Pension Academy slaat brug tussen theorie en praktijk
door Door Anke Claassen
Gepubliceerd op: 13 Oktober 2008
|
|
Leden van de European Pension Academ
|
De vertaalslag maken van wetenschappelijke theorie naar de praktijk is voor velen bijzonder lastig. Moeilijke theoretische vraagstukken halen daarom vaak de bestuurstafel niet. En dat is zonde, vinden de wetenschappers die samen het platform European Pension Academy (EPA) hebben opgericht. En, als pensioenfondsen beter beslagen ten ijs komen wordt het werken in de sector nóg leuker, zo is de gedachte.
“Het idee is anderhalf jaar geleden geboren”, vertelt Vincent Hooplot, bestuurslid van EPA en werkzaam bij Robeco. Hij is samen met hoogleraar Kees Koedijk van de universiteit van Tilburg de initatiefnemer van het platform. “In Nederland staat de pensioenkennis op een zeer hoog niveau. Veel wetenschappers en instituten verdiepen zich in beleggings- en pensioenvraagstukken, maar pensioenfondsbestuurders hebben vaak een andere hoofdtaak. Voor hen zijn de artikelen die worden gepubliceerd te complex. Om die reden leggen veel pensioenfondsbesturen dergelijk materiaal naast zich neer en spelen die publicaties nauwelijks of pas vele jaren later een rol in de besluitvorming. Dat gat willen we met EPA vullen.”
“Wij hopen met verschillende instrumenten pensioenfondsbestuurders te helpen om die moeilijke materie begrijpelijk te maken, zodat ze waardevolle informatie uit de wetenschap in de praktijk kunnen gebruiken”, vult Alfred Slager, verbonden aan de Universiteit van Tilburg en werkzaam bij PGGM, aan. “We hopen ze de juiste ‘tools’ in handen te kunnen geven zodat ze bij de eerstvolgende bestuursvergadering over een bepaald onderwerp de wetenschappelijke kennis ook echt kunnen toepassen.”
Volgens Onno Steenbeek van de Erasmus Universiteit in Rotterdam en werkzaam bij APG, wordt de wetenschappelijke theorie op de vierkante milimeter afgebakend. Voor een pensioenfondsbestuurder is het lastig om al die deelprobleempjes naar waarde te schatten. “Als het ons lukt om de vertaalslag naar de praktijk nog efficiënter te maken, wordt de wetenschappelijke kennis veel beter benut. Voor wetenschappers is het ook leuk als hun onderzoek wordt opgepikt.’
Daarnaast is het volgens Laurens Swinkels, ook verbonden aan de Erasmus Universteit en werkzaam bij Robeco, voor veel bestuurders moeilijk om de meest recente en relevante ontwikkelingen goed te blijven volgen. “Ik denk dat EPA daar een mooi platform voor biedt.”
Dat EPA uitgroeit tot een plek waar de belangrijkste trends en ontwikkelingen op pensioengebied tot bloei kunnen komen, hoopt ook Joop Huij, eveneens werkzaam bij de Rotterdamse universiteit. “De ontwikkelingen gaan ontzettend snel. Pas een jaar tot twee jaar later sijpelt die kennis door naar de kleine en middelgrote fondsen. Als we daar wat aan kunnen doen, help je fondsen beter te beleggen en beter te besturen.”
EPA kan ook heel goed andersom werken, denkt Ronald Mahieu, werkzaam bij de Universiteit van Tilburg. “Het is voor wetenschappers een kunst om vragen uit de sector om te zetten in een wetenschappelijke agenda. Juist die band met de branche is zo ontzettend belangrijk. Als wetenschapper loop je anders het gevaar dat je bezig bent met iets waar pensioenfondsbestuurders helemaal niet op zitten te wachten.”
Bestuursagenda als leidraad
De EPA hoopt de kennis die wordt opgedaan via wetenschappelijk onderzoek door middel van seminars en cursussen toegankelijk te maken voor de sector. De bestuursagenda van pensioenfondsen is daarom de leidraad voor de onderwerpen die aan bod komen, vertelt Margret Smits, bestuurslid van EPA en werkzaam bij Robeco. “Wij houden in de gaten wanneer in het jaar welke thema’s belangrijk zijn. Het indexatielabel wordt bijvoorbeeld maar één keer per jaar vastgesteld, dan moet je op het juiste moment met je informatie komen zodat men de ‘tools’ kan meenemen naar de bestuurstafel wanneer dit onderwerp speelt.”
De bedoeling is dat EPA actuele vraagstukken waar pensioenfondsen mee worstelen aan bod laat komen, vertelt Slager. “De eerste stap is het formuleren van het vraagstuk: Wat weten we hiervan uit de theorie? Wat zou ons praktijkadvies zijn? Zijn er verschillende manieren van aanpak die wij aan pensioenfondsen kunnen adviseren? De tweede stap moet zijn: Hoe willen we dat gaan doen? Is er tijd voor een seminar, of is het acuut en moeten we informatie op onze website plaatsen?”
“Dat beperkt zich zeker niet enkel tot het onderwerp vermogensbeheer”, vertelt Steenbeek. “Veel zaken die nu belangrijk zijn vallen buiten het vermogensbeheer. Een ‘hot issue’ nu is bijvoorbeeld de consistentietoets die onderdeel is van de continuïteitsanalyse. Daarin moeten pensioenfondsen aantonen dat hun beleid consistent is met hun ambitie en dat zij ook in geval van een reservetekort binnen de gestelde termijn uiteindelijk hun beloftes zullen kunnen nakomen. Pensioenfondsen moeten dus veel meer op orde hebben dan enkel hun vermogensbeheer. Ik kan me goed voostellen dat dit soort onderwerpen aan bod komt binnen EPA.”
Onbedoelde effecten voorkomen
Door recente wet- en regelgeving is het besturen van pensioenfondsen veel complexer geworden. Dit heeft tot gevolg dat ze steeds meer ondernemingsgericht aan de slag moeten, vertelt Hooplot. “Een pensioenfonds is een heuse onderneming geworden. Dat heeft consequenties. Veel fondsen worstelen bijvoorbeeld nog met hun uitbesteding. Vroeger was het allemaal rechttoe rechtaan. Nu moeten ze van veel meer zaken op de hoogte zijn: alternatieve beleggingen, private equity, actief versus passief, noem maar op. Ze moeten steeds beter in staat zijn om hun strategische uitgangspunten goed te formuleren.”
“Veel van dit soort keuzes zijn in het verleden impliciet tot stand gekomen”, ondervindt Swinkels in de praktijk. “Dit leidt tot spanningsvelden omdat de organisatie complexer is geworden. Een onderneming ontwikkelt een strategie en maakt daarmee bepaalde keuzes expliciet. Wij hopen ze te kunnen helpen om daar bewuster mee om te gaan. Als bepaalde processen helderder worden, is het voor het bestuur ook veel leuker om zich erin te verdiepen.”
“Door de toegenomen complexiteit denken veel kleinere fondsen het hoofd niet meer boven water te kunnen houden”, vult Huij aan. “Dat is zonde en meestal helemaal niet nodig. Vaak is uit het oog verloren waarom er in het verleden een keuze voor een bepaalde strategie is gemaakt. Met teruggaan naar de kern en jezelf de simpele vraag te stellen: ‘waarom hebben wij daar destijds voor gekozen?’ kan het gevoel van ‘in control’ zijn weer een hoop rust in de besturen brengen.”
De eerste onderwerpen die EPA aan wil pakken zijn inflatie, stagflatie en deflatie, actuele begrippen voor veel pensioenfondsen. Eind november staat er een seminar op de planning. “Dat zijn onderwerpen bij uitstek om voor het eerst die vertaling van theorie naar praktijk te maken, vindt Hooplot. “Inflatie bijvoorbeeld, heeft een enorme impact op pensioenfondsen. Het is ontzettend belangrijk dat een bestuur weet wat de implicaties van de beschikbare theorie zijn voor de praktijk.”
En dat is nodig, ziet ook Smits. “Het zijn niet alleen de kleine fondsen die met vragen worstelen. Al is het vooral die groep die minder mogelijkheden in huis heeft. Maar het is absoluut niet zo dat de grote fondsen alles weten en de kleine niets.”
Daarmee is Mahieu het eens: “Het feit dat kleine fondsen vaak heel veel in één keer te behappen hebben, maakt ze erg creatief. Het Nederlandse pensioensysteem is goed en doordacht, maar dat levert soms onbedoelde neveneffecten op zoals bijvoorbeeld de doorsneepremie. Wij willen met EPA de discussie over dat soort zaken binnen de sector als geheel op gang brengen.”
Daarnaast is het is de bedoeling om het platform in de toekomst ook in Europa verder uit te rollen, vertelt Smits. De eerste contacten hiervoor zijn inmiddels gelegd. “De reacties zijn erg positief. Wij hopen met de EPA dan ook de vruchtbare internationale samenwerking die er op pensioengebied bestaat verder te ondersteunen en te versterken.”
Printbare versie
Stuur deze artikel naar een vriend.
|