Kleine fondsen hebben toekomst
Gepubliceerd op: 20 December 2007
(December/Januari 2008)
Het bestaansrecht van kleine pensioenfondsen wordt openlijk in twijfel getrokken. Behoren fondsen met een vermogen van minder dan 100 miljoen euro tot een uitstervende soort? Een rondgang langs vier kleine ondernemingspensioenfondsen wijst anders uit, ontdekt Gabor Mooij.
Van de vier ondernemingspensioenfondsen in dit artikel hebben zich er twee herverzekerd en zijn er twee zelfstandig gebleven. Zij delen hun ervaringen met npn:
HERVERZEKERD
De opheffing nabij
Het ondernemingspensioenfonds van het Nederlands Bureau voor Toerisme & Congressen maakt al langere tijd gebruik van de diensten van verzekeraars. “Onze nominale aanspraken zijn verzekerd op basis van een garantiecontract. De laatste negentien jaar was Delta Lloyd onze verzekeraar,” vertelt de secretaris van het pensioenbestuur Lex Weststrate. “De reden dat we in het verleden tot herverzekeren overgingen, was dat we niet langer zelf de risico's wilden lopen.”
De verzekeraar verzorgt ook het vermogensbeheer van het fonds. Het beleggingsresultaat is erg laag. “De beleggingen van het pensioenfonds hebben een behoorlijke dip gekend,” erkent Weststrate.
Het bestuur van het fonds besloot drie jaar geleden de mogelijkheden te onderzoeken om het fonds geheel op te heffen. “Reden is de combinatie van steeds meer wettelijke eisen en het steeds moeilijker vinden van bestuurders. Ook een rol speelt het vrij grote verloop, zodat we steeds nieuwe mensen moeten vinden en moeten inwerken. Dit leidt er ook toe dat we steeds meer een beroep moeten doen op externe adviseurs, wat tot een toename van de uitvoeringskosten leidt.” Een belangrijke overweging is ook de RJ 271- richtlijn. “Hierdoor moet de onderneming het verschil tussen de pensioenverplichtingen en de pensioenbeleggingen in de balans van de onderneming opnemen.”
Na het besluit om de mogelijkheden van opheffing te onderzoeken, volgde een lange weg langs bedrijfstakpensioenfondsen, collega-opf's en het samenwerkingsverband De Eendragt. Inmiddels staat het pensioenfonds op het punt de verplichtingen geheel over te dragen aan één van de drie verzekeraars waarmee het gesprekken voert. “Belangrijk is dat de verzekeraar garanties biedt voor de indexatie. Als er een premie uitrolt die overeenkomt met de huidige premie dan zijn we tevreden. We hopen binnenkort een beslissing te kunnen nemen.”
Net niet opgeheven
Het ondernemingspensioenfonds Vredestein Banden bestaat sinds 1 januari 2006 toen het Enschedese bandenbedrijf door het Russische Amtel werd gekocht. Het bestaande pensioenfonds Vredestein NV werd toen opgeheven. Het opf heeft zijn nominale pensioenaanspraken herverzekerd bij Aegon. Ook het vermogensbeheer heeft het fonds bij de verzekeraar ondergebracht. Volgens Mos zijn de kosten van het pensioenfonds niet te hoog. “Uit onderzoek is gebleken dat we ongeveer op het gemiddelde zitten.” Wel vindt hij dat het beleggingsrendement tegenvalt. “Met de beleggingsopbrengsten moeten we in principe de helft van onze kosten kunnen afdekken en dat lukt nu niet.”
Bijna besloot het bestuur het pensioenfonds het afgelopen jaar op te heffen. “Dat kwam door de nieuwe toezichtseisen en de instelling van nieuwe toezichtorganen. Hierdoor mist ons bestuur de noodzakelijke daadkracht. Als oplossing hebben we de deelnemersraad en het verantwoordingsorgaan samengevoegd tot één toezichthouder. De deelnemersraad is niet verplicht, omdat we minder dan 25 gepensioneerden hebben,” vertelt de tweede voorzitter van het pensioenfonds, Jan Mos. De bestuurders van het Pensioenfonds Vredestein Banden scholen zich regelmatig bij. “Vanwege de steeds ingewikkeldere regelgeving gaan we één keer per jaar of twee jaar de hei op met een aantal deskundigen. Nieuwe bestuurders worden speciaal opgeleid.”
De overname door Amtel heeft positieve gevolgen gehad voor het vermogen van het opf. “De werkgever stort vanaf 1 januari 2006 jaarlijks ongeveer 800.000 euro extra in het fonds. We willen niet alles direct in indexatie weggeven, dus we hebben een studie gedaan naar indexatie over langere tijd.” Voor volledige loonindexatie zou de premie ongeveer 35 procent van de pensioengrondslag moeten zijn. “Van die verhoging moet zestig procent door de werkgever worden opgebracht. Die zal dat niet zomaar willen,” stelt Mos.
Mos ziet de toekomst wel rooskleurig in. “De gemiddelde leeftijd bij Vredestein Banden is 42. Het duurt dus nog een tijd voor de eerste grote groep met pensioen gaat. Aandachtspunt is wel dat we de indexatie op niveau moeten weten te houden en dat de verzekeraar daarvoor voldoende rendement uit de beleggingen behaalt.”
ZELFSTANDIG
Een halve eeuw op eigen kracht
Het pensioenfonds van het metaalbedrijf Roba redt het al lang geheel zelfstandig. “Het is ons al vijftig jaar altijd gelukt de pensioenen op een efficiënte manier te organiseren,” vertelt bestuurslid Gerard de Roij van de Stichting Roba Pensioenfonds. Voor het vermogensbeheer heeft het Roba Pensioenfonds een beleggingscommissie. Deze bestaat uit drie leden, die worden benoemd door het bestuur. “Een vermogensbeheerder kost je al gauw 0,5 procent van je rendement. Uit onderzoek is gebleken dat vermogensbeheerders het vaak helemaal niet beter doen dan andere beleggers. Daarbij is de vermogensmarkt niet zo ingewikkeld als men vaak zegt.” Met het zelf beleggen behaalt het fonds een opvallend goed rendement. “We hebben de laatste tien jaar een gemiddeld rendement van 9,5 procent behaald. Dat komt onder andere door onze beleggingen in kleine ondernemingen. We hanteren een vrij risicoloze beleggingsmix. Zo beleggen we niet in derivaten en andere exoten. Je haalt er geen extra rendement op, terwijl je er meer kosten aan hebt,” legt De Roij uit.
Hij vindt de nieuwe regels van de Pensioenwet grotendeels overbodig. ““Pensioenfondsen hebben helemaal niet zoveel fout gedaan. We hoeven toch niet gestraft te worden vanwege Enron en Ahold? De eisen voor het toezicht jagen ons op extra kosten en kost veel extra tijd en werk.” Hij zou graag meer differentiatie zien. “Dat betekent dat andere eisen gelden voor de fondsen die het slechter doen, dan voor de fondsen die goed draaien. Nu wordt alles op één grote hoop gegooid.”
Ondanks deze ergernissen ziet hij de toekomst van het Roba Pensioenfonds met vertrouwen tegemoet: “We hebben het vijftig jaar zelf gered, dus dat moet de komende vijftig jaar ook lukken.”
Zelfstandig en geen spijt
De Fracties, het opf van het olieverwerkende bedrijf Loders Croklaan, bestaat sinds 2002. Het pensioenfonds heeft de administratie uitbesteed aan AZL en het vermogensbeheer aan Barclay Global Investors. Hans Kogenhop, bestuursvoorzitter van De Fracties: “Onze naam De Fracties is gebaseerd op het fractioneren, een onderdeel van de olieverwerking. We waren eigendom van Unilever dat ons in 2002 heeft verkocht aan het Maleisische IOI. Voorwaarde bij de overname was dat we na de overname drie jaar lang op hetzelfde niveau als bij Unilever pensioen konden opbouwen. Tegelijkertijd besloten we zelfstandig verder te gaan. We wilden geen verzekerde regeling, vanwege de kosten en de trage uitvoering door verzekeraars bij andere bedrijven die door Unilever waren verkocht. Het is soms best moeilijk om je staande te houden, maar we hebben geen spijt gekregen dat we het zelf zijn gaan doen.”
Het toezicht zal volgens Kogenhop nog wel hoofdbrekens kosten. “In verhouding ben je daaraan als klein fonds veel geld en tijd kwijt. Aan de andere kant denkt bijvoorbeeld een visitatiecommissie ook weer mee, dus het heeft ook positieve kanten”. Een ander zorgpunt voor De Fracties is de fluctuatie van de marktrente. “Hierdoor overwegen we op dit moment om het renterisico af te dekken door aanpassing van het obligatiepakket.”
Het pensioenfonds kan de kosten nog geheel betalen uit de premie. “Onze werkelijke reële kosten bedragen nu 24 procent van de pensioengrondslag. Bij kosten die boven het premiepercentage (26,5 procent) komen, zouden we moeten overleggen met de CAO-partners over een premiebijdrage van de werknemers of het aanpassen van de pensioenrechten.”
Het bestuur van De Fracties bestaat uit zes mensen, die volgens Kogenhop goed berekend zijn op hun werk. “Vier bestuursleden zijn bijvoorbeeld financieel deskundige op academisch niveau. Daarnaast scholen we ons één keer per twee jaar bij via cursussen bij de OPF en leiden we nieuwe bestuurders op via de basiscursus van de OPF.” Kogenhop hoopt op meer rust vanuit de wetgeving. “Dan moet zelfstandig blijven, goed te doen zijn. Als valkuilen zie ik dat de werkbelasting teveel wordt voor het bestuur en dat de financiële kant moeilijk beheersbaar wordt. Positief is dat we tot nu toe steeds voldoende enthousiaste mensen vinden voor het bestuur.”
Een eigen toekomst
Uit de interviews komt naar voren dat het zo slecht nog niet is voor kleine pensioenfondsen om zelfstandig te blijven. De beide herverzekerde pensioenfondsen staan er slechter voor dan de geïnterviewde zelfstandige fondsen.
Daarnaast blijkt herverzekering de besturen van fondsen niet zonder meer te beschermen tegen de regeldruk. Uitbesteding aan verzekeraars blijkt bovendien wat het vermogensbeheer betreft niet altijd goed uit te pakken vanwege tegenvallende beleggingsopbrengsten.
Voor zowel de herverzekerde als de zelfstandige pensioenfondsen zijn deskundige en gemotiveerde bestuurders essentieel. Daarnaast zou 'toezicht op maat' de regeldruk voor kleine fondsen kunnen verlichten. Ook moeten de kleine fondsen zorgen voor dat hun uitvoeringskosten niet te hoog worden. De meest voor de hand liggende oplossing hiervoor is samenwerking, een optie die voor veel pensioenfondsen nog openligt.
Printbare versie
Related articles:
|