbij.

“Het huidige kader is eigenlijk pervers. Ten eerste krijgen deelnemers niet te horen hoe het nu echt zit met hun pensioenaanspraken. Pensioenfondsen houden zich immers liever op de vlakte, want als ze duidelijkheid bieden worden ze afgestraft met hogere buffereisen. Ten tweede werkt de nadruk op nominale dekking door in het beleggingsgedrag van fondsen. Het beleggingsbeleid is noodgedwongen gefixeerd op het bieden van harde garanties. Niet op het realiseren van een waardevast pensioen.”

Zoals bekend is een nominaal pensioen slechts een half pensioen. Toen zelfs dat halve pensioen ten tijde van de beursmalaise aan het begin van de eeuw het schip in dreigde te gaan, waren nominale maatregelen geboden. Maar nu pensioenfondsen dekkingsgraadgewijs weer wat vlees op de botten hebben, wordt het tijd de aandacht te verleggen van 'half' naar een 'heel' pensioen. Tijd dus om het nominale denken los te laten en het toezicht indexatievriendelijker te maken, constateert Van Ewijk.

“DNB houdt ontzettend vast aan de gedachte: 'alles wat je belooft moet je kunnen waarmaken en dient te worden gegarandeerd met een buffer.' Uiteindelijk streeft de pensioensector echter naar het realiseren van een reëel pensioen en het is duidelijk dat het bieden van harde reële garanties met bijbehorende buffers gewoon te duur is,” zegt hij.

“Misschien is het daarom tijd die harde buffereis te laten vallen. Want hoe erg is het nu eigenlijk als je af en toe onder de vereiste dekkingsgraad komt? Op de keper beschouwd is het helemaal niet zo erg als je de risico's wat meer bij de deelnemers legt.”

Volgens Van Ewijk zijn deelnemers bereid meer risico te dragen als daardoor de kans op een beter pensioen toeneemt. Die risicobereidheid betekent dat er minder behoefte is aan garantiebuffers.

“Een goed pensioen is een onzeker pensioen. Het toezicht zou dus juist dergelijke onzekere pensioenen moeten bevorderen. Daar is het toezichtsregime momenteel niet op toegerust,” zegt hij. “Als we het erover eens zijn dat we voor een goed pensioen willen zorgen, moeten we dus toe naar een kader dat flexibele pensioenen aanmoedigt in plaats van afstraft.”

Daarvoor zijn geen ingrijpende maatregelen vereist. “Het is niet nodig om dekkingsgraadvereisten op te hogen. En evenmin om de pensioencontracten te herzien, of om direct met nieuwe wetswijzigingen op de proppen te komen. Het enige wat hiervoor nodig is, is dat De Nederlandsche Bank het toezichtskader flexibeler interpreteert en toepast,” aldus Van Ewijk.

De ingreep die het CPB voor ogen staat is eenvoudig:

“Naarmate de garanties die een pensioenfonds biedt minder hard zijn en meer meeademen met de financiële positie van het fonds, kan DNB dat fonds gunstiger behandelen en lagere buffereisen stellen.”

Op deze manier zouden pensioenfondsen worden aangemoedigd om zowel hun beleggingsbeleid als hun communicatie naar de deelnemers primair te richten op reële pensioenen.

Bovendien zou een meer reëel georiënteerd toezichtbeleid het tweede pijlerstelsel robuuster maken, meent Van Ewijk. “Harde nominale garanties schuiven de risico's door naar toekomstige generaties. Daarin schuilt de grootste bedreiging voor het pensioenstelsel: Het risico is niet zozeer dat we onvoldoende garanties bieden voor de huidige generatie, maar meer dat de toekomstige generaties geen heil meer zien in het systeem. Als instappen in een pensioenfonds voor de jongere generaties nadelig is, gaan jongeren op gegeven ogenblik afhaken. Dan is het niet ondenkbaar dat er aan de verplichtstelling wordt gemorreld. Alleen daarom is het dus al zinvol om de risico's evenwichtiger te verdelen over de generaties, door minder harde garanties die meeademen met het fonds.”

Van Ewijk's pleidooi voor een flexibel en onzeker pensioen betekent overigens geenszins dat hij voorstander is van een wazige pensioentoezegging. “Integendeel. Wij constateren vanuit het Centraal Planbureau dat de pensioenafspraken duidelijker kunnen. We bepleiten een minder harde garantie - niet een minder harde afspraak. Alleen zou die afspraak voorwaardelijk moeten zijn: Het pensioenfonds zegt keihard toe een geïndexeerd pensioen op te leveren, mits het over voldoende middelen beschikt.”

Is dit niet precies hetzelfde als wat met de indexatiematrix en het nieuwe indexatielabel wordt beoogd?

“In zekere zin wel, ja. Maar een nominaal kader met daar bovenop een indexatiematrix of indexatielabel is een zeer omslachtige manier om tot heldere, reële pensioentoezeggingen te komen. Dat kan eenvoudiger, door van meet af aan te sturen op reële pensioenen. Zonder eerst een nominale tussenstap te maken.”

Nu het er in de pensioenwereld allemaal rooskleuriger uitziet en de potten weer gevuld zijn, is het ideale moment om die slag te maken, vindt Van Ewijk. “Het FTK heeft zijn nut bewezen, maar moet geen eindstation worden. Het denken gaat door.”


Volksverlakkerij

Een nominaal pensioenstelsel dat mensen 70 procent van het loon belooft, maakt zich schuldig aan volksverlakkerij. “Het verschil in waarde tussen een nominaal en een reëel pensioen kan wel 40 procent of meer belopen,” zegt risicobeheerdeskundige Theo Kocken. “Als mensen er dan aan het einde van de rit achter komen dat hun pensioen maar 40 procent van hun salaris bedraagt, voelen ze zich bedrogen.”

Een indexatiematrix of -label is niet meer dan een doekje voor het bloeden: “De gemiddelde deelnemer heeft geen idee van het verschil tussen nominaal en reëel. Alleen als je het pensioensysteem van meet af aan in reële termen uitdrukt, houd je mensen niet langer voor de gek.”

Hij is het eens met Van Ewijk's stelling dat je geen harde garanties moet eisen. In plaats daarvan moet je veel duidelijkere contracten maken. “Een reëel stelsel betekent namelijk dat je duidelijkheid moet bieden over hoe de risico's precies verdeeld worden: wat er wordt afgeschreven en hoe er precies bij welke generatie wordt afgeschreven. En minstens net zo belangrijk, hoe je verschillen in gelopen risico's vertaalt in verdeling van de vruchten in betere tijden. Daarvoor is wel degelijk een ingrijpende verandering van het toezichtskader nodig.”

Niet dat De Nederlandsche Bank nu ineens van pensioenfondsen dient te eisen dat er onvoorwaardelijk wordt geïndexeerd en dat men een minimale dekkingsgraad van 100 procent reëel aanhoudt: “Het punt is eerder dat men de buffereisen moet laten vallen. Als je onvoorwaardelijk indexeert, geef je een sturingsinstrument weg. Die sturing moet dan ergens anders vandaan komen. Een goed alternatief is te vinden in een helder risicobeheer, waarbij transparant wordt gemaakt welke risico's de diverse generaties lopen en die risico's zodanig worden verdeeld dat elke generatie ook bereid is zijn deel daarvan te absorberen.”

Dat kan alleen worden bereikt door de buffervereisten af te schaffen, meent Kocken.

“De buffer is een zwevend surplus dat aan niemand toebehoort - en waar dus ook niemand voor verantwoordelijk is. Bij tekorten krijg je het probleem dat nieuwe generaties niet verantwoordelijk willen worden gesteld voor een 'gat' dat ze niet hebben veroorzaakt. Gepensioneerden betalen niets meer bij, dus dan moet de huidige, krimpende generatie in zijn eentje die hele buffer gaan bijstorten. Dat kan niet,” legt hij uit. “Solvabiliteitsbuffers zonder eigenaar zijn een economische contradictie en staan een transparante en effectieve risicoverdeling in de weg.”

Als alternatief stelt hij voor om de verhouding tussen gepensioneerden en actieven naar voorbeeld van de bancaire BIS-ratio te ontwerpen, waarbij de actieven het 'eigen vermogen' leveren dat het tegenwicht vormt voor het 'vreemd vermogen' van de gepensioneerden. Om een reëler pensioenstelsel mogelijk te maken is volgens Kocken dan ook een herontwerp van het stelsel geboden. “Met wat simpele aanpassingen kom je er niet.”

Printbare versiePrintbare versie

 


Related articles:
Headlines van andere FT Business publicaties
DPN: Deutsche Pensions & Investment Nachrichten
• Wer, wie, was – und warum?
• Im Projekt Europa
• Brief aus Berlin
• Pascal Bazzazi: Auf zur neuen Dauerbaustelle
European Pensions & Investment News
• Danish fund branches further into forestry
• AP funds fail to persuade firms to become more ethical
• Full steam ahead as general fund boosts private equity
• Poland
• Russia’s consumer goods explosion
Nordic Region Pensions & Investments News
• Russia’s consumer explosion
• Hesitant to open Russia’s iron curtain
• Full steam ahead as general fund boosts private equity
• Shedding bonds for an energetic future
Pensions Management - the magazine for pension & investment industry professionals
• Leadership, commitment, oh, and the pensions bill...
• Beta - the devil you know
• Reality bites
• Fighting for fair play
• The full service
Professional Wealth Management
• Banks will benefit from fund changes
• Dresdner plan to isolate PWM and retail unit
• Spreading the word
• Gaining access to a hard to reach market
• Operating models struggling to cope
 ARCHIEF



 

Contact
Abonnementen
Privacy Policy
Terms and Conditions
Webmaster

Mailing address: Financial Times Ltd, Number One Southwark Bridge, London, SE1 9HL, United Kingdom

© The Financial Times Limited 2008