Is er toekomst voor kleine pensioenfondsen?
Gepubliceerd op: 10 December 2004
Kleinere pensioenfondsen lijken te verdwijnen in de Nederlandse Maatschappij. Het nieuwe FTK, de volatiele economie, de toenemende complexiteit van het pensioensbestuur, en de individualisering van pensioenregelingen lijken bij te dragen tot deze afname. Maar ook de schaalgrote van pensioenfondsen lijkt steeds belangrijker te worden. Deze factoren zijn cruciaal voor de vraag of er een toekomst is voor kleine pensioenfondsen. Bram van den Oever onderzoekt deze trend in detail.
“De toenemende eisen door de maatschappij zullen een aantal kleinere fondsen doen verdwijnen” vertelde Flip Klopper npn in de herfst 2004 editie. Een voorbeeld van het verdwijnen van zo’n klein pensioenfonds via uitbesteding, is de overname van het Blydenstein-Willink ondernemingspensioenfonds. Blydenstein-Willink, een bedrijf dat zonwering produceert, had tot voorkort zijn eigen pensioenfonds. Vanaf 1 januari 2006 zal Achmea alle verantwoordelijkheden van het pensioenfonds op zich nemen. Dik Harthoorn, commercieel directeur Achmea pensioenfondsen, gaf de voornaamste redenen voor deze overdacht: “Punt één, als men nadenkt over de schaal van zo’n pensioenfonds, twee er wordt gekeken naar boekhoudkundige regels [IAS 19] en drie er is gekeken naar of een verzekeraar dat nou gunstiger, strakker en beter kan uitvoeren dan zijzelf deden. Op basis daarvan zijn we in gesprek geraakt en uit de conclusie bleek dat het gunstiger was voor hun om het uit te besteden”.
Uit cijfers, gepubliceerd door De Nederlandse Bank (DNB), blijkt dat in toenemende mate het aantal pensioenfondsen aan het afnemen is. Zo laat figuur 1 zien dat het aantal pensioenfondsen in 2003 al 131 minder is dan vier jaar daarvoor. Met name de ondernemingspensioenfondsen verdwijnen. Volgens Willem Meijerman, branchemanager Public Sector van de ING, zijn het vooral de ondernemingspensioenfondsen die verdwijnen omdat ondernemingspensioenfondsen meestal nogal aan de kleine kant zijn.
De definitie van een klein pensioenfonds blijft onduidelijk. Niettemin geeft de Sectorstudie ‘Pensioenfondsen werknemerspensioenfondsen in Nederland’ van het Economisch Bureau ING (juli 2004) de definitie van midcorporate pensioenfondsen – alle pensioenfondsen in Nederland met uitzondering van de vijftig grootste. De definitie geeft een maatstaf voor het classificeren van pensioenfondsen naar grote.
Het nieuwe FTK en kleine pensioenfondsen
Volgens Jeroen Steenvoorden, directeur Stichting voor Ondernemingpensioenen (Opf), is de financieël toetsingskader (FTK) voor groot en klein gelijk in het opzicht dat beide de verplichtingen hebben om zich op marktwaarde te laten waarderen. Het verschil, volgens Steenvoorden, zit hem voornamelijk in het model dat wordt toegepast; de kleine pensioenfondsen zullen waarschijnlijk de vereenvoudigde modellen gaan gebruiken. Desondanks het feit dat, volgens Steenvoorden, het opf de oplossing werkzaam vindt geeft hij wel toe dat het administratief, als gevolg van het nieuwe FTK, “absoluut complexer” wordt.
Aan de andere kant zegt Harthoorn dat CFO’s van kleinere ondernemingen het waarschijnlijk minder “prettig gaat vinden om zijn toekomstige pensioenverplichtingen ook op zijn balans terug te vinden.”
Het nieuwe FTK is vaak een gespreksthema wanneer ervan uit wordt gegaan dat het de complexiteit van de administratie voor pensioenfondsen verhoogd. Meijerman zegt dat, volgens het Economisch Bureau ING: “vooral de kleinere pensioenfondsen zullen verdwijnen omdat zij te maken krijgen met een wereld die steeds complexer wordt, vooral vanuit de regelgeving en ook de vereisten die aan goede communicatie wordt gesteld.” Het blijkt dus, volgens Meijerman en Steenvoorden, dat het nieuwe FTK, ook al was dit waarschijnlijk niet zo bedoeld, toch zeker in een complexere administratie zal resulteren.
 Figuur 1: Totaal aantal pensioenfondsen
Dat feitelijk het aantal ondernemingspensioenfondsen is afgenomen kan ook worden veroorzaakt doordat het FTK te streng was, zoals Joost Nijtmans, senior beleidsmedewerker bij de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen(VB), dat ziet. De toenmalige PVK heeft op 30 september 2002 de financiële eisen drastisch verscherpt. “Zoals Ortec in een onderzoek in opdracht van de Pensioenkoepels VB, Opf en UvB heeft aangetoond, was deze verwarring enorm en waren de maatregelen, als ze strikt uitgevoerd zouden worden, buiten proportie.”
Daarentegen zegt Herman Schipholt, woordvoeder van het DNB, dat de financiële eisen “juist niet strenger maar juist soepeler ten opzichte van het oude [huidige] toezichtbeleid.” Als inderdaad het nieuwe FTK soepeler is vergeleken met het huidige toezichtbeleid, zou het kunnen dat we vermindering zien in de daling van het aantal pensioenfondsen. Voor de rest, zegt Schipholt: “Het verdwijnen van kleine pensioenfondsen heeft vooral te maken met de eisen aan de deskundigheid van de beleidsbepalers en de kwaliteit van de organisatie.”
 Figuur 2: De fluctuaties per pensioenfondscategorie
De meer volatiele economie
Deze deskundigheid zou niet alleen nodig zijn, voor kleine pensioenfondsen, voor het begrijpen van de administratieve regels maar ook voor de toenemende volatiliteit van economie en de opeenvolgende complexiteit van het beleggen
Nijtmans benadrukt de grotere volatiliteit van de economie en zegt dat het gevolg ervan is dat dat de kans op tijdelijke onderdekking ook vergroot. “De maatregelen die dan genomen moeten worden in dat ene jaar kunnen enorm zijn.” Als inderdaad blijkt dat grotere maatregelen moeten worden genomen voor het nieuwe FTK dan voorheen, dan kan men ervan uit gaan dat kleinere pensioenfondsen, met minder bedrijfsmiddelen, meer moeite hebben zich aan te passen in tijden van onverwachte economische wendingen. Het ziet er dus naar uit dat als de economie een onverwachte wending maakt, de kleinere pensioenfondsen zullen lijden door de nieuwe dekkingsgraadeis van het FTK.
De verhoogde eis van het FTK wil niet zeggen dat noodzakelijk een nadeel wordt gecreëerd door deze regeling. Zoals experts benadrukken; het FTK zal bijdragen tot een beter risicomanagement. Het kan dus zijn dat kleine pensioenfondsen door een volatiele economie lijden maar voor de consument brengt het nieuwe FTK meer zekerheid.
Toenemende complexiteit van het investeren
Meijerman geeft toe dat de complexiteit van de investeringsmarkt een grote factor is voor pensioenfondsen. Maar Meijerman maakt de zaak duidelijk: “De complexiteit van investeren is al dusdanig groot, dat al heel veel pensioenfondsen hebben gekozen het uit handen te geven aan gespecialiseerde instituten”. Dus het probleem van de complexiteit van de investeringsmarkt lijkt opgelost.
Desondanks moet men niet te snel juichen. Steenvoorden zegt namelijk dat het enige wat men niet kan uitbesteden, of moeilijk kan uitbesteden, is het bestuur; “Je moet wel weten wat je bestuurd. En dan moet je je wel weer in die nieuwe dingen verdiepen ... En als je dat niet wil dan houdt het een keer op natuurlijk”. Het is ook niet zo eenvoudig als het lijkt, zeker als de regelgeving rond pensioenen blijft veranderen. Daarom kan het moeilijk blijven voor kleine pensioenfondsen, zelfs als de pensioenfondsen hebben besloten de investeringkant uit te besteden, om de verandering bij te benen.
De individualisiering
Een andere belangrijk aspect voor kleine pensioenfondsen is de toenemende individualisering van pensioen premies, in het bijzonder door de toekomstige levensloopregeling.
Volgens Meijerman maakt de levensloopregeling het adminstreren complexer: “Het maakt ook de pensioen aanspraken ondoorzichtiger, met andere woorden je moet meer en meer gaan voorlichten aan de deelnemers, wat hun keuze mogelijkheden zijn en wat het effect van hun keuze is”. Nogmaals lijken de kleinere pensioenfondsen hieronder te lijden omdat ze, net zoals met de economische volatiliteit, minder middelen hebben om in zulk soort veranderingen te participeren.
Het ING rapport voorspelt dat schaalvergroting naast een herverdeling van risico’s zal optreden. “Bijna de helft van de ondernemingpensioenfondsen zal over vijf jaar zijn verdwenen, al kan samenbundelingdeling van administraties e.d. deze ontwikkeling temperen.” Volgens Schipholt is dit ook logisch omdat hij meent dat kleinere pensioenfondsen “als uitvoeringsorganisatie schaalvoordelen missen, waardoor ze uit oogpunt van kostenefficiëntie vaak geen economisch bestaansrecht hebben.”
Zowel overnames als fusies kunnen een belangrijke rol spelen in deze voorpelde en, zoals Schipholt denkt, nodige schaalvergroting. Natuurlijkerwijs zullen fusies en overnames als consequentie hebben dat het aantal pensioenfondsen verkleind.
In de toekomst zal verdere uitbesteding, overname en fusies een betere optie kunnen zijn voor sommige pensioenfondsen. Volgens Steenvoorden zal “Die discussie bij een aantal pensioenfondsen zeker gaan spelen”. Dit vermoeden wordt bevestigt door Harthoorn omdat Blydenstein niet de laatste zal zijn en Achmea is al in onderhandeling met andere pensioenfondsen, maar Harthoorn kon, begrijpelijk, geen namen noemen.

Figuur 3: De totale afnamen van ondernemingspensioenfondsen. Het aantal ondernemingspensioenfondsen dat er per jaar bij komt neemt af, terwijl het aantal dat eraf gaat toeneemt
Printbare versie
Related articles:
|