Audio & Video   Profiel   Contact   Adverteren   Abonnementen   FT Global Events   Other publications  



 
Real matching: is de tijd er rijp voor?

Gepubliceerd op:  29 Augustus 2008 (Augustus/September 2008)

André van den Heuvel en Robert Hayes, respectievelijk Hoofd Institutional Business Benelux en Hoofd Strategic Advice Service van BlackRock, buigen zich over de redenen achter het groeiende enthousiasme voor real matching (het matchen van de reële verplichtingen) en de specifieke uitdagingen waar pensioenfondsen rekening mee moeten houden.

De afgelopen paar maanden is er een aanzienlijke toename geweest van de belangstelling voor real matching van de kant van pensioenfondsen en commentatoren op de Nederlandse markt. Het kan zijn dat de recente stijging van de inflatie en van de grondstofprijzen hieraan ten grondslag ligt, maar wij geloven dat er meer en andersoortige factoren in het spel zijn.


Het ruimere kader

Ofschoon alle pensioenfondsen een eigen positie en strategie hebben, kunnen we de ontwikkeling van de afgelopen paar jaar als volgt samenvatten:

  • Toegenomen aandacht voor verplichtingen en de voorgenomen introductie van het FTK leidde tot de keuze voor LDI-strategieën gebaseerd op nominale verplichtingen. Er werden ‘matchende’ portefeuilles geïntroduceerd;

  • Naarmate de bekendheid met LDI en derivaten toenam, introduceerden fondsen ook swap-overlays (of in sommige gevallen swaption-overlays);

  • De sterke markt in aandelen en andere beleggingen tot midden 2007 leidde tot een uitgesproken verbetering van de nominale solvabiliteitsniveaus, zozeer dat sommige fondsen volledige indexering konden toekennen en real matching konden overwegen.

    Dit artikel gaat voor het grootste deel over beleggingen die rechtstreeks contractueel zijn verbonden aan inflatie. Het is echter de moeite waard eens na te denken over de rol van andere beleggingen die inflatiegebonden eigenschappen zouden kunnen bezitten. Traditioneel rekenden beleggers daartoe: onroerend goed (vooral in geval van inflatiegebonden huurovereenkomsten), aandelen, grondstoffen (inclusief goud) en alternatieve beleggingen zoals infrastructuur of bosbouw.

    Al deze beleggingen hebben in verschillende perioden ervan blijk gegeven hun reële waarde te kunnen behouden ondanks de inflatie en ze kunnen heel goed een rol gaan spelen in een goed gediversifieerde, op rendement gerichte strategie.

    Er kan evenwel sprake zijn van aanzienlijke aanlooptijden, wisselvallig rendement en vertragingen voordat beleggers profiteren van enige ‘inflatiebescherming’. Zo hebben de aandelen op de Amerikaanse beurzen onlangs tien jaar lang negatief reëel rendement opgetekend en aan het begin van de vorige eeuw beleefde een aantal markten nog veel langere perioden van negatief reëel rendement. Hun rol moet daarom eerder worden gezien in de strategische langetermijnplannen (ALM-studie) van een fonds dan in het bieden van een kortetermijn-‘inflatiebescherming’ aan een fonds met de reële verplichtingen op jaarbasis als graadmeter.

    Vanaf het begin moeten trustees zich ervan bewust zijn dat reële verplichtingen worden gekenmerkt door een langere duration dan nominale verplichtingen (vanwege de lagere discontovoet). Als gevolg daarvan zal de reële dekkingsgraad (en eventuele daaraan gekoppelde beleggingen) gevoeliger zijn voor bewegingen aan het lange uiteinde van de rentecurve. Net als bij nominale obligaties is het lange uiteinde van de rentecurve in de regel minder liquide, heeft het minder effecten die duidelijke referentiepunten voor de prijsstelling kunnen bieden en kan het onderhevig zijn aan meer afwijkingen wat betreft de kortetermijnprijsstelling. Veel deskundigen zijn bijvoorbeeld van oordeel dat de op de Britse markt verkrijgbare reële rendementen op lange termijn een vertekend beeld te zien geven (op sommige punten in de curve impliceren ze negatieve termijnkoersen).

    Specifieke uitdagingen om rekening mee te houden:

    Real matching mag dan eenvoudig klinken, het kan aanleiding geven tot niet alleen dezelfde vragen als bij op FTK gebaseerd nominaal matchen, maar daarnaast nog tot een aantal nieuwe, interessante vragen, waaronder:

  • Wat is het inflatietempo dat moet worden gematcht? In de nominale ruimte is het gebruik van de FTK-swap curve redelijk ongecompliceerd, maar voor het matchen van de reële verplichtingen moeten compromissen worden gesloten. Het indexeringsbeleid voor de meeste beleggingsfondsen is flexibel, maar vaak is het streven een toename te bereiken die vergelijkbaar is met de Nederlandse CPI of de loonontwikkeling in Nederland. In praktische zin betekent de komst van de euro echter dat de meeste beschikbare inflatiegebonden beleggingen zijn gehouden aan de eurozone-maatstaven voor inflatie (HICP). Zoals figuur 1 toont, kunnen deze een tijdlang van elkaar verschillen.

  • Welke strategieën komen in aanmerking? Die zijn ruwweg in twee categorieën te verdelen. Ofwel fondsen kijken vooral naar beleggingen die een precieze formele link met inflatie hebben, inclusief swapcontracten of inflatiegebonden overheidseffecten (TIPS), ofwel ze hebben een meer holistische benadering toegepast, waarbij zij hebben gekozen voor beleggingen waarvan wordt aangenomen dat het rendement verbonden is aan de inflatie, zoals grondstoffen en onroerend goed. De tweede benadering is in feite een voortzetting van de traditionele ‘return’-portefeuille waarbij de doelstelling nauwkeuriger is uitgedrukt.

    Twee andere vraagstukken die kunnen opkomen in verband met het matchen van de reële verplichtingen zijn de interactie met de fundamenten van indexeringsbeleid en met regulatorische verslaglegging. Talrijke fondsen zullen indexering toekennen op basis van een solvabiliteitsschaal verbonden aan nominale waarden. Als de dekkingsgraad van het pensioenfonds bijvoorbeeld meer dan 140 is, zal volledige indexering worden toegekend. Evenzo berust de FTK-basis voor het beoordelen van het risico van een beleggingsbeleid op een nominaal kader. De ‘s’-score wordt uitgedrukt als een nominale ‘buffer’ boven 100 procent.

    Een real matching-beleggingsbeleid dat is gebaseerd op inflatiegebonden beleggingen kan een lager risico inhouden in reële zin, maar een hoger risico in nominale zin, wat bijvoorbeeld kan leiden tot de ironische situatie dat de ‘s’-score stijgt of dat het risico onder de nominale drempelwaarde voor het toekennen van indexering te zakken toeneemt.

    Ofschoon deze laatstgenoemde kwesties ietwat gezocht of theoretisch kunnen aandoen, moet worden erkend dat inflatiegebonden beleggingen in de lange beleggingsperioden waar pensioenfondsen mee te maken hebben wel degelijk twee risico’s voor nominale beleggers met zich meebrengen. Ten eerste zou de inflatie negatief kunnen zijn: ook al kent de jongste geschiedenis van Europa geen deflatieperiode van betekenis, de situatie in Japan toont aan dat deze mogelijkheid niet geheel buiten beschouwing mag worden gelaten. Ten tweede, en waarschijnlijker, staat de belegger bloot aan veranderingen in inflatieverwachtingen zoals weergegeven in de BEI (‘break even or implied inflation rate’, zijnde het verschil tussen het reële rendement op inflatiegebonden obligaties en het nominale rendement op vaste obligaties met vergelijkbare duration). De grafiek in figuur 2 toont de ontwikkeling van de Franse, Amerikaanse en Britse TIPS-markt in de laatste jaren. Onder overigens gelijke omstandigheden kan een daling in de BEI leiden tot een achteruitgang van de nominale solvabiliteit van een fonds dat heeft gekozen voor inflatiegebonden beleggingen.

    Tot slot, bij het implementeren van een real matching-strategie met gebruikmaking van inflatiegebonden beleggingen (obligaties of swapcontracten) is het belangrijk een beeld te hebben van de marktwaarde of ten minste een prijs die pensioenfondsen bereid zijn te betalen voor inflatiebescherming. Dit vereist nadere inspectie van de BEI en overleg met het bestuur van het pensioenfonds en hun adviseurs en managers omtrent de vraag hoeveel een pensioenfonds bereid is in te leveren aan rendement in ruil voor bescherming tegen een hoge inflatie op lange termijn.


    Dit artikel is gesponsord door:

    BlackRock

    CONTACT

    André van den Heuvel

    Head of Institutional Business Benelux,

    BlackRock

    andre.vandenheuvel@blackrock.com

    Tel. +31 40 23 58 102

    of +31 20 54 95 212


    Printbare versiePrintbare versie
    Stuur deze artikel naar een vriend.Stuur deze artikel naar een vriend.

     




    Headlines van andere FT Business publicaties
    DPN: Deutsche Pensions & Investment Nachrichten
    • Master-KAG 2009
    • Nest Sammelstiftung: Vollkommen überzeugt
    • Nachhaltigkeit: Zu häufig reines Lippenbekenntnis
    European Pensions & Investment News
    Nordic Region Pensions & Investments News
    • Realigning to emerging markets
    • Gro Nystuen - Norwegian council on ethics
    • Danish DIP persists with diversified outlook
    Pensions Management - the magazine for pension & investment industry professionals
    • AMPS slams Treasury stance on anti-forestalling
    • Lifetime annuities survey: Full PDF
    • DB scheme closures: the facts
    Professional Wealth Management
    • Does the client really know best?
    • German Bites
    • Targeting domestic markets
  •  ARCHIEF




    Contact
    Abonnementen
    Privacy Policy
    Terms and Conditions
    Webmaster

    Mailing address: Financial Times Ltd, Number One Southwark Bridge, London, SE1 9HL, United Kingdom

    © The Financial Times Limited 2009