Geruisloos en toch fundamenteel
Gepubliceerd op: 23 Augustus 2007
(Augustus/September 2007)
|
|
Pieter Omtzigt, Tweede Kamerlid voor het CDA
|
Nu de nieuwe pensioenwet een feit is, verplaatst de focus van de politiek zich naar twee onderwerpen: de inhoud van de pensioenregeling en de pensioenfondsbeleggingen. Ontwikkelingen op deze gebieden voltrekken zich zonder veel lawaai, maar zijn toch fundamenteel. Pieter Omtzigt, Tweede Kamerlid voor het CDA, praat u bij vanuit Den Haag.
Reële pensioenregeling
De overgang van eindloon naar middelloon en het voorwaardelijk indexeren van aanspraken tijdens de opbouwperiode is redelijk geruisloos gebeurd, zeker vergeleken met de ophef rond het afschaffen van de VUT, het kolkend boze Museumplein en zo. Toch is de vraag: 'hoeveel pensioen krijg ik eigenlijk?' een eerste punt van aandacht voor werknemers. Het nieuwe Financieel Toetsingskader gaat uit van nominale aanspraken, terwijl de deelnemer natuurlijk primair geïnteresseerd is in de reële waarde van het inkomen op het moment dat hij met pensioen gaat. De discussie die Casper van Ewijk en Coen Teulings lostrekken, zie ook pagina 21 van deze npn, is heel welkom. Want zij pleiten er juist voor om het dogma van nominale aanspraken te verlaten. De fixatie op nominale aanspraken komt voort uit een strikte interpretatie van het nFTK. Die interpretatie staat gelukkig ter discussie.
Een goed ingevuld pensioenoverzicht en pensioenregister kan voor de communicatie hierbij belangrijk zijn. Laat ik voor alle eerlijkheid wel toegeven dat ik stiekem best blij ben dat juist de fondsen en verzekeraars het samen met de SVB doen en de overheid niet ingrijpt. Immers de operatie WALVIS, waar de overheid zelf inkomensgegevens bijhoudt, loopt heel slecht. Ik hoop dan ook van harte dat dat moeilijke project goed blijft gaan. Wanneer het pensioenoverzicht helder is, komt ook vanzelf de discussie op gang over de risico's die gedekt worden en de uitsluitingen die gelden.
Solidair met arbeidsongeschikten
Over uitsluitingen gesproken: Het overlijdensrisico en het arbeidsongeschiktheidsrisico moeten wat mij betreft goed gedekt blijven in de tweede pijler, zonder lange uitsluitingen en carenzjaren. Ik wacht dan ook met spanning het standpunt van staatssecretaris Bussemaker af met betrekking tot de Wet op de Medische Keuringen. Wat vindt zij wel en niet acceptabel? Het is voor mij erg belangrijk dat juist mensen met de kwetsbaarste gezondheid ook kunnen meedelen in de solidariteit. Het zou wrang zijn als zij jarenlang verplicht zouden moeten meebetalen aan ouderdomspensioenen, maar vervolgens hun nabestaanden bij vroegtijdig overlijden wel in de kou blijven staan. Wrang zou ook zijn dat we gedeeltelijk arbeidsgeschikten aanmoedigen zich om te scholen en een andere baan te zoeken, maar hen wel een aantal jaren uitzonderen van dekking van het arbeidsongeschiktheidsrisico en het overlijdensrisico. En een chronisch zieke, die weet dat hij waarschijnlijk geen 65 jaar haalt, wordt wel verplicht mee te betalen aan een ouderdomspensioen. Dus enige solidariteit met hem in het arbeidsongeschiktheidsrisico is wel op zijn plaats.
Goede sier met andermans pensioengeld
Met de discussie over reële pensioenen wordt ook de vraag aangeroerd: Van wie is het pensioengeld, en met name het surplus?
Als werknemer weet je niet hoe de buffers worden aangewend. Wat je wel weet, is dat je samen met je werkgever veertig jaar lang je pensioenpremies betaalt. Die gaan naar het pensioenfonds, dat de pensioenen uitbetaalt.
Tenminste, dat dàcht ik. Totdat ik geconfronteerd werd met twee onverklaarbare uitzonderingen. Jaren geleden hebben de mijnwerkerspensioenfondsen hun uitvoering bij AZL ondergebracht. AZL is in de loop van de jaren het eigendom van een stichting geworden en die besloot de uitvoerder te verkopen: opbrengst 60 miljoen euro. Die euro's gingen niet naar gepensioneerden, maar naar goede doelen in Limburg.
In Rotterdam, Amsterdam en Vlissingen werd het nog bonter. Daar was de pensioenregeling voor havenarbeiders ondergebracht bij een fonds, dat werd overgedragen aan een verzekeraar. Maar een buffer bleef in een stichting. Die is wel zo'n 1,2 miljard euro waard en zou nu gebruikt gaan worden voor allerlei culturele activiteiten. Niet voor de pensioenen. In feite wordt er goede sier gemaakt met andermans pensioenvermogen. Culturele activiteiten zijn natuurlijk mooi, maar daarvoor was dat pensioengeld van die havenwerkers wel nooit bedoeld.
De werknemers en werkgevers die het pensioengeld bij elkaar gebracht hebben, hebben nimmer toestemming gegeven voor deze aanwending van het kapitaal. Sterker nog, als er straks tekorten zouden blijken te zijn, zijn zíj degenen die moeten bijstorten.
Ik heb de minister middenin het reces om opheldering gevraagd en ben zeer benieuwd naar zijn antwoorden. Ik zal er in ieder geval voor waken dat pensioengeld voor pensioenen gebruikt wordt en nergens anders voor.
Verantwoordelijkheid van pensioenfondsen
Wat betreft de beleggingen is het aardig er aan te herinneren dat vijftig jaar geleden de communisten als enigen tegen de pensioen- en spaarfondsenwet stemden. Zij zagen niet in dat door het kapitaalstelsel werknemers ook eigendom zouden krijgen van kapitaal. Of juist dàt wensten zij te voorkomen, dat kan natuurlijk ook! Het is interessant te zien dat, nu dit eigendom er is, het juist de liberalen zijn die zich het meest kritisch uiten over een verplichte deelname.
Met dit inmiddels grote bezit komt een grote verantwoordelijkheid, die door de pensioenfondsen wordt opgepakt. Naar aanleiding van een Zembla-uitzending hebben veel fondsen onmiddellijk hun beleggingsbeleid verduidelijkt en aangescherpt. Ik vermoed dat dit nog maar het begin van de discussie over beleggingen zal zijn. Wanneer een hedgefonds met één procent van de aandelen een brief aan ABN Amro schrijft, lijkt er lichte paniek te ontstaan bij de top van de bank. Pensioenfondsen bezitten samen een veelvoud van dat percentage en zouden juist daarmee een leidende rol kunnen en moeten spelen, in plaats van hedgefondsen en opportunistische aandeelhouders. Juist hun continuïteit en langetermijnvisie moeten leiden tot wijze beslissingen, bijvoorbeeld bij overnames en het vaststellen van het beloningsbeleid. De verantwoordelijkheid van fondsen strekt zich ook uit tot het uitdiepen en ontwikkelen van een werkelijk goede cultuur van corporate governance, zowel bij kleine fondsen als bij de reuzen.
Opvallend
De politieke agenda wordt vaak beheerst door voorvallen en gebeurtenissen. Vaak zijn die helemaal niet zo kortademing als velen denken, maar ontspruiten ze gewoon uit eerdere beleidsbeslissingen, die soms ineens als totaal nieuw gezien worden. In de afgelopen paar maanden is in dat opzicht mij wel een aantal zaken opgevallen.
Ten eerste, de aandacht voor pensioenfondsen die naar België dreigen te vertrekken. Zelf ben ik daar een verklaard tegenstander van. Je hevelt niet zomaar de juridische woonplaats van honderden miljarden over zonder dat zoiets op de lange termijn gevolgen zou krijgen. Daarbij komt dat de pensioensector ook nog eens een hoogwaardige bedrijfstak is en ik zou deze graag in Nederland houden. Juist de Nederlandse stabiliteit heeft ervoor gezorgd dat hier pensioenfondsen konden groeien en bloeien. Als pensioenfondsen zich elders vestigen zal dat onherroepelijk betekenen dat de Nederlandse overheid veel minder middelen heeft om pensioenaanspraken te borgen.
Bij verdergaande Europese regelgeving en harmonisatie moeten we dus heel terughoudend zijn en blijven. Er is geen gelijk speelveld, maar er is al helemaal geen gelijke uitgangspositie. Het is begrijpelijk dat velen loeren op de Nederlandse pensioenreserves en ze met realistische en minder realistische beloftes willen binnenhalen. En als de heer Neyt zegt dat in België niet met een discontovoet van zes procent gerekend mag worden, moet hij me wel uitleggen waarom de Belgische overheid juist dat voorbeeld in haar eigen folders verschaft.
Overnamegolf
Zeker zo opvallend is de zich aankondigende fusie-en overnamegolf op de aandelenbeurzen. In het najaar komt er nieuwe wetgeving als gevolg van het rapport van de commissie-Frijns. In deze discussie merken sommigen voor het eerst dat landen als China en Taiwan erg veel buitenlandse valuta verzameld hebben en dus wel eens vitale Westerse bedrijven zouden kunnen overnemen. Dan vergeten we echter wel dat Nederland door zijn grote institutionele beleggers en zijn investeringsklimaat zelf altijd één van de grootste buitenlandse investeerders is geweest. We moeten dan ook zeer terughoudend zijn met het stellen van allerlei arbitraire grenzen aan buitenlandse investeringen.
Wel zal serieus gekeken worden hoe het stemmen met geleende aandelen in internationaal verband een stuk moeilijker kan worden gemaakt. De kleine extra opbrengst die fondsen in het verleden hadden, weegt niet op tegen de ontwrichting die relatief kleine spelers kunnen veroorzaken. En de aandeelhouders die stemmen, moeten ook gewoon het economisch eigendom hebben van de onderneming. Hopelijk zet de trend dat fondsen het uitlenen stoppenen welbewust zelf een stem uitbrengen met het oog op de lange termijn, zoals bij Fortis, zich snel door. Zo zou ook dit probleem heel snel door de sector zelf worden opgelost.
Printbare versie
Related articles:
|