Beroepspensioenfondsen en het thema collectiviteit
Gepubliceerd op: 10 December 2004
De plannen van de regering om vanaf 2005 vaste premies in te voeren voor zelfstandige beroepen krijgt tegenstand van de beroepspensioenfondsen. De vraag of het beroepspensioenfonds verplicht wordt hangt af van de gelijkheid die er in het beroepspensioenstelsel bestaat. Terwijl de Unie van Beroepspensioenfondsen (UvB) de status quo verdedigt dringt de overheid aan op solidariteit. Brendan Maton rapporteert over beroepspensioenfondsen.
Het is een onontkoombaar feit dat men tegenwoordig meer voor zijn pensioen moet betalen. De deelnemers van PGGM zullen bijvoorbeeld een stijging van pensioenpremies ondervinden van ongeveer 7% in 2001 tot 17,5% in 2006. Voor ander medisch personeel, zoals zelfstandige dokters, fysiotherapeuten en dierenartsen, kan de stijging nog wel hoger zijn. Volgens berekeningen voor de Unie van Beroepspensioenfondsen (UvB), zal een vijfentwintigjarige twee en een half maal zoveel moeten gaan bijdragen als nu. Met andere woorden, een jonge huisarts die dit jaar 10% van zijn salaris opoffert om voor zijn pensioen te sparen zou na 2010 25% moeten betalen voor dezelfde uitkering.
Deze voorgestelde stijging is niet gebaseerd op een verandering in demografische gegevens of ongewoon lage fondsniveaus bij een van de elf fondsen van de UvB, waaronder ook medische specialisten, apothekers, notarissen en loodsen vallen. Het komt door de plannen van de regering om vanaf 2005 vaste premies in te voeren voor zelfstandige beroepen. Alle leden van een pensioenfonds voor zelfstandige beroepen zouden hetzelfde percentage gaan betalen, ongeacht geslacht of leeftijd. De pensioenfondsen zouden tenminste vijf jaar de tijd krijgen om het systeem te veranderen.
De UvB denkt dat dit voorstel averechts zal werken. De Unie zegt dat de regering inspiratie heeft gezocht bij de nieuwe wetten voor werkgever-gesponsorde pensioenfondsen. Maar de 60.000 deelnemers van pensioenfondsen voor zelfstandige beroepen hebben geen sponsor; zij betalen 100% van de bijdragen zelf. Dus terwijl het logisch is dat alle leden van een bedrijfstakpensioenfonds hetzelfde betalen terwijl hun sponsoren zich weten te redden met fluctuaties tussen baten en lasten, zullen jonge professionals misschien niet zo gretig zijn om meer te betalen alleen maar ter wille van hun oudere collega’s.
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid antwoordt hierop dat collectieve regelingen altijd goedkoper zijn dan individuele spaarplannen en omdat de risico’s opgesplitst en verspreid kunnen worden, kunnen er over het geheel meer risico gedragen worden. Het Ministerie zet ook vraagtekens bij de bewering van de UvB dat een jonge professional zijn of haar pensioenkosten met 150% zal zien stijgen, een stijging die de solidariteit in de plannen zal ondermijnen. Het Ministerie beweert dat de UvB een actuarieel onderzoek had aangeboden om dit punt te bewijzen, maar dat men dit nooit heeft ontvangen.
In het najaar van 1999 heeft het Europese Hof van Justitie (EHJ) een uitspraak gedaan ten gunste van de rechtsgeldigheid van het verplichte Nederlandse pensioenstelsel, omdat een algemene dekking niet op een andere manier kon worden bereikt. De uitspraken van het EHJ heeft dus de stelling van individuele bedrijven verworpen omdat verplichte bedrijfstakregelingen inbreuk zouden maken op de vrijheid van verzekeraars om goederen en diensten op het gebied van pensioenregelingen aan te bieden.
Leny van der Heiden-Aantjes, Directie Arbeidsverhoudingen, afdeling Pensioenbeleid bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is bang dat zonder vaste premies de uitspraak van het EHJ kan worden aangevochten: “Wat de regering wil is dat de premies voor iedereen gelijk zijn, ongeacht leeftijd, gezondheid of geslacht. Het is gewoon een kwestie van solidariteit. Wij denken dat dit nodig is omdat het pensioenstelsel de mensen verplicht tot deelname. Zonder deze solidariteit zal een verplicht pensioenstelsel waarschijnlijk niet door de EHJ geaccepteerd worden,” zegt zij.
Als voorbeeld geeft Van der Heiden-Aantjes het huisartsenplan, het grootste in de UvB. Zij stelt dat daarin mannen en vrouwen nog steeds niet gelijk behandeld worden, iets wat zinnig was toen de eerste wet werd geïntroduceerd in 1969 en er veel minder vrouwelijke huisartsen waren, maar in 2004, nu meer dan de helft van de medische studenten in Nederland vrouwelijk is, is het “gewoon niet aanvaardbaar”.
Het tweede strijdpunt heeft ook betrekking op de sociale aanvaardbaarheid van verplichte fondsen voor professionele beroepen. Om te bewijzen dat al die individuen die verplicht lid zijn van een collectieve regelingen de regeling accepteren wilde de regering jaarlijkse een representatieve steekproef nemen.
De UvB heeft steevast de status quo verdedigd, waarbij vertegenwoordiging geschiedt wordt door de bond van de professionals. Voor René Bastian, secretaris van de UvB, is het voorstel van de regering overbodig. Hij wijst erop dat werknemers in de bedrijfstakpensioenfondsen vaak vertegenwoordigd worden door de vakbonden, zelfs wanneer een minderheid van de fondsleden tot de vakbond behoort. Representatieve raden van de beroepen vervullen al een soortgelijke rol in hun pensioenfonds. Bastian begrijpt niet waarom de regering een meerderheidsgoedkeuring wil voor sommige professionele fondsen maar niet voor de bedrijfstakpensioenfondsen.
Dit houdt verband met het heffen van de vaste premies. Voor Bastian betekent dit dat als jonge huisartsen veel meer voor hetzelfde pensioen moeten gaan betalen en tegelijkertijd de mogelijkheid krijgen om zich uit het systeem terug te onttrekken, dat zij zullen opstappen. Dat zou een ironisch resultaat zijn voor een initiatief van de regering, waar al meer dan vier jaar aan gewerkt wordt, om solidariteit in de professionele regelingen aan te moedigen.
Dus hoe is nu de stand van zaken? De regering is gestopt met het jaarlijks meten van het vertrouwen van de deelnemers en gaat verder met een nieuw voorstel voor vijfjaarlijkse verkiezingen met betrekking tot de populariteit van elke regeling. Elk lid van pensioenplannen voor professionals met een eindloonregeling zal om de vijf jaar, vanaf 2010, moeten stemmen of ze hun plan willen laten voortbestaan of ermee willen stoppen. Als meer dan 40% van de leden voor sluiting stemt zal iedereen vrij zijn andere middelen te zoeken om voor zijn pensioen te sparen. Een verplicht systeem zou dus veranderen in een systeem op vrijwillige basis.
Er is een precedent voor zo’n sluiting. In 1996 zijn de tandartsen gestopt met het bijdragen aan het fonds voor hun beroep. Men neemt algemeen aan dat zij bereid waren op individuele basis te gaan sparen. Negen jaar later lijkt het erop dat dit besluit wordt herzien. De tandartsen zijn momenteel aan het stemmen over of ze het fonds van 1 miljard euro zullen heropenen voor nieuwe bijdragen.
Gezien het feit dat een bepaald beroep, via de eigen organisatie, kan besluiten afstand te doen van het collectieve element van pensioenregelingen en bijna een decennium later dit besluit kan heroverwegen, wijst erop dat de Nederlandse fondsen voor professionele beroepen niet zo’n sterke behoefte hebben aan een herziening van de wet als de twistende partijen wel doen voorkomen. De Tweede Kamer zal er echter in 2005 over besluiten en de regering is ervan overtuigd dat het hierin een meerderheid heeft.
|