Tijd voor een positieve kijk
Gepubliceerd op: 01 Oktober 2007
(Oktober/November 2007)
|
|
Klaas Knot, divisiedirecteur Toezichtbeleid,
De Nederlandsche Bank
|
Het is tijd om een streep te zetten onder de negatieve houding ten opzichte van het nieuwe toetsingskader. Mariska van der Westen sprak met Klaas Knot, divisiedirecteur Toezichtbeleid bij De Nederlandsche Bank: “Eigenlijk is het toezicht helemaal niet streng.”
Een jaar geleden bleek uit een onderzoek van npn dat het implementeren van de Pensioenwet nog heel wat voeten in aarde zou hebben. Zo gaf slechts rond de 36% van de pensioenfondsen aan geheel klaar te zijn voor de invoering van het nieuw Financieel Toetsingskader.
Een jaar later staan de zaken er heel wat rooskleuriger voor. “Dat percentage ligt nu ongetwijfeld veel hoger,” zegt Klaas Knot. “De pensioenwereld heeft zich een forse inspanning getroost om de nieuwe wetgeving te implementeren. Al hebben met name kleinere fondsen nog wel het een en ander te doen.”
Ook sector-breed blijft er nog werk aan de winkel. “Zo heeft minister Donner recent aangegeven dat de contouren van het indexatie-label helder zijn, maar het ontwerp nog niet geheel gebruiksklaar is. Daarnaast spelen enkele overgangsbepalingen. Denk bijvoorbeeld aan de continuïteitsanalyse: Om echt goed zicht te krijgen op de risico's is een stochastische analyse die rekening houdt met onzekerheden een must, maar de eerste drie jaar mag men ook nog gebruik maken van een simpele deterministische analyse.”
Op het gebied van goed pensioenfondsbestuur gaat de weg ook niet over rozen. “De code voor goed bestuur is in de wet opgenomen, maar om iedereen wat meer armslag te geven, gaat het toezicht op dit aspect met een jaar vertraging in, dus pas vanaf januari 2008.” Wel kijkt de toezichthouder dit jaar al of er vooruitgang wordt geboekt met de voorbereidingen. “We hebben daartoe een inventarisatie gemaakt: hoe gereed is men? Het beeld dat daaruit naar voren komt is nog niet heel vrolijk. Er moet nog veel gebeuren in de tweede helft van dit jaar, willen fondsen op tijd klaar zijn.”
De schoen wringt met name op het intern toezicht en de deskundigheidstoetsing. Zo wil het opstellen van een deskundigheidsplan nog niet erg vlotten. “Het is allemaal nieuw, het is wennen en het is een hoop werk,” zegt Knot. “Grote fondsen zijn op deze punten al relatief ver, maar die hebben natuurlijk ook meer mensen en middelen ter beschikking dan kleine fondsen. Bovendien zie je een neiging om alles uit te stellen tot het laatste moment. Niets menselijks is pensioenfondsbestuurders vreemd.”
Groter is beter
Knot heeft begrip voor de klachten van kleinere fondsen. “We krijgen te horen dat het allemaal wel heel veel is, en alles komt tegelijkertijd. Men zucht onder het juk van de regelgeving,” zegt hij. “Ons antwoord is dat we dat wel begrijpen, maar de omslag in regelgeving en toezicht is nu eenmaal nodig.”
Zit er voor de kleinste fondsen niets anders op dan zich op te heffen? “Dat ligt genuanceerder. Natuurlijk wil je als deelnemer wel dat je belangen goed zijn geborgd om uitzicht te hebben op een adequate pensioenuitkering. Daarbij wil ik nog opmerken dat klein ook een waarde kan hebben, bijvoorbeeld door meer ruimte voor maatwerk en persoonlijk contact met de deelnemers. Het gaat er om dat een pensioenfonds betaalbaar blijft voor alle belanghebbenden ten opzichte van de alternatieven.”
De terugloop in het aantal kleine pensioenfondsen is volgens Knot duidelijk zichtbaar en onvermijdelijk. “Er worden jaarlijks zo'n 50 pensioenfondsen opgeheven. Het aantal is al teruggelopen van 1.100 naar ongeveer 700, en dat proces is nog niet afgelopen. De aard van de pensioenbusiness verandert. Regelingen zijn ingewikkelder geworden. En terwijl vroeger elk tegenslagje wel uit de premie kon worden opgevangen, is dat gezien de vergrijzing niet langer mogelijk. Om de regeling betaalbaar te houden, is het dus absoluut noodzakelijk om risico's te nemen en voldoende draagvlak te hebben om deze risico´s evenwichtig te kunnen verdelen. Tegelijkertijd neemt de maatschappelijke druk toe om over die risico's verantwoording af te leggen. Dit alles stelt hogere eisen aan intern en extern toezicht, en daarmee aan de corresponderende governance- en financiële toezichtskaders,” legt hij uit. “Een verscherping van de eisen is inherent aan het complexer worden van de business.”
Om aan die eisen te kunnen beantwoorden, worden schaalvoordelen steeds belangrijker. “Het is nu eenmaal eenvoudiger om te investeren in een professionele risicobeheersing als je groter bent. Maar ook kosten voor vermogensbeheer dalen spectaculair naarmate je een groter vermogen te beheren hebt.” Grotere pensioenfondsen kunnen veelal efficiënter functioneren, en daar plukken hun deelnemers de vruchten van. “Een bewuste keuze voor kleinschaligheid kan weloverwogen zijn, maar dan moeten alle belanghebbenden ook voldoende inzicht hebben in de kosten en baten van deze keuze. Pensioenfondsen ontlenen hun bestaansrecht tenslotte aan het belang van de deelnemers.”
Niet te streng
De gedachte dat het toezichtregime te streng zou zijn, wijst hij dan ook van de hand. “De vermeende strengheid van het FTK, daar geloof ik niet in. De facto is het Nederlandse FTK een nominaal kader; bij het vaststellen van de pensioenverplichtingen wordt nog geen rekening gehouden met de koopkracht. In Nederland rekent eigenlijk iedereen op een geïndexeerd pensioen. De vuistregel is dat een reëel pensioen ongeveer anderhalf keer zo duur is als een nominaal pensioen. In termen van de pensioenfondsbalans betekent dit een dekkingsgraad van 150. Het huidige toezichtkader betekent voor een gemiddeld pensioenfonds een vereiste dekkingsgraad van tussen de 125 en 130. Zo streng is dat dus helemaal niet.”
Als het streven is om een reëel, geïndexeerd pensioen aan te bieden, zou het dan niet handiger zijn om de dekkingssituatie in reële termen in plaats van nominale uit te drukken?
“Wij zijn als DNB ook niet heel erg gelukkig met die nominale fictie van het FTK. We zijn dan ook voorstander van de gedachte om alles van meet af aan in reële termen te stellen, zoals onlangs vanuit het Centraal Planbureau werd geopperd,” zegt Knot. “We zijn het eens met het CPB dat in langetermijnperspectief de reële dekkingsgraad veel interessanter is voor deelnemers. Daarom publiceren we in onze berichten naast de nominale, ook altijd de reële dekkingsgraad.”
De keuze was echter niet aan De Nederlandsche Bank: “Het is de politiek geweest die in 2003 koos voor een nominaal kader, met financiële eisen die alleen van toepassing zijn op de keiharde juridisch afdwingbare toezegging. Vanuit DNB is toen aangegeven dat het onze voorkeur had om meer nadruk te leggen op de reële dekkingsgraad, waarmee meer recht wordt gedaan aan de economische realiteit en maatschappelijke verwachtingen.”
Een reëel kader komt echter wel met een prijskaartje, waarschuwt Knot. “Zelfs als er voor indexatie geen extra buffer wordt aangehouden, vraagt een reële dekkingsgraad van 100 nog altijd om het equivalent van 150 nominaal. De enige andere optie is dat pensioenfondsen hun deelnemers vertellen dat men geen geld in kas heeft om die indexatie waar te maken - een boodschap die pensioenfondsen liever niet verkondigen en die de nodige onrust kan veroorzaken onder de deelnemers.”
Solvabiliteit over de grens
Ook in vergelijking met andere landen heeft het FTK ten onrechte de naam te streng te zijn, vindt DNB.
“Zo lijkt het Nederlandse toezicht strenger te zijn dan het Belgische. Maar daarbij wordt uit het oog verloren dat het Belgische regime zich baseert op globale uitgangspunten waarvan van tevoren niet duidelijk is hoe deze in concrete situaties worden ingevuld. De vermeende soepelheid van het Belgische regime berust daarom ten dele op gebrek aan transparantie. Het Nederlandse kader is daarentegen kristalhelder en biedt pensioenfondsen een hoge mate van rechtszekerheid,” zegt Knot.
DNB heeft inmiddels een studiebezoek gepland bij de Zuiderburen: “We gaan binnenkort eens een keertje goed praten met de Belgische toezichthouder.”
Het Belgisch regime voldoet wel aan minimumniveau van de Europese richtlijn, “maar dat ligt niet erg hoog. We zijn gelukkig bezig dat minimumniveau terug op de Europese agenda te zetten. Daarbij willen we graag met de andere Europese landen van gedachten wisselen over de wenselijkheid van Europese adequate toezichtstandaarden en -methodieken. Immers, concurreren op toezichteisen die bescherming moeten bieden, is niet in het belang van deelnemers.”
Een dergelijk Europa-breed solvabiliteitsregime betekent overigens niet dat DNB er voor pleit om het Solvency II kader, zoals dat geldt voor verzekeraars, onverkort toe te passen op pensioenfondsen. “Dat is niet onze insteek. Wel biedt Solvency II nuttige handvatten. Uitgangspunten als marktwaardering, risicogebaseerde solvabiliteit en transparantie gelden voor pensioenfondsen evenzeer als voor verzekeraars. En je kunt ten aanzien van een aantal gemeenschappelijke risico's, zoals het langlevenrisico, natuurlijk wel leentjebuur spelen. Maar de pensioenfondsbalans is wel anders. Pensioenfondsen kennen meer contingente claims, men heeft meer sturingsinstrumenten en een totaal andere governancestructuur. Zowel bij de Europese toezichthouders als de ministeries van Sociale Zaken is er oog voor die verschillen. Men hoeft niet bang te zijn dat hier op Europees niveau ongenuanceerd mee wordt omgesprongen.”
Vestigingsland
Ook de bezorgdheid dat het FTK Nederland internationaal als vestigingsland op een zijspoor zet, is volgens Knot ongegrond.
Alle landen bieden ten aanzien van pensioen een bepaalde zekerheid. Men gebruikt daarvoor verschillende instrumenten, maar elk instrument heeft zijn prijs. In Nederland is gekozen voor solvabiliteit als instrument, waarbij de zekerheid is verankerd in de vereiste solvabiliteitsbuffer. “De keuze voor solvabiliteit als zekerheidsinstrument werkt juist in ons voordeel: Het FTK sluit aan bij de algemene trend naar risicogeoriënteerd toezicht en is een instrument om handen en voeten te geven aan het 'prudent person principle'. Daar staat tegenover dat ons land geen bijstortingsverplichting voor de sponsor kent en geen (publiek) garantiefonds heeft.”
“Daarnaast liggen er internationaal kansen voor de Nederlandse sector op het gebied van uitvoering en vermogensbeheer. Om die optimaal te benutten moeten we heel snel zorgen dat de vereiste kennis bij elkaar komt, en we moeten een tandje bijsteken om voor de juiste opleidingen te zorgen,” zegt Knot. “De ideale vestigingscondities worden gevormd door het fiscale regime, een goed gebouw van wet- en regelgeving en 'human capital' in de vorm van goed opgeleide mensen. Die drie voorwaarden moeten worden aangezet en uitgedragen.”
Komen dergelijke inspanningen voor Nederland niet te laat?
“Goede initiatieven komen altijd te laat. Met de kennis die we vandaag hebben, weten we dat we dit eigenlijk tien jaar geleden al hadden moeten doen. Maar wil dat zeggen dat we nu dan maar helemaal niets moeten doen? Natuurlijk niet.”
Beter laat dan nooit: De schouders moeten eronder. Bij fatalisme en doemdenken is niemand gediend - het is hoog tijd voor een positieve insteek. Dat geldt ook voor de manier waarop tegen het toezichtkader wordt aangekeken. “In de afgelopen jaren heeft de pensioenwereld zich, ook ten overstaan van de internationale pers, met enige regelmaat negatief uitgelaten over het Nederlandse toezichtregime. Het wordt tijd daar nu eens definitief een streep onder te zetten,” stelt Klaas Knot.
Het breed uitgemeten onderlinge gekissebis doet de reputatie van Nederland Pensioenland in internationale ogen uiteraard geen goed.
“De Pensioenwet was een inhaalslag waarmee twee grote hiaten in wettelijk kader en toezicht zijn gedicht. Het Financieel Toetsingskader heeft het externe toezicht op de solvabiliteit op orde gebracht. De governance-regelgeving doet hetzelfde voor het interne, niet-financiële toezicht. Nu krijgen we een periode van wat meer bestuurlijke rust, in ieder geval van de zijde van de toezichthouder. Daarmee breekt hopelijk ook een tijd aan waarin men negatieve sentimenten laat varen, en in plaats daarvan de voordelen van ons systeem gaat zien en ook uitdragen.”
Indexatie
“De financiële eisen van het FTK beperken zich louter tot nominale aanspraken. Maar dat is een forse abstractie van de werkelijkheid, want iedereen in Nederland verwacht dat hij of zij geïndexeerd pensioen krijgt. Niemand koopt tenslotte iets voor nominaal pensioen,” zegt Knot. “Daarom is besloten dat er weliswaar geen financiële eisen worden gesteld, maar dat in plaats daarvan communicatievereisten gelden, waardoor deelnemers toch enige zekerheid wordt geboden.” Alleen: die vereisten moeten nog concreet worden ingevuld. “Dus fondsen zitten nu in de spagaat dat ze moeten communiceren over hun indexatiebeleid, terwijl de standaard voor die communicatie nog niet is ontwikkeld.”
De ontwikkeling van die standaard schiet overigens wel al aardig op. “Het zogenaamde indexatielabel krijgt de vorm van een bootje dat schommelt op de golven. Hoe hoger het water staat, hoe meer indexatie de deelnemer mag verwachten.”
Het indexatielabel is conceptueel klaar. “Nu moeten we het alleen nog calibreren, zodat fondsen de hoogte van hun bootje kunnen bepalen. Het is de bedoeling dat het label twee dimensies laat zien - de indexatie in het centrale pad, en bij slecht weer. De fondsen leveren daartoe voor april volgend jaar de kwantitatieve berekeningen van de verwachte indexatie aan, zowel in een going concern en in een worst case scenario. Op basis daarvan kunnen wij de gradatie van het label vaststellen en de indexatie klasseren,” legt Knot uit. “DNB zal dan even alle zeilen bij moeten zetten, want het is de bedoeling dat wij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hierover voor 1 juli 2008 advies uitbrengen.”
Op die manier is het label klaar voor gebruik tegen de tijd dat de fondsen in het najaar van 2008 de onderhandelingen over de premiestelling ingaan. “Pensioenfondsen kunnen dan de premie-instelling doorrekenen in hun continuïteitsanalyse en de indexatieverwachting die daar uit komt vervolgens met het nieuwe label communiceren naar deelnemers.”
Printbare versie
Related articles:
|